Velpon-expert belaagt instrumentmaker

Het aantal muziekinstrumentmakers is de afgelopen tien jaar explosief gestegen. Omzet en winst staan echter onder druk door toedoen van beunhazen en BTW. De bouwers zouden zich meer als ondernemer moeten gedragen, vindt het Hoofdbedrijfschap Ambachten.

VOORBURG, 14 OKT. Anton Wiegers bouwt al twintig jaar akoestische gitaren en historische tokkelinstrumenten. Een heel romantisch vak, vindt hij zelf. “Mijn atelier kijkt uit over vijf kilometer korenveld. Heel in de verte zie ik de files langsschuiven.” Kunst vindt hij een vies woord, maar hij is wel de hele dag bezig met 'mooie dingen'. Ervan leven is een tweede, bekent Wiegers. Zijn omzet bedraagt nog geen ton per jaar. “Het is dat mijn partner werkt, anders was het een stuk moeilijker om rond te komen.” De meeste van zijn collega's hebben nevenactiviteiten om hun inkomen aan te vullen, weet hij, variërend van piano's stemmen en reparaties tot het leasen van instrumenten. “Ik ken een orgelbouwer die avond aan avond met zijn continuo-orgel langs concertzalen reist om koren te begeleiden.”

Wiegers' economische situatie zou er florissanter uitzien als er minder concurrentie was van amateurs. De velpon-experts noemt hij ze liever. “Ik krijg regelmatig instrumenten ter reparatie waarbij ik eerst twee dagen bezig ben het werk van een 'beun' ongedaan te maken.”

Ander probleem is dat de markt verzadigd raakt. “Van Roodeschool tot Zierikzee heb ik orkesten voorzien van instrumenten, ik zal nieuwe markten moeten aanboren.” Om zijn inkomen veilig te stellen heeft Wiegers, tevens voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Muziekinstrumentenmakers, zich inmiddels ontwikkeld tot expert in barok-mandolines en exporteert hij naar België, Zwitserland en Duitsland.

Het aantal muziekinstrumentmakers is het afgelopen decennium explosief gestegen, van 320 in 1985 tot 688 nu, zo valt te lezen in het rapport Muziekinstrumentmakers in Nederland, dat volgende maand verschijnt, geschreven in opdracht van het Hoofdbedrijfschap Ambachten. Met name het aantal blokfluitbouwers is fors toegenomen. Oorzaken van de sterke groei zijn onder meer, volgens J.C. Wubben, auteur van het rapport, evenementen als het Festival Oude Muziek, de populariteit van orkesten als het Orkest van de 18de Eeuw en het Amsterdam Baroque Orchestra, de opkomst van niet-Westerse muziekinstrumenten, de revival van akoestische instrumenten, alsmede het feit dat iedereen zich vrij mag vestigen als muziekinstrumentbouwer.

Ondanks de groei is het beeld van de branche weinig rooskleurig. Een kwart van de bedrijven is niet winstgevend en met 95.000 gulden per jaar is de gemiddelde omzet per werknemer in deze zeer arbeidsintensieve sector aan de lage kant. Dit cijfer wordt bovendien zwaar vertekend door de omzetcijfers van enkele grote bedrijven: ruim 40 procent van de ondernemers heeft een omzet van minder dan 50.000 gulden per jaar. Dit is grotendeels te verklaren uit het feit dat de helft van de bouwers startend ondernemer is en dat veel ondernemers de bouw en reparatie van muziekinstrumenten 'erbij doen'.

De muziekinstrumentmakers zijn tamelijk eensgezind als het gaat om de bedreigingen voor het voortbestaan van hun bedrijf. De helft van de ondervraagde bouwers noemt concurrentie van niet-professionele bouwers en reparateurs een gevaar. “Muziekinstrumentbouwers halen ruim een kwart van hun inkomen uit onderhoud en reparatie en juist dat gebeurt vaak door amateurs”, stelt onderzoeker Wubben. “En slecht afgeleverd werk schaadt het imago van de branche.” Een kwaliteitskeurmerk, met daaraan verbonden verplichte verzekeringen en garantiebepalingen, zou duidelijk moeten maken wie er echt verstand heeft van instrumenten en wie niet, schrijft hij in het rapport. Wubben erkent dat ook een keurmerk niet kan voorkomen dat beunhazen de markt voor muziekinstrumentenbouwers blijven verstoren. “In deze branche is sprake van een sterk glijdende schaal tussen professionele beroepsbeoefenaars en amateurs.”

Ook het hoge BTW-tarief is de bouwers een doorn in het oog, zo blijkt uit rapport. Vallen muziekinstrumentbouwers in Duitsland in de categorie kunstenaars en daarmee in een laag tarief (7 procent), in Nederland dient het gewone tarief van 17,5 procent te worden betaald. Daardoor worden de marges in deze arbeidsintensieve sector laag. Wubben: “De branche zou in Brussel meer moeten lobbyen om in een lager BTW-tarief te komen. De Federatie van Nederlandse Schoenmakersbonden bijvoorbeeld is het na een jarenlange lobby gelukt om bij wijze van proef enkele jaren in het tarief van 6 procent te worden ingedeeld.” Probleem bij de muziekinstrumentenmakers is dat 80 procent eenmansbedrijf is en dat de branche nauwelijks georganiseerd is. Alleen de vioolbouwers, de orgelbouwers en de bouwers van akoestische instrumenten hebben hun eigen belangenverenigingen.

De muziekinstrumentbouwers dienen de schuld van de stagnerende omzet en de toenemende concurrentie van beunhazen ook bij zichzelf te zoeken, aldus het rapport. Wubben: “Ze moeten zich meer profileren. De doorsnee Nederlander kent deze branche niet. Instrumentbouwers hebben de neiging zich uit de beschaafde wereld terug te trekken in plaats van een winkeltje in een winkelcentrum te openen. Willen ze meer omzet halen, dan zullen ze zich meer als ondernemer moeten gedragen en het stoffige, geitewollen-sokken-imago overboord moeten zetten.”