Winnaars en verliezers op twee exposities; Koningin reikt prijzen uit aan jonge schilders

Tentoonstelling Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst 1995 in het Paleis op de Dam. T/m 29/10. Dagelijks 12u30-17u. Catalogus ƒ 7,50.

Wat de koningin ook mag zien. T/m 29/10 in W139, Warmoesstraat 139. Dagelijks 12-18u.

AMSTERDAM, 14 OKT. Koningin Beatrix heeft gistermiddag in het Paleis op de Dam de Koninklijke Subsidie voor Vrije Schilderkunst uitgereikt aan zes jonge kunstenaars. De winnaars waren Noud van Dun, Maarten Janssen, Carla Klein, Paul Nassenstein, Danne van Schoonhoven en Machiel van Soest. De Koninklijke Subsidie werd 124 jaar geleden ingesteld door koning Willem III en is bedoeld als aanmoedigingsprijs voor kunstenaars tot 35 jaar. Aan de prijs is een geldbedrag verbonden van 5000 gulden belastingvrij.

Het aantal van 523 inzendingen dit jaar was minder groot dan in de voorgaande jaren. In 1994 waren het er nog 693. Een deel van de inzendingen is te zien op een tentoonstelling in het Paleis op de Dam. De zes winnaars zijn elk met twee schilderijen vertegenwoordigd, van negentien andere inzenders werd één werk geselecteerd. Zes schilders behoorden in 1994 ook al tot de exposanten. Eén van hen, Machiel van Soest, kreeg dit jaar een prijs, terwijl Koen Ebeling Koning deze eer vorig jaar te beurt viel. Dat roept de vraag op welke maatstaven de jury aanlegt. Haar keuze is soms wat ondoorgrondelijk en vergeleken met het werk van de andere inzenders niet altijd overtuigend.

Wie nog meer vergelijkingsmateriaal wil hebben, kan terecht op de tentoonstelling Wat de koningin ook mag zien in W139, aan de andere kant van de Dam in de Warmoesstraat. Op deze alternatieve expositie (geen salon van verongelijkte 'refusé's', zo zei de koningin) hangen 102 schilderijen van 51 kunstenaars die in de laatste selectieronde afvielen. Het is een initiatief van Hester Oerlemans, die zelf wel in het paleis exposeert. Oerlemans was nieuwsgierig naar het werk van de afgewezenen, vertelde ze tijdens de inrichting in W139. Op de dag van de inzending postte zij voor de deur van het paleis en vroeg alle inzenders om mee te doen, als ze zouden worden afgewezen. Oerlemans koestert geen plannen om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken.

Op de expositie in het paleis zelf verrast van de prijswinnaars vooral Carla Klein. Ze schildert, naar zelfgemaakte foto's, ouderwetse houten vitrines waarin geprepareerde reptielen en insecten worden getoond. De forse, bruingekleurde lijsten vormen een mooi contrast met de verfijnde grijsgroene hagedissen op sterk water. Terwijl Kleins doeken een ingetogen, melancholieke sfeer ademen, schildert Paul Nassenstein met uitbundige kleuren in een naïeve stijl. Zijn speelgoedlandschap doet wat oppervlakkig aan. Het schilderij van een eenzame caravan in het hooggebergte van Anne Marie Spijker, dat buiten de prijzen viel, vergeet men minder snel.

Machiel van Soest bedekt stukken zeemleer met verschillende lagen olieverf. Het roze vel dat als een dun reliëf op een witte ondergrond is gespannen doet griezelig echt aan. Bij Noud van Dun speelt de tastbaarheid van het klitteband dat hij op zijn doeken plakt, ook een rol. Zijn schilderijen bestaan uit patronen van geschilderde en geplakte (stippel-) lijnen, kruisen en losse papieren blaadjes die met één punt op het klitteband zijn bevestigd. Maarten Janssen laat, zo blijkt uit het juryrapport, het toeval het uiterlijk van zijn schilderijen bepalen. Het resultaat van deze aanpak, inclusief de afdruk van dobbelstenen, is fraai noch interessant. Veel intrigerender zijn de donkere barokke arabesken en mosselen die Van Schoonhoven schildert tegen een wit decor.

Hoe alternatief is de tentoonstelling in W139? Wie hoopt hier net als in de negentiende eeuw de miskende avant-garde te ontdekken, wordt teleurgesteld. De werken hangen dicht op elkaar van plint tot plafond, maar de algemene indruk verschilt niet veel van de officiële presentatie. Alleen de kwaliteit is, een enkele uitzondering daargelaten, beslist minder.