De politie heeft verdacht veel te verbergen

Bij het begin van de televisie-verhoren over opsporingsmethoden van de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa vielen de kijkcijfers tegen. Dat paste in het algemene beeld van irrelevantie dat dit openbare onderzoek opriep. Van Traa cum suis had op voorhand beloofd de operationele vertrouwelijkheid van het opsporingswerk te zullen respecteren. De georganiseerde misdaad luisterde immers mee. Wat moest de commissie - toch al geen gezelschap politieke zwaargewichten - verder dan nog? Zeker, het is wel duidelijk dat behoorlijke spelregels voor een aantal nieuwe politiemethoden al rijkelijk laat zijn. Maar kan het ministerie van justitie daar ook zonder die omslachtige verhoren niet beter direct aan beginnen?

Een reden de beleidsmakers eerst aan de tand te voelen was dat - zoals deze krant vlak voor het begin van de verhoren onthulde - de top van het ministerie van justitie normering van de bijzondere politiemethoden juist heeft afgehouden. Toch verklaarde minister van justitie Hirsch Ballin kort voor zijn aftreden nog uitdrukkelijk “dat altijd een wettelijke grondslag nodig is voor het toekennen van een bevoegdheid aan politie en openbaar ministerie die de grondrechten van burgers raakt”.

Zo waren er nog wel meer ongerijmdheden en open vragen in het kielzog van de ontbinding van het Interregionaal rechercheteam Noord-Holland/Utrecht, dat de directe aanleiding voor het parlementaire onderzoek vormde.

Halverwege de openbare verhoren, die nog tot in november zullen duren, valt niet meer te ontkennen dat ze wel degelijk van belang zijn. Het blijft een opgave de aandacht te houden bij de ellenlange rechtstreekse uitzendingen met hun monotone jargon van “trajecten”, “vegen” en “dekladingen” - allemaal termen overigens die men tevergeefs zal zoeken in de Nederlandse wetgeving.

Het démasqué dat hier plaatsvindt heeft er niet minder betekenis om. Neem procureur-generaal Van Randwijck, die doodleuk meedeelt dat hij tot voor het begin van de parlementaire verhoren niet op de hoogte was van de ernstige verdeeldheid tussen de parketten van Haarlem en Amsterdam, die beide in zijn ressort vallen.

Het betreft hier niet, zoals men wellicht zou denken, de fijnere puntjes van de strafvordering: een vernieuwende vorm voor de tenlastelegging of een creatieve omgang met het lastige leerstuk van de samenloop van strafbare feiten. Nee, het gaat hier om het “runnen” van informanten, met als geenszins denkbeeldige consequentie dat criminele handlangers stinkend rijk worden van de handel in drugs die met behulp van de politie op de markt worden gebracht. Het gaat hier om de vraag of de politie de criminelen 'runt', dan wel de criminelen de politie. Het gaat hier om een stammenstrijd die het IRT opblies met alle schade vandien voor de relaties tussen justitie en politie en bestuurlijke korpsbeheerders.

De Amsterdamse procureur-generaal was niet de enige vooraanstaande magistraat die openlijk zijn onvermogen moest bekennen. Eerder bestond zijn collega Gonsalves uit Den Bosch het mee te delen dat hij pas ná de IRT-affaire te horen had gekregen over het doorlaten van drugs (de zogeheten gecontroleerde doorlevering). Toch was daar al in 1991 sprake van in een circulaire van het college waarin Gonsalves nota bene de portefeuille zware criminaliteit beheert. De procureur-generaal zei dat hij dacht dat het om een paar kilootjes ging. Sluitend was het verhaal van de portefeuillehouder in elk geval niet.

Het is soms gênant hoe iedereen naar elkaar wijst. De Haarlemse hoofofficier van justitie De Beaufort wijst elke verantwoordelijkheid van de hand voor een informant die wordt uitgeleend aan Rotterdam. De betrokken Rotterdamse officier van justitie verklaart dat hij voor zijn zaak staat, behalve dan de “beheersafspraken” die in Haarlem zijn gemaakt - waaronder niet onbelangrijke details als de beloning (lees: criminele winsten).

Het 'koningskoppel' van de politie Kennemerland, dat het patent had op dit soort informanten, zegt op zijn beurt dat het zich niet bezig hield met wat deze lieden opstreken. Wel werden criminele gelden gebruikt voor het financieren van politie-activiteiten. Het bijbehorende kasboek is een hoofdstuk apart.

Zo blijken er overal gaten te vallen. “Achteraf gezien had ik wat actiever moeten zijn”, is de armzalige verklaring van de huidige plaatsvervangend hoofdofficier van justitie in Groningen, Van Capelle, over de leiding die hij in Amsterdam aan de bestrijding van de zware misdaad heeft gegeven. Hij vond het zelfs niet nodig zijn hoofdofficier in te lichten over riskante plannen als het doorlaten van hard drugs.

Het gebrek aan alertheid was voor Van Capelle geen beletsel openlijk te dreigen dat het openbaar ministerie en de politie wel eens hun toevlucht zouden kunnen nemen tot het uitlokken van strafbare feiten - ook al heeft de Hoge Raad dat uitdrukkelijk verboden. Op een studiedag opperde hij vorig jaar verder dat de politie zich naar voorbeeld van de BVD “informatieposities” diende te verwerven in de politieke wereld. Binnenlandse spionage dus. Uiteraard zou dat slechts kunnen gebeuren onder regie van het openbaar ministerie. We zien nu wat dit inhoudt.

Met name de criminele inlichtingendiensten (CID's) hebben zich kunnen ontwikkelen tot een staat in de staat. Een CID-functionaris maakt heimelijke opnamen van elk gesprek met zijn officier van justitie. Het woord “chantage” is gevallen. De fiscale recherche - zelf geen vreemde op het gebied van het inlichtingenwerk - klaagt dat zij met valse politierapporten om de tuin wordt geleid als het om het doorlaten van tonnen drugs gaat. Voor het verschaffen van een valse identiteit aan personen draait men bij speciale recherchediensten de hand niet om. Nog afgezien van de inkijkoperaties en volgteams.

Tot dusver was het toverwoord “georganiseerde criminaliteit” voldoende om dergelijke praktijken te dekken. Maar wie garandeert dat de geheime politiemethoden niet worden ingezet tegen maatschappelijk meer omstreden doelwitten? De opmerking van officier van justitie Van Capelle over politici geeft aan dat het gevaar niet denkbeeldig is dat de politie een eigen agenda gaat volgen. “Fenomeen-onderzoek” heet dat in het jargon: niet uitgaan van concrete verdenkingen maar algemene vormen van politiële “landschapsbewaking” en “doopceel-lichting”.

De juridische status van dit soort activiteiten is onduidelijk, zo willen twee specialisten wel toegeven in de jongste aflevering van het Tijdschrift voor de Politie. Ze erkennen dat “bureaupolitieke argumenten” niet vreemd zijn aan de onderwerpkeuze. De traditionele verzekering van de politie dat zij op dit soort gevoelige gebieden “absoluut niets te verbergen maar veel te beschermen heeft” heeft gedurende de hoorzitting zijn glans verloren.

De loop die de openbare verhoren van de parlementaire enquêtecommissie heeft genomen maakt duidelijk dat een Kaderwet Bijzondere Opsporingsmethoden alléén de problemen niet oplost. Ook de verklaring van de nieuwe super-procureur-generaal Docters van Leeuwen “dat het OM zijn lesje geleerd heeft”, is voorbarig.

Wat dan wel moet gebeuren is minder duidelijk. In elk geval dient te worden bedacht dat de hoorzittingen van de enquêtecommissie plaatsvinden op basis van een uitgebreid en besloten vooronderzoek. Het hele stramien - en dus een mogelijk plan van aanpak - wordt pas aan het eind duidelijk. Hoewel er wel degelijk een scenario ten grondslag lijkt te liggen aan de verhoren, ontwikkelt zo'n proces al gauw ook een eigen dynamiek. De legpuzzel is dan ook nog lang niet af.

En duidelijk is evenzeer dat de cyclus van scandal and reform, die elders veel meer geaccepteerd is als leermethode, slecht past in de Nederlandse (politie)cultuur. Dat is althans de indruk van een politie-onderzoeker die zich bezig heeft gehouden met de crisis waarin het opsporingsapparaat is komen te verkeren. Oplossingen worden veeleer gezocht in de “interne overwegingen van gespecialiseerde insiders”. Wat dit betreft is het dus wel even wennen aan de commissie-Van Traa. Trouwens, ook voor de commissie zelf.

    • Frank Kuitenbrouwer