'Volksverheffing' vereist geen investeringen in hoger onderwijs meer; Drs. Eigenbelang betaalt zijn titel zelf maar

De onderwijsbezuinigingen die het kabinet-Kok wil doorvoeren, treffen vooral de hogescholen en universiteiten. Het basis- en voortgezet onderwijs wordt ontzien. Want alleen daar worden volgens economisch denkende sociaal-democraten nog gelijke kansen voor iedereen geschapen. Het hoger onderwijs zou slechts het eigen inkomen van een kleine groep verhogen. Traditionele PvdA-ers vinden dat de eigen partij 'asociaal' wordt.

De traditie staat in een hoek en is van brons. Een borstbeeld van Pieter Jelles Troelstra (1860-1930), stichter van de Nederlandse sociaaldemocratie, kijkt in het PvdA-hoofdkantoor in Amsterdam uit over de vergadertafels en de asbakken. 'Verheffing van het volk', heette het in Troelstra's tijd. Tjeerd van Dekken (28), grijnst als het oude SDAP-begrip ter sprake komt. Hij is voorzitter van de Jonge Socialisten, de jongerenorganisatie van de PvdA. “Wat is er ouderwets aan zo'n cultureel argument?” Als het huidige onderwijsbeleid wordt voortgezet, vreest Van Dekken, zal het hoger onderwijs niet voor iedereen toegankelijk blijven.

Van Dekken: “Er ontstaan voor de lagere inkomensgroepen steeds meer psychologische barrières om te gaan studeren, door de grotere nadruk op studieleningen, door het verbod verschillende studies na elkaar te volgen en door de strengere selectie op voldoende resultaat. Het volgen van hoger onderwijs wordt bijna onmogelijk gemaakt voor studenten die omwegen maken, of moeite met de studie hebben. Geen wonder dat de PvdA zo impopulair is.”

Nog geen negen procent van de kinderen wier ouders een opleiding op mavo-niveau hebben, gaat studeren. Van kinderen met ouders die op hbo-niveau zijn opgeleid, gaat bijna een kwart naar de universiteit, en van kinderen uit academische milieus zelfs tegen de veertig procent. Dit blijkt uit vorig jaar gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek. Van alle basisschoolleerlingen bereikt ongeveer 10 procent de universiteit. Maar onder de kinderen wier ouders alleen lagere school hebben, is dat slechts 3,3 procent. En een liefst een kwart van alle basisschoolleerlingen heeft ouders die slechts de lagere school hebben doorlopen. Bij bijna een derde is de opleiding thuis lager-beroepsonderwijs of mavo, en slechts veertien procent van de kinderen heeft ouders met een hbo- of academische opleiding.

Een meerderheid binnen de PvdA is van mening dat zulke cijfers vragen om een grotere inspanning ter bevordering van gelijke kansen in het onderwijs. Maar de vraag is, voor welke vorm van onderwijs wordt gekozen. Voor het basisonderwijs, ter vergroting van de kans op doorstroming van de laagste groepen? Of juist óók voor het hoger onderwijs?

Het kabinet-Kok koos voor het basisonderwijs. Er wordt achttien miljard gulden bezuinigd, maar het basis- en voortgezet onderwijs blijft geheel buiten schot, zo is in het regeerakkoord vastgelegd. Tijdens de afgelopen financiële beschouwingen in de Tweede Kamer probeerden bovendien zowel PvdA, D66 als de VVD manieren te vinden om bij het kabinet 100 miljoen gulden extra los te krijgen voor het basisonderwijs. Studenten, universiteiten en hogescholen moeten daarentegen ongeveer anderhalf miljard gulden inleveren, de zoveelste bezuiniging in een lange reeks. Collegegelden gaan omhoog, beurzen omlaag en de duur van opleidingen moeten korter worden.

Idealen

Bij de studiefinanciering bezuinigde Ritzen in zijn vorige periode 1,7 miljard, en in de huidige kabinetsperiode voegt hij er nog eens een miljard aan toe. Het totale budget voor de studiefinanciering in het hoger onderwijs loopt onder het bewind van Ritzen terug van 3,5 miljard gulden in 1989 tot 0,8 miljard in 1998. Het aantal jaren dat een student recht heeft op een beurs, wordt binnenkort teruggebracht tot vier jaar (dat was in 1989 nog zes jaar). En het maandelijkse beursbedrag zelf is verlaagd van ruim 600 gulden in 1989 tot 425 gulden nu, een verlaging die overigens wordt gecompenseerd in de inkomensafhankelijke aanvullende beurs. Bij studenten die niet op tijd voldoende tentamens halen wordt de beurs omgezet in een rentedragende studielening.

In de PvdA heersen geen idealen meer, maar financiën, is een veelgehoorde beschuldiging na zes jaar regeringsmacht. “Sectoren als het hoger onderwijs zijn inmiddels leegbezuinigd, maar moeten desondanks opnieuw op grote schaal 'inleveren' ”, schreef onlangs Paul Kalma, directeur van de Wiardi Beckmanstichting, de denktank van de Partij van de Arbeid.

Ritzens verdediging is eenvoudig. Het basis- en voortgezet onderwijs wordt ontzien. Er wordt alleen minder geld gespendeerd aan het hoger onderwijs, en dat vindt Ritzen eigenlijk ook logisch.: Op een PvdA-bijeenkomst in Utrecht zei hij onlangs: “Het hoger onderwijs werkt denivellerend. Op de langere termijn betaalt 70 procent van de bevolking mee aan de hogere opleiding van de overige 30 procent - die daar zelf, in inkomen, het meest profijt van heeft.”

Effect

Ritzen staat niet alleen. “Geletterdheid en democratie worden veel beter bevorderd door investeringen in het basis- en voortgezet onderwijs”, verklaarde op dezelfde bijeenkomst ook R.J. in 't Veld, jarenlang topambtenaar en nog kortstondig PvdA-staatssecretaris voor het hoger onderwijs. “Het grootste effect van het hoger onderwijs is verhoging van het eigen inkomen” hield hij in Utrecht de aanwezige studenten voor, en niemand sprak hem tegen.

In de ideologische verwarring van de sociaal-democratie staan twee opvattingen over hoger onderwijs tegenover elkaar. 'Gelijke kansen' vormt het uitgangspunt van beide stromingen. Maar in de ene, economisch gemotiveerde zienswijze, is hoger onderwijs vooral in het eigen belang van de student en heeft de overheid er geen grote financiële taak. In de andere, 'traditionele' zienswijze speelt de overheid er nog wel degelijk een belangrijke financiële rol: in het belang van een zo breed mogelijke ontplooiing van de bevolking, en om te voorkomen dat wie het - door afkomst - met moeite tot hoger onderwijs heeft gebracht, afgeschrikt wordt door mogelijk hoge studieleningen. Exacte gegevens over 'leen-aversie' in laag opgeleide milieus zijn schaars. Maar niemand ontkent dat in deze kringen minder bereidheid bestaat in een hogere opleiding te investeren dan in milieus waar deze investeringen hun opbrengst al bewezen hebben.

Het economische standpunt wordt verwoord door onderwijseconoom Hessel Oosterbeek (36) in de meest recente aflevering van Socialisme en Democratie,het blad van de Wiardi Beckmanstichting. Zijn conclusie is dat 'er geen argumenten zijn die een omvangrijke subsidie aan de deelnemers aan hoger onderwijs rechtvaardigen'. Waarom zou een sociaal-democratische politicus aan iedere student een basisbeurs willen geven, ook aan kinderen van rijke ouders? Oosterbeek concludeert: “Elke gulden die nu onder het motto van gelijke kansen wordt besteed aan de aanvullende beurs in de studiefinanciering sorteert naar verwachting een veel groter effect bij inzet in het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs en waarschijnlijk ook het middelbaar beroepsonderwijs en het leerlingwezen.” De gemiddelde overheidsbijdrage aan een basisschoolleerling is nog geen 5.000 gulden per jaar, vermeldt hij nog maar even, om daaraan toe te voegen dat een student in het hoger onderwijs de overheid zeven- tot elfduizend gulden per jaar kost.

Oosterbeek pleit voor sterke verhoging van de collegegelden, zodat die bijna kostendekkend worden. Studenten zullen dan noodgedwongen kritischer èn gemotiveerder worden. Afhankelijk van de eigen bijdrage van de student zullen ook de hogescholen en universiteiten verder van de overheid komen af te staan en meer rekening gaan houden met de wensen van de student. Variatie in opleiding en betere aansluiting op de arbeidsmarkt ontstaat zo volgens Oosterbeek vanzelf. De overheid rest de taak de kwaliteit van het gebodene te bewaken. De huidige ingewikkelde studiefinanciering wordt omgezet in een zuiver leningenstelsel, met na afloop van de studie inkomensafhankelijke terugbetaling.

Verantwoordelijkheid

“Ik begrijp eigenlijk niet dat van die prioriteit voor funderend onderwijs zo'n probleem wordt gemaakt”, zegt Oosterbeek. “Ik heb zelf twee kinderen op de basisschool, en mijn zus is onderwijzeres. Dat is allemaal erg krap hoor! Iets meer financiële middelen per leerling zou daar een groot verschil kunnen maken.” Voor de sociaal-democratie beschouwt hij het hoger onderwijs als in feite ondergeschikt:“Het is moeilijk vast te stellen wat het voordeel voor anderen is wanneer iemand een hogere opleiding volgt. Maar die anderen betalen er nu wel voor. Over het gehele leven berekend is er sprake van een herverdeling van geld van gemiddelde belastingbetaler naar de hoger opgeleide. De algemene opvatting is dat de zogenoemde 'externe effecten' van basis- en voortgezet onderwijs véél groter zijn. Iedereen heeft er belang bij in een samenleving te wonen waar iedereen goed kan lezen en schrijven.”

Vaak is de 'kennis-intensieve samenleving' het argument om geld te steken in het hoger onderwijs. Door verhoging van het opleidingsniveau groeit de economie, en daar heeft iedereen belang bij, is de redenering. Oosterbeek ziet er weinig in. “Op die manier worden kennis en onderwijs te veel door elkaar gehaald. Kennis moet worden ontwikkeld, maar staat vervolgens ten dienste aan iedereen. Daarin moet dus wel worden geïnvesteerd. Op wetenschappelijk onderzoek wordt dan ook niet bezuinigd. Maar onderwijs verdwijnt in de mensen zelf, zou je kunnen zeggen. Daarbij is een veel groter voordeel voor de ontvanger. Onderwijs is natuurlijk wel nodig voor kennisoverdracht, maar van die overdracht op zich heeft vooral het individu voordelen.” Oosterbeek benadrukt de eigen verantwoordelijkheid van de studenten. Die kunnen zelf wel beoordelen of zij de kosten voor een hogere opleiding de moeite waard vinden, vindt hij. “In het basisonderwijs geldt die eigen verantwoordelijkheid veel minder. Als de ouders weinig belang hechten aan onderwijs of niet genoeg geld hebben voor goede scholen, mag het kind daarvan niet het slachtoffer worden. Natuurlijk groeien kinderen onder verschillende omstandigheden op, maar binnen de school moeten die omstandigheden gelijk zijn. 'Wat iedereen goed genoeg vindt voor zijn eigen kinderen', moet daarom de norm zijn voor het basisonderwijs.” Oosterbeek houdt een warm pleidooi voor de strijd die staatssecretaris Netelenbos nu voert tegen de officieel vrijwillige, maar in de praktijk meestal verplichte eigen bijdragen die basis- en middelbare scholen aan ouders vragen. “Daar wordt een beetje lacherig over gedaan. Maar als rijkere mensen gaan bijbetalen ontstaan al snel grote verschillen. Duizend gulden per jaar is al gelijk een klas die 20 procent kleiner is.”

Lekkend dak

Scherpe kritiek op de economische versie van de sociaal-democratie wordt verwoord door Olchert Brouwer (46) bestuurslid van de HBO-Raad en auteur van het rapport met de toekomstvisie van die raad. Hij is verder lid van de adviescommissie van het ministerie die het nieuwe programma voor de hoogste klassen van HAVO en VWO ontwerpt. Zijn PvdA-lidmaatschap heeft hij - na twintig jaar - opgezegd in 1992, vanwege het WAO-besluit. “Nu ben ik lid van D66. Dat is de tent waarin ik schuil, in de hoop dat het lekkende dak van de PvdA wordt gerepareerd. Maar ik voel me nog altijd sociaal-democraat”, zegt hij in zijn werkkamer. Aan de muur hangt de tekst van een gedicht van Vasalis: 'Ik trek mij terug en wacht. Dit is de tijd die niet verloren gaat.'

“Die gedachte dat studeren investeren is in jezelf is mij buitengewoon onsympathiek”, zegt Brouwer. “Mensen denken helemaal niet zo financieel-economisch. Anders zou toch iedereen tandarts worden? Er worden juist nog veel studies gekozen die weinig opleveren: de pedagogische academie, of een tweede-graads lerarenopleiding. Als je die salarissen ziet, schrik je erg. Het is een wonder dat er nog zoveel talent naar toegaat.” Brouwer vindt dat er toch al te veel wordt bezuinigd. “Want de economische theorie dat de enorme lastenverlichting leidt tot meer werk is helemaal niet onomstreden.” En met de verdeling van die bezuinigingen op Onderwijs is hij het evenmin eens. “De teneur is: hoe meer inspanning voor het lager onderwijs, hoe socialer het is. Maar ik vind het asociaal om het iemand die talent heeft voor de universiteit moeilijk te maken”, zegt Brouwer. “Wat heeft dat met gelijke kansen te maken? Het beknotten van hoogbegaafden is even goed een groot onrecht. Het is helemaal niet zo eenvoudig om met meer geld in het basisonderwijs de problemen op te lossen, er gaan al jaren vele honderden miljoenen extra naartoe, zonder veel resultaat.” Brouwer verwijst naar de resultaten van de commissie die in 1992 onder leiding van oud PvdA-minister Van Kemenade de effectiviteit van de zogenoemde 'achterstandsgelden' onderzocht. Die effectiviteit was gering, concludeerde de commissie-Van Kemenade, omdat het extra geld vooral in het verkleinen van de klassen wordt gestoken, en niet in gerichte hulp aan probleemkinderen. Sindsdien werkt Zoetermeer - met kleine stapjes - aan een beter subsidiesysteem. Brouwer: “Bovendien is een goede baan voor academici niet meer zo vanzelfsprekend als vroeger. Wat gebeurt er als er twee studieschulden met elkaar gaan trouwen? Die kunnen dus nooit een huis kopen.”

Anti-intellectualisme

Het primaat van het basis- en voortgezet onderwijs gaat verder terug dan het paarse kabinet. Op het hoogtepunt van de progressieve macht en het geloof in de socialistische vooruitgang, in 1977, legde de PvdA in het verkiezingsprogramma Voorwaarts vast: “Het funderend onderwijs (tot 16 jaar) geniet voorrang.” Het programma, dat een toen onvoorstelbare winst van tien Kamerzetels opleverde, kent een hoofdstukje met de titel: 'Iedereen naar de universiteit?': “Iedereen moet zijn talenten kunnen ontwikkelen, en achtergestelde milieus moeten doelbewust voorrang krijgen, maar het gaat om “meer dan alleen kennis, inzicht en vaardigheden (...) Onderwijs zal daardoor steeds minder een automatische ladder worden tot iets hogers.” Een commissie van de Wiardi Beckmanstichting, onder leiding van de latere staatssecretaris Job Cohen, gaf in 1990 een aantal verklaringen voor de geringe sociaal-democratische aandacht voor het hoger onderwijs. “Een zekere vorm van anti-intellectualisme in de jaren zeventig, weerzin tegen elites, gewenste verschuivingen (...) naar andere onderwijsvormen”.

En wat de studiefinanciering betreft: het verkiezingsprogramma van 1971 stelt een geleidelijke invoering voor van een systeem van volledige vergoeding van de kosten voor studie en levensonderhoud, van alle studerenden aan het hoger beroepsonderwijs en de universiteiten. Maar het voegt daar direct aan toe: “Afhankelijk van het eigen inkomen dat na de studie wordt verworven vindt algehele of gedeeltelijke terugbetaling plaats”, hetgeen dus neerkomt op volledig 'leenstelsel'.

Beide stromingen - de 'economische' en de 'sociaal-culturele' - zijn vertegenwoordigd in de Tweede-Kamerfractie van de PvdA. De econoom Rick van der Ploeg (39) is woordvoerder voor studiefinanciering: “Alle onderwijs is belangrijk. Maar welk onderwijs is een echt publiek goed? De keiharde lijn is dat het basisonderwijs de bottleneck is voor gelijke kansen. Als ze eenmaal op de HAVO zitten gaat het wel goed. Een bouwvakker heeft er niet zoveel belang bij dat iemand anders gaat studeren.” Wim van Gelder (48) - eveneens econoom - is woordvoerder voor het hoger onderwijs: “Studeren alleen maar zien als investeren in jezelf is een liberaal sjabloon. Bij sociaal-democratie gaat het ook om de culturele vorming als verrijking van de samenleving. Je moet niet alleen kijken naar hoeveel studenten later verdienen.”

Beide Kamerleden zouden overigens liever meer geld aan het hoger onderwijs geven. “Bij de formatie van vorig jaar was dat ook mijn inzet”, zegt Van der Ploeg, die ook de financiële specialist van de fractie is. “Maar ja, als je 18 miljard moet bezuinigen om de overheidsfinanciën op orde te brengen en werk te scheppen kun je onderwijs niet overslaan. En dan moet je kijken welke vorm van onderwijs een echt publiek goed is.” Van Gelder: “Het vertrekpunt is het probleem van de overheidsfinanciën. Dan ga je zoeken, je wilt de knelpunten ontzien, en zo kwamen we uit op bezuinigingen op het hoger onderwijs. Eerst was er het bedrag en toen pas de redenering.”

In het PvdA-hoofdkantoor aan de Witsenkade schudt Jonge Socialisten-voorzitter Van Dekken het hoofd. Hij heeft er 'begrip' voor dat de basisscholen worden ontzien. “Maar dat argument heeft de partij zich gewoon dankbaar in de schoot laten werpen onder druk van de bezuinigingen. Het is het ultieme argument geworden om niets ideologisch meer te zeggen over het hoger onderwijs. Alles draait nu om economische motieven. Als het lijk van de sociaal-democratie gaat ontbinden, wordt het geraamte zichtbaar.”

    • Hendrik Spiering