Vrije telecommarkt is niet meer tegen te houden

De liberalisering van de Europese telecommunicatiemarkt is nabij. Althans, 1 januari 1998 nadert, de datum waarop binnen de EU formeel alle belemmeringen voor concurrentie tussen telecombedrijven moeten vervallen. De Amerikaanse telecom-gigant AT&T heeft een hard hoofd in het ontstaan van een werkelijk vrije Europese markt. PTT Telecom-directeur Verwaayen niet: de markt zal zegevieren, omdat de markt nu eenmaal altijd wint.

Twijfel over het welslagen van de pogingen om de Europese telecommunicatiemarkt per 1 januari 1998 te liberaliseren? Bij het bestuur van de Europese Unie in Brussel misschien. Mogelijk ook bij de Internationale Telecommunicatie Unie of de Wereldhandelsorganisatie in Genève. En wellicht in politiek Den Haag. Maar zeker niet bij drs. B.J.M. (Ben) Verwaayen, vrije-marktprofeet, bestuurslid van Koninklijke PTT Nederland (KPN) en algemeen directeur van KPN-dochter PTT Telecom.

Wie de haalbaarheid ter discussie stelt van een Europese telecom-markt, waarop iedereen die wil vrijelijk kan opereren, mag rekenen op geveinsd onbegrip. “Of de markt na 1997 echt vrij is? Absoluut.”

De vorderingen in een aantal Europese landen, op weg naar 1998, lijken niettemin weinig hoopgevend. Zweden en Groot-Brittannië, al jaren gewend aan elkaar bekampende ondernemingen op hun binnenlandse markten, zijn de uitzonderingen. De regel is dat menige overheid, bezorgd over de concurrentiebestendigheid van het nationale (staats)telecombedrijf, angstvallig mededingers weert.

Niet zelden wordt daarbij verwezen naar de nutsfunctie van de desbetreffende telefoonmaatschappij, die iedere burger immers moet bedienen. Op de achtergrond speelt doorgaans de beoogde privatisering van het staatsbedrijf, waarvoor de overheid aanmerkelijk minder zal ontvangen als het overbemande, niet aan mededingers gewende bedrijf wordt blootgesteld aan de gesel van concurrenten die wel kunnen omgaan met de tucht van de markt.

Die angst wordt met name zichtbaar in de twee grootste telecommarkten binnen de Europese Unie, Duitsland en Frankrijk. De verkoop van een minderheidsbelang in Deutsche Telekom is ten lange leste vastgesteld voor de eerste helft van volgend jaar. Maar van harte gaat het niet. Bestuursvoorzitter dr. Ron Sommer beklaagde zich tijdens de beurs Telecom '95 in Genève nog over de hinderlijke concurrentie.

In Frankrijk lijkt de nabije toekomst nog meer angst in te boezemen. Voor France Télécom is nog steeds geen datum voor privatisering vastgesteld, en het bedrijf zelf is dit jaar al toe aan de derde bestuursvoorzitter die de moloch rijp moet maken voor de vrije markt. Nummer twee stapte ras op toen hij kort na binnenkomst ontdekte met handen en voeten gebonden te zijn aan het contrat social dat de verantwoordelijke minister met de vakbonden had afgesloten. De vereiste reorganisatie van de onderneming was daarmee een illusie geworden, oordeelde de vertrekkende bestuurder.

Wat Ben Verwaayen betreft is de commotie rondom privatisering en regelgeving in diverse Europese landen een achterhoedegevecht. Privatisering van nationale bedrijven acht hij voor daadwerkelijke concurrentie op een steeds internationaler markt minder relevant, en het debat over wetten en regels gaat slechts over detailkwesties.

Verwaayen: “De hele discussie draait nu om hoeveel kabels er straks je huis inlopen, en wie er de eigenaar van is. Daardoor krijg je concurrentie, denken ze. Maar dat is een versimpeling van de feiten. Het gaat niet om infrastructuur, het gaat om diensten. Daarin is het geld te verdienen.”

Volgens de directeur van PTT Telecom is er in feite allang sprake van concurrentie. “Wij behalen 60 procent van onze omzet en 70 procent van onze winst op de zakelijke markt, bij uitstek het terrein waar liberalisatie en concurrentie merkbaar zijn.” Hier komt PTT Telecom immers zijn buitenlandse branchegenoten tegen als concurrenten in bijvoorbeeld datatransport (computersignalen) en internationale verbindingen. “We merken het elke dag. Nu al kunnen zakelijke klanten kiezen uit 36 verschillende aanbiedingen voor de afwikkeling van hun telecommunicatie.”

Dat de discussie over vrijere regelgeving en toelating van mededingers de laatste tijd zoveel aandacht trekt, komt vooral doordat nu ook consumenten worden geconfronteerd met de vele mogelijkheden van nieuwe telecom-technologie. Doordat ze zich bijvoorbeeld zojuist toegang tot Internet hebben verworven, of doordat hun kabelbedrijf opeens betaal-tv aanbiedt. Of wellicht doordat ze ontdekt hebben dat mobiel telefoneren via de prille PTT-concurrent Libertel goedkoper is dan via de voormalig monopolist.

De 'politiek' heeft dat signaal opgepikt. En dus wordt in Nederland minister Jorritsma voortdurend gemaand haast te maken met een nieuwe Wet op de Telecommunicatievoorzieningen, zodat bijvoorbeeld kabelbedrijven straks in staat zijn ook spraaktelefonie aan te bieden. Meer aanbieders, zo luidt de standaardredenering, betekent betere dienstverlening en lagere prijzen.

Met geamuseerde ergernis bekijkt Verwaayen de Haagse worsteling. “De politiek voert haar discussie met de rug naar de toekomst”, oordeelt hij. “De vraag is helemaal niet wie de distributiekanalen bezit, maar wie er toegang toe hebben.”

Als dat waar is, lijken de pogingen van KPN om zijn positie in de infrastructuur te behouden en te versterken overbodige inspanning. Zo streeft KPN Kabel naar buitenlandse expansie in kabeltelevisie-netwerken en heeft het concern grote bezwaren tegen de door Jorritsma gewenste ontkoppeling van 76 procentsdochter Casema, 's lands grootste kabelbedrijf. Tegelijk bekijkt PTT Telecom binnen de Europese Unie de mogelijkheden tot participatie in de Belgische en Ierse nationale telefoonmaatschappijen. Waarom zou je geld steken in die netten en bedrijven, als alleen het verkrijgen van toegang tot die infrastructuur van belang is?

Verwaayen nuanceert: “Op korte termijn is het allemaal relevant. Op langere termijn zal je echter zien dat de druk van de markt zo groot is, dat het feitelijke bezit van tv- of telefoonkabels niet belangrijk meer is. Er zijn voldoende alternatieven: satellieten, mobiele-telefoonnetten, noem maar op.”

Bell Atlantic, een grote regionale telefoonmaatschappij in de VS, is niet voor niets onlangs gestopt met proeven om video via telefoonkabels te versturen. “Dat gaat straks via schotels - veel gemakkelijker.”

Verwaayen: “Het beeld ontstaat dat het bij concurrentie in telecommunicatie tussen tv-kabel en telefoon gaat. Dat is begrijpelijk, maar niet accuraat. De concurrentie speelt straks tussen degenen die weten hoe je waarde aan dat distributiekanaal kan toevoegen. Het distributiekanaal zelf kan je niet afsluiten. Daarvoor is de druk van klanten - zowel bedrijven als consumenten - en dienstenaanbieders te groot. Ze hebben allebei behoefte aan maximale toegang tot de telecommunicatie-infrastructuur. Dat houdt niemand tegen.”

Vooralsnog is het echter zo dat PTT Telecom, zou het bijvoorbeeld de Duitse of Franse burgerij spraaktelefonie tegen een concurrerend tarief willen bieden, op lokale wetgeving zou stranden. En spraaktelefonie is juist zo interessant voor iedereen die 'iets' in telecom wil doen. In de meeste landen maakt het al gauw driekwart van alle telecom-verkeer uit. “Ik mag inderdaad sommige dingen niet”, bagatelliseert Verwaayen. “Maar dit is een tijdelijk verschijnsel.”

De suggestie dat France Télécom maar al te blij is met die wettelijke bescherming, trekt Verwaayen in twijfel. “De Fransen hebben een goed oog voor de toekomst. Oké, de onderneming is niet mean and lean, maar dat wil niet zeggen dat ze niet klaar is voor concurrentie.”

France Télécom prepareert zich wel degelijk op mededinging, meent Verwaayen, zo goed als de Duitse of andere Europese zusterbedrijven. Dat blijkt niet alleen uit grensoverschrijdende allianties, activiteiten in nieuwe telecom-technieken en samenwerkingsverbanden met dienstenleveranciers. “Als je op een beurs als Telecom '95 rondloopt en ziet wat er allemaal voor klanten beschikbaar komt, dan kun je niet volhouden dat er niet wordt geliberaliseerd.”

Verwaayen constateert dat een verkeerd idee dreigt te ontstaan van het verschijnsel concurrentie in telecommunicatie. “Veel mensen denken dat je concurrentie krijgt als je een kabelnet naast een telefoonnet legt, als je van één monopolie twee monopolies maakt. Daar gaat het dus niet om. Als PTT Telecom worden wij ook verplicht anderen infrastructuur te leveren. Wat je vervolgens zult zien is marktgedrag, vraag en aanbod, prijsdifferentiatie. Zeker, de grootste aanbieder van infrastructuur in een land zal universele leveringsplicht houden, de verplichting iedereen van bepaalde basisdiensten te voorzien, maar verder verandert de markt volledig. Om de dikste verkeersstromen zul je de meeste concurrentie krijgen en vormen zich de scherpste prijzen.”

Als netwerkbeheerder vindt PTT Telecom dat allemaal prachtig: “Het enige dat telt is volume, en concurrentie bevordert dat.” Verder zal PTT Telecom zich, net als haar buitenlandse zusters, zoveel mogelijk beijveren om klanten te winnen voor toegevoegde-waardediensten, binnen èn buiten Nederland.

Waarbij de vraag blijft of dat vanaf 1998 in volledig vrije concurrentie mogelijk is. In de eerste plaats zullen nationale overheden toch de markt kunnen blijven sturen via verstrekking van licenties voor aanleg van infrastructuur. Daarnaast bundelen telecom-grootmachten hun krachten om straks sterk te staan op de open markt. Europees commissaris Van Miert onderzoekt op dit moment of Atlas, de joint venture van Deutsche Telekom en France Télécom, niet een te dominante rol krijgt op de Europese markt.

Verwaayen maalt er niet om. “Atlas gaat door, absoluut. En dan lìgt er straks een blok dat 35 procent van de markt beheerst. Daar gaan we dan toch eens lekker tegenaan leunen? Er is toch keuze? Met Unisource vormen wij zelf ook een machtsblok. En dan zijn er nog allerlei dienstenaanbieders voor niche-markten.”

De PTT-directeur onderkent dat nationale licenties overheden sturingsmogelijkheden bieden. “Of we in 1998 in alle vrijheid in Frankrijk of Duitsland actief kunnen zijn, hangt van dat licentiebeleid af. Misschien kunnen overheden het nog een paar jaar rekken. Dat is dan reden om 'boe' te roepen. Ik zeg ook niet dat we rustig kunnen gaan slapen. Maar tegelijk weet ik dat klanten zich niet meer laten intimideren, zoals tien jaar geleden nog het geval was. Als een telecom-bedrijf niet bij de les blijft, dan zijn er andere. Klanten weten wat er te koop is en ze weten de weg. Bescherming van operators door overheden valt dan ook niet te handhaven. In toenemende mate zullen telecommunicatie-faciliteiten bovendien nationale concurrentiefactoren worden. Ik heb de zekerheid dat er concurrentie komt. Punt uit.”

Kader:

Wat de liberalisering en privatisering van de telecommunicatiemarkt in lidstaten van de Europese Unie betreft, kent Europa vijftien snelheden. Groot-Brittannië, waar toezichthouder Oftel inmiddels zo'n 150 vergunningen heeft verleend voor allerlei vormen van telecommunicatie, is het verst gevorderd. De overheid behoudt nog slechts een prioriteitsaandeel in het voormalige staatsbedrijf British Telecom. De markten voor randapparatuur, datatransmissie, mobiele telefonie en spraaktelefonie zijn vrij, zij het dat het aantal vergunningen voor aanleg van telefoonnetten over lange afstand beperkt is.

Ook in Zweden is volop concurrentie op alle terreinen van telecommunicatie. Alleen lokale spraaktelefonie is exclusief terrein van Telia gebleven, dat overigens nog steeds voor 100 procent in handen is van de staat. Finland kent eveneens als grootste marktpartij een 100 procents staatsbedrijf, Telecom Finland, maar staat op alle relevante gebieden van telecommunicatie mededinging toe.

De verkoop van randapparatuur is, conform eerdere richtlijnen uit Brussel, in alle EU-lidstaten geliberaliseerd. Mobiele (GSM-) telefonie wordt in alle landen door meer partijen aangeboden, of er wordt gewerkt aan de verstrekking van een licentie aan een mededinger. België en Oostenrijk krijgen bijvoorbeeld volgend jaar een tweede GSM-aanbieder.

De privatisering van het staatstelecom-bedrijf is eigenlijk alleen in Groot-Brittannië volledig afgerond. Nederland vervult op dit terrein, zodra de staat deze maand haar belang van 70 procent in KPN (houdster van PTT Telecom) heeft teruggebracht tot een minderheid, in zeker opzicht een voortrekkersrol. Telefónica in Spanje is formeel voor een krappe 20 procent in overheidshanden, maar het bedrijf staat via aandeelhoudende banken en door regelgeving feitelijk onder controle van de overheid.

Teledanmark uit Denemarken is voor 51 procent in overheidshanden, concrete plannen voor verdere vervreemding van het staatsbelang ontbreken. De Belgische regering bereidt verkoop van een belang van maximaal 49,9 procent in Belgacom voor. Portugal Telecom is voor 72,7 procent in staatshanden. De Duitse regering is van plan een eerste tranche aandelen in Deutsche Telekom, circa 15 procent, in de eerste helft van 1996 te verkopen. Ook de Franse, Griekse, Ierse, Italiaanse, Luxemburgse en Oostenrijkse telefoonmaatschappijen zijn volledig staatseigendom.

De Europese Unie verlangt van alle lidstaten dat ze per 1 januari 1998 hun binnenlandse markten voor telecommunicatie geheel openstellen voor concurrentie, zodat ook op de twee minst vrije gebieden - infrastructuur en niet-mobiele spraaktelefonie - andere partijen actief kunnen worden. Tijdelijke uitstel is verleend aan Ierland, Portugal en Griekenland. Luxemburg kreeg ook meer tijd, maar heeft besloten daarvan geen gebruik te maken.