Uitgaan in Rome

J.P. TONER: Leisure and Ancient Rome

H + 198 blz., geïll., Polity Press 1995, ƒ 112,20

Het keizerlijke Rome was een monsterstad. Er woonden 750.000 tot 1.000.000 mensen: vrije Romeinse burgers, slaven, vrijgelatenen en een massa immigranten. De satiricus Iu-venalis sneerde dat 'de Orontes (een rivier in Syrië) de Tiber instroomde', wat in onze tijd neerkomt op zoiets als 'de Suriname-rivier stroomt het IJ in'.

In werkelijkheid leefden al die sociale groepen redelijk harmonieus bijeen in Europa's grootste pre-industriële metropool. Dit was in belangrijke mate te danken aan het feit dat Rome kon parasiteren op de rijkdom van een immens Rijk.Braudel merkte naar aanleiding van latere pre-industriële metropolen in Europa al eens op dat 'anderen voor hun luxe' betaalden: voor Rome geldt hetzelfde. De keizer kanaliseerde heel wat belastinggeld naar Rome en de rijke elite van de stad besteedde er een aanzienlijk deel van de opbrengsten van hun uitgestrekte en over het hele Rijk verspreide landerijen; dat laatste gold trouwens evenzeer voor de keizer.

Het in Rome geïnvesteerde geld genereerde heel wat bedrijvigheid voor ambachtslieden en winkeliers. Belastingopbrengst werd ook gebruikt om 150- tot 200.000 Romeinse burgers van gratis koren te voorzien; de belasting werd daartoe in natura geheven in de produktieve graangebieden van het Rijk, met name Egypte en Afrika. De aanvoer en uitdeling van dit gratis koren zorgden voor tal van baantjes in de haven van Ostia en langs de oevers van de Tiber in Rome. Met de aan Iuvenalis ontleende kreet 'Brood en Spelen' worden die gratis uitdelingen niet alleen benoemd maar vaak ook veroordeeld: de 'rechtse' voorstelling van een lui, op de zak van anderen terend en onmatige hoeveelheden vrije tijd op liederlijke wijze doorbrengend 'plebs' circuleerde zowel in antieke elite-bronnen als bij latere historici. Deze voorstelling is een karikatuur: niet alleen leeft een mens bij brood alleen niet erg lang, maar bovendien kwam minstens de helft van de bevolking niet op de lijsten van de bedeelden voor.

Tijdelijke arbeid

Er moest dus gewerkt worden; door velen voor brood en het beleg, door sommigen voor alleen het laatste. En dan zwijgen we nog maar over de kosten voor kleding en huisvesting. Dit alles neemt niet weg dat er buiten de sfeer van ambachtslieden en neringdoenden veel tijdelijke arbeid was, vooral in de bouw en in de havens. Toner spreekt dan ook terecht van een fors aantal 'underemployed people' in het keizerlijke Rome, dat over veel vrije tijd beschikte; maar ook de van min of meer permanente arbeid voorziene gewone Romein kon of moest - door gebrek aan klanten - over vrije tijd beschikken, al zal hij die eerder benut hebben om uit te rusten van de vermoeidheid dan in het kader van een eigensoortige vrije-tijdsideologie.

Toner heeft het op twee soorten geleerden niet begrepen. Allereerst houdt hij opruiming onder de sociologen met de brede armzwaai ('macro-sociologen') die beweren dat 'vrije tijd' een typisch produkt is van de moderne (post)-industriële maatschappij. In de vóór-industriële Europese geschiedenis, die vaak op die ene grote hoop van de niet-moderne, traditionele maatschappij gegooid wordt, zou de vrije tijd vooral besteed zijn in het kader van door de gemeenschap georganiseerde riten en feesten en voor het overige was het werken geblazen (of werkloosheid), van 's ochtends tot 's avonds, met te weinig tijd om wat anders te doen dan bij te komen voor de volgende dag en te weinig geld om een echte vrije-tijdscultuur gestalte te geven.

Daar tegenover stelt Toner, niet ten onrechte, dat althans het Romeinse plebs bewust kon kiezen, met een gevoel van vrijheid en met plezier, voor vormen van vrije-tijdsbesteding als het bezoeken van gladiatoren-shows (inclusief wilde-dierenshows) en wagenrennen, van kroegen en snackbars, bordelen en baden. Dat kiezen, die vrijheid en dat plezier vormen een 'serie universele menselijke gevoelens', die in iedere menselijke beschaving zich uitdrukken in een aantal specifieke symbolen; niet dat deze taal uw recensent dierbaar is, maar het is toevallig wel het jargon van goeroe Clifford Geertz en daar loopt Toner bepaald warm voor.

Hij heeft natuurlijk gelijk met zijn stelling dat het volk van Rome vrije tijd had - noodgedwongen of uit eigen vrije wil - en dat het die niet steeds besteedde in voorgebakken kaders van gemeenschapsfeesten en riten. Maar hij lijkt toch te weinig oog te hebben voor de zeer beperkte keuzevrijheid die een benarde economische situatie met zich meebracht, en voor het geringe aantal opties waarover een doorsnee Romein kon beschikken. Het komt er eigenlijk op neer dat je met Geertziaans enthousiasme wel van universele menselijke gevoelens kan spreken, maar tegelijkertijd duidelijk dient in te zien, dat de wijze waarop ze in gedrag worden omgezet per cultuur zo drastisch kan verschillen, dat je je in gemoede afvraagt hoe universeel die gevoelens in concreto nu eigenlijk zijn.

Anders gezegd: het Romeinse plebs had 'leisure', maar het was een heel andere, veel beperktere en veel minder door keuze uit een breed scala van opties te realiseren 'vrije tijd'; bovendien blijft het macro-sociologische argument van de inbedding in door de gemeenschap georganiseerde feesten van kracht. Resteert dan een oninteressante veldslag over woorden: als men de 'leisure' van de Romeinse gewone man heel anders beoordeelt dan die van de twintigste-eeuwse Westerse staatsburger, kan men voor eerstgenoemde net zo goed het woord schrappen en 'otium' vertalen met 'niets doen' in plaats van met vrije tijd.

Ajax

De tweede groep geleerden, tegen welke Toner polemiseert, pleegt te betogen dat de vrije-tijdscultuur van de Romeinse plebejer een decadent en immoreel verschijnsel was. Hier spreekt men de vele Romeinse schrijvers na die het vitriool van hun minachting uitgoten over gedrag en mentaliteit van het Romeinse plebs. Net zoals Ajax jaren geleden, dat wil zeggen in de tijd van Van Praag sr., zou ook het plebs teloor gegaan zijn door drank en vrouwen, gelardeerd met niet aflatend gepalaver over en gokken op de wagenraces in het circus, het bezoeken van kroegen, bordelen, gladiatoren-shows en boertige theatervoorstellingen.

Toner interpreteert dit alles als geklaag van een reactionaire groep elitaire diehards die de aansluiting bij de nieuwe keizerlijke maatschappij gemist had. In werkelijkheid - zo betoogt hij - zijn wij getuige van een keizerlijke vrije-tijdspolitiek.

De keizer was zich bewust van de massificatie en urbanisatie in Rome, van de toenemende rijkdom en luxe en van het wegvallen van de republikeinse volksvergadering, waarin het volk zich kon uiten in een politiek-institutionele context. Hij bood een pakket vrije-tijdsbesteding aan waarin een aantal normen en waarden, die tezamen de nieuwe volkscultuur vormden, centraal stond. Bij de gladiatoren-shows stonden masculiniteit, eer en prestige voorop: een echte machocultuur die de macho-wereld van de militaristische republiek afloste.

Toner gaat zelfs zover het plebs niet als een 'bloeddorstige massa' te beschouwen doch als 'the most urbane sophisticates in the world' die naar professioneel vakwerk kwamen kijken. In de baden heerste de ideologie van de schoonheid van het lichaam en van de gelijkheid; men genoot er van de rijkdom van het Rijk; in de kroegen, snackbars en taveernes ging het om luchtig vertier, vriendschappen en, te midden van talloze gokspelletjes en weddenschappen afgesloten op de wagenrennen, om een flirt met vrouwe Fortuna; en in diezelfde kroegen en in de bordelen heerste de 'leisure sex', niet georiënteerd op voortplanting doch op plezier en genot.

Toner gelooft niet alleen in 'new leisure-based pleb politics', maar is ook nog van mening dat de door die politiek tot leven gebrachte volkscultuur in feite een popularisering van de elite-cultuur was: “de elite-cultuur werd voor een deel gepopulariseerd, de cultuur van het plebs was onderhevig aan 'gentrificering'.”

Het is correct het Romeinse plebs een eigen volkscultuur toe te schrijven, mogelijk gemaakt door de relatief grote welvaart die in Rome dank zij uitbuiting van het Rijk voorhanden was. De keizer had echter bepaald niet in alles de hand. Hij wilde voor alles zijn volkje aan het werk houden. Van keizer Vespasianus wordt gezegd dat hij een arbeidsbesparende uitvinding in de bouw afhield omdat hij werk wilde verschaffen.

De keizer is inderdaad de grote leverancier van gladiatoren-shows en badhuizen, maar er is door andere geleerden genoegzaam op gewezen dat er in een heel jaar slechts op twintig dagen gladiatoren te bewonderen waren; in de eerste twee eeuwen waren er welgeteld vier keizerlijke thermen en tientallen privébadhuizen die geëxploiteerd werden door privé-personen met winstoogmerk. Het klinkt diepzinnig, maar het lijkt mij niet waarschijnlijk dat op die manier de keizer echte cultuurpolitiek bedreef en volkscultuur wilde creëren met eigen waarden en normen. Dat gladiatoren-shows naast puur vermaak ook nog een macho-ideaal moesten bieden wil er bij mij nog wel in, maar dat het bij de baden om meer dan hygiëne en gezellig vertier ging, lijkt al met al ver gezocht. Bovendien, als de keizers werkelijk een 'natte' cultuurpolitiek hadden willen voeren, dan was een veel groter aantal publieke badhuizen wenselijk geweest. Met de circusrennen had de keizer al helemaal niets uit te staan; de stallen, paarden en jockeys waren privé-bezit van winstbeluste rijkaards, ongeveer op de manier waarop Amerikaanse richards een footballclub of ijshockey-team bezitten en uitbaten.

Dun bewijsmateriaal

Kroegen, snackbars en bordelen waren al evenmin object van keizerlijke investeringsdrang. Ik wil met Toner best aannemen dat het volk het in Rome op gezette tijden gezellig had en dat het allemaal niet zo decadent en liederlijk was als notoire droogstoppels als Seneca beweerden, maar dat de keizer dat allemaal bewust bevorderde en vorm gaf, gaat mij te ver. De gedachte van de fusie van volks- en elite-cultuur, met als gevolg een klimaat van persoonlijk plezier en van persoonlijke vrijheid op basis van de rijkdommen van het keizerrijk: het is ingenieus bedacht en het wordt werkelijk schitterend geformuleerd, maar het bewijsmateriaal is dun. In feite kan Toner op weinig meer wijzen dan op de deelname van elite-leden aan en de belangstelling voor gladiatoren-shows en wagenrennen en op het vrijere seksuele leven van bepaalde senatoren.

Ook sommige keizers vertoonden kenmerken van extravagant gedrag; maar of de overgrote meerderheid van Rome's senatoren, ridders en keizers permanent in de vrije-tijdsactiviteiten van het plebs participeerden en de 'new value-systems' van de volkscultuur omhelsden, lijkt mij op z'n zachtst gezegd zeer onzeker. En wat die 'nieuwe waarden' betreft: uit de duizenden grafinscripties van de gewone man blijkt niet veel meer dan een aanhankelijk familie-denken en een aanhaken bij de waarden van de traditionele elite.

Toner geeft mooie beschrijvingen van de plebeïsche geneugten des levens; zijn hoofdstuk over 'gambling' kan ten sterkste worden aanbevolen en zijn beschrijving van het Romeinse kroegleven smaakt naar meer, maar zijn theorievorming, alhoewel in uiterst beeldende en heldere termen verwoord en doorspekt met even geleerde als interessante verwijzingen naar geschriften van sociaal-psychologen, antropologen en historici van het Ancien Régime, lijkt soms met hem op de loop te gaan.

    • H.W. Pleket