Tussen baringsleed en lijkklachten

SUE BLUNDELL: Women in Ancient Greece

224 blz., geïll., British Museum Press 1995, ƒ 65,60

NANCY DEMAND: Birth, Death, and Motherhood in Classical Greece

276 blz., geïll., Johns Hopkins U.P. 1994, ƒ 95,05

GAIL HOLST-WARHAFT: Dangerous Voices. Women's Laments and Greek Literature

227 blz., Routledge 1995 (pb), ƒ 40,90

Sarah Pomeroy's Goddesses, Whores, Wives and Slaves veroorzaakte bij zijn verschijning in 1975 lichte opschudding in het kalme milieu van oudhistorici. Niet omdat het onderwerp schokkend was: vrouwen in de Oudheid was al heel lang een keurig thema. Het vormde, zoals Josine Blok het eens in een overzicht van de ontwikkelingen vóór 1975 omschreef (in het tijdschrift Lampas 17/1, 1984), bij voorkeur stof voor een lezing op zondagmiddag voor een algemeen publiek door bedaagde professoren die zich doordeweeks met serieuzere onderwerpen bezighielden.

Het was het oneerbiedige door elkaar harken van al het vrouwvolk, godinnen en hoeren incluis, dat afweek van de tot dan toe gangbare discussies over de status van de Atheense vrouw in de vijfde eeuw of de positie van de vrouw in Rome. Het thema vrouw was op zichzelf al frivool genoeg en diende verder ernstig behandeld te worden. Niet dat Pomeroy's baanbrekende boek weinig serieus genoemd zou moeten worden. Maar het vertoonde de eerste duidelijke sporen van de invloed van feministische geschiedschrijving. Twintig jaar later zijn er meer dan 80.000 exemplaren van verkocht en het is nog steeds onmisbaar voor wie naar een overzichtelijke gids zoekt om zich te oriënteren in het onderwerp.

Pomeroy's werk werd gevolgd door een stortvloed van artikelen en boeken over verschillende aspecten van het onderwerp. De schaarsheid van het bronnenmateriaal en de gevarieerde aard van die bronnen (zoals tragedie-teksten, afbeeldingen op vazen, reliëfs, juridische redevoeringen) maakten het nodig uitvoerig te discussiëren over de theoretische implicaties van analyse en interpretatie. De meest opmerkelijke trek in het onderzoek van de afgelopen twee decennia is het gebruik van antropologische theorievorming en etnografische gegevens (vaak afkomstig uit de Mediterrane wereld) om daarmee het cultuurgebonden eigentijdse perspectief te corrigeren. Ideeën over emancipatiebewegingen in het vijfde-eeuwse Athene en over quasi-Victoriaanse hoffelijkheid van Atheense mannen die leidde tot de afsluiting van vrouwen in het eigen huis komen in de recente literatuur vrijwel niet meer voor. De wijze waarop vrouwen hun leven inrichtten of geacht werden dat te doen, wordt vooral gezien als een cultureel en maatschappelijke bepaalde constructie.

Zo wordt het mogelijk vrouwengeschiedenis te integreren in het grotere geheel dat we doorgaans geschiedenis noemen, maar toch nog te vaak de geschiedenis is van de helft van de mensheid. Ooit, waarschijnlijk in de Griekse wereld, is het idee ontstaan dat het openbare leven interessanter en dus belangwekkender is dan het privé-domein. Dat heeft de blikrichting van historici lang gestuurd. Gelukkig is er de laatste decennia in het vak in het algemeen, dus niet alleen in de Oude Geschiedenis, aandacht voor deze sectoren van het verleden waar te nemen. Onderzoek naar het alledaagse leven biedt meer mogelijkheden de andere helft van het verleden te zien.

De tijd waarin vrouwen, als een laatste hoofdstuk, aan de 'echte' geschiedenis worden toegevoegd, is eigenlijk voorbij. Waarmee ik niet wil zeggen dat de tijd voor het beoefenen van vrouwengeschiedenis voorbij is. Wel dat vrouwen in de geschiedenis niet als toegevoegd aspect, maar als werkzame factor moeten worden bestudeerd. Hoe je het ook draait of keert, de activiteiten van vrouwen hebben in pre-industriële samenlevingen (en daarbuiten) voor een groot deel van de produktie gezorgd, nog afgezien van het vrouwelijk aandeel in procreatie en socialisatie van het nakroost. Het is daarom jammer dat Sue Blundell in Women in Ancient Greece zich ten doel stelt 'to add women on to men's history'. En dat is wat ze doet. De indeling van het boek wordt bepaald door de beschikbare bronnen met hoofdstukken als 'Women in the poems of Homer', 'Women as poets: Sappho', 'Women in stone' over archaïsche sculptuur, 'Women's bodies' over de gegevens in de Hippocratische geschriften, 'Women in drama' over vrouwen in tragedie en komedie. Een ordening van het materiaal voornamelijk op grond van de bewaard gebleven bronnen betekent dat de onderzoekster zich ook conformeert aan wat tijdgenoten van belang vonden en in welke context ze dat deden. Het staat een vernieuwende vraagstelling in de weg.

Verbrokkeling

In Blundells geval is het resultaat een nodeloze verbrokkeling en het wegschuiven naar tussenparagrafen van de interactie tussen historische ontwikkelingen en het leefpatroon van vrouwen. Het ontstaan van de democratie in het klassieke Athene wordt in enkele pagina's behandeld. Nu gaat het boek ook niet over politieke geschiedenis, maar recent onderzoek heeft wel aangetoond dat dat proces niet verliep zonder gevolgen voor de Atheense vrouwen. De Atheense democratie was een mannenclub. Competitie tussen families moest worden ingeperkt om de solidariteit van deze gemeenschap niet in gevaar te brengen. Bestaande eenheden, de oikoi of huishoudens, raakten ondergewaardeerd ten opzichte van het collectief van de mannelijke burgers. Daarmee werd ook het aandeel van vrouwen in bijvoorbeeld de economie, dat vooral binnenshuis tot stand kwam, gedevalueerd. Hoe de pogingen tot vormen van cohesie onder de burgers in de nieuwe bestuursvorm voor vrouwen uitwerkten, laat Blundell onaangeroerd. Politieke ontwikkelingen en het leven van vrouwen in klassiek Athene zijn aparte hoofdstukken.

De literatuurlijst achterin het boek geeft een betere weergave van het huidige onderzoek dan uit de tekst of de noten is te verkrijgen. Ondanks de behoefte aan een opvolger voor Pomeroy zou ik aarzelen het boek voor een inleidende cursus over vrouwen in de Griekse wereld te gebruiken. Het geeft een behoorlijk overzicht van het beschikbare bronnenmateriaal, maar doet aan de stand van zaken in het onderzoek minder recht dan van een publikatie uit 1995 zou mogen worden verwacht. Een gemiste kans, temeer daar de uitgave door de British Museum Press fraai is verzorgd, goed, hoewel weinig verrassend, geïllustreerd en bovendien ook voor studentenbeurzen redelijk betaalbaar.

Tot de meest ingrijpende ervaringen in een vrouwenleven behoort het baringsproces. Voor de Oudheid ontbreken uiteraard persoonlijke bevindingen van vrouwen. Toch is er genoeg interessant materiaal, in het bijzonder in de Hippocratische geschriften waarin gevallen van medische problemen rond de geboorte en ziektegevallen tijdens de zwangerschap worden besproken. Ook is er een serie grafreliëfs met als centrale figuur een barende vrouw.

Nancy Demands Birth, Death and Motherhood in Classical Greece bespreekt dit materiaal en plaatst het in een historische context. Ze neemt stelling tegen het onder anderen door Nicole Loraux uitvoerig verdedigde idee dat in Griekse optiek de dood van jonge vrouwen tijdens de partus gelijk stond aan de heroïsche dood van jonge mannen in de strijd. Vooral haar analyse van de grafreliëfs brengt haar tot de conclusie dat vrouwen gezien werden als vooral passief en meelijwekkend, terwijl de activiteit van strijdende jonge mannen inspireerde tot bewondering en de behoefte tot navolging.

De geringe waardering van de polis-gemeenschap voor de vrouwelijke inbreng in geboorte- en opvoedingsprocessen blijkt ook duidelijk uit wat, door andere onderzoekers, is genoemd een 'tweede geboorte' als 'echte mannen' in de heteroseksuele relaties die in Athene het volwaardig burgerschap inluidden. “Vrouwen werden alleen geacht in staat te zijn tot het baren van andere vrouwen of van incomplete mannen die door een wedergeboorte-proces tot volwaardige mannen moesten worden gemaakt”, is Demands conclusie.

De invloed van de polis strekte zich ook verder uit. In de artsen-tractaten zijn nog hier en daar sporen te vinden van behandelingen voortkomend uit een mondelinge traditie van vrouwelijke expertise. Opneming van deze vrouwen-kennis in het Hippocratische corpus betekende een medicalisering, het tot stand komen van een gynaiko-logie, een leer van vrouwenziekten, en daarmee overname door mannelijke artsen van de controle over de reproduktieve functies van vrouwen en de vrouwelijke kennis op dat gebied.

De situatie in het vijfde-eeuwse Athene is volgens Demand niet veel anders dan het door Foucault beschreven model voor het vroeg moderne Frankrijk. Een wetenschappelijke discipline is een middel tot controle en macht. Vrouwen slaagden er nog enigszins in zich aan die controle te onttrekken door hun toevlucht te nemen tot goden, godinnen en tempels, domeinen waar beroepsdokters geen problemen in zagen. Ook is er een variëteit aan marginale genezers bekend, vaak beoefenaren van magische praktijken. Hiertegen protesteerde het artsendom wel luide. Er zijn aanwijzingen dat zich onder deze genezers vaak vrouwen bevonden. Een van Demands hoofdstukken is getiteld: 'The Attitudes of the Polis to Childbirth: Putting Women into the Grid'. Het gebruik van concepten ontleend aan de medische antropologie maakt het mogelijk de effecten van het staatsvormingsproces op afzonderlijke levens van vrouwen in kaart te brengen. Daarmee krijgt ook dat gehele door mannen gedragen politieke proces er een dimensie bij.

Demands studie is ook voor niet in de klassieke literatuur of de geschiedenis van de antieke geneeskunde geïnteresseerde lezers goed toegankelijk. Een inleidend hoofdstuk geeft een bespreking van het bronnenmateriaal, uitvoerige citaten maken het ook voor wie niet een klassieke bibliotheek bij de hand heeft, mogelijk het betoog goed te volgen. Een appendix geeft een overzicht van de ziektegevallen in de Hippocratische geschriften waarin zwangerschap een rol speelt. Overzichtelijke indices en een lijst van Griekse medische begrippen verhogen de gebruikswaarde.

Een antropologische oriëntatie is overigens geen automatische garantie voor bruikbare resultaten. Het is aanlokkelijk om bij voorkeur resultaten te gebruiken van etnografisch onderzoek in de moderne Griekse of de overige Mediterrane wereld. Iedere bezoeker van die streken zal af en toe het gevoel hebben gekend dat de tijd was blijven stilstaan, dat zeker in afgelegen gebieden traditie sterker was dan de gebeurlijkheden van de geschiedenis.

De verleiding is groot moderne observaties rechtstreeks te projecteren op antieke gegevens en die daarmee aan te vullen. Maar hebben bijvoorbeeld door vrouwen gezongen klaagzangen van het eigentijdse Mani inderdaad een vergelijkbare functie met de rouwklachten van Atheense vrouwen in de zesde eeuw voor Christus? In de studie van Griekse antieke en moderne klaagzangen van Gail Holst-Warhaft wordt aan die wezenlijke vraag voorbijgegaan. In haar titel Dangerous Voices. Women's Laments in Greek Literature geeft ze aan dat de klaagzangen van vrouwen als gevaar of zelfs als bedreiging voor de samenleving worden ervaren. Dodenklachten zijn in veel culturen de taak van vrouwen, zo in de oude Griekse wereld als in het moderne Griekenland. Waarom vooral vrouwen vaak een dominante rol spelen in rituelen rond de dood is een interessante vraag. Sterfte van jonge kinderen die dan 'natuurlijkerwijze' door hun moeders zouden worden beweend als oorsprong, waaruit de vrouwelijke klaagzang zich verder zou hebben ontwikkeld, is een te simpele benadering.

Holst-Warhaft gaat daar overigens nauwelijks op door, maar ziet het gevaar van de vrouwelijke klaagzang vooral in de maatschappelijke effecten. Voor het oude Griekenland is haar belangrijkste gegeven een regeling van de Atheense wetgever Solon waarbij aan het verschijnen van vrouwen in het openbaar, bij rouwplechtigheden en religieuze festiviteiten en aan wanordelijk gedrag bij deze gelegenheden paal en perk werd gesteld. We kennen alleen de maatregel, van de aanleiding en de gedragingen van vrouwen in deze periode weten we niets. Het 'traditionele' karakter van de archaïsch Griekse samenleving en van die van geïsoleerd liggende moderne Griekse dorpen in Mani is echter voor de auteur voldoende reden te concluderen dat Solons inperking van rouwbeklag door vrouwen een poging was het gevaarlijke oproepen tot familiewraak in te dammen.

Bloedwraak

De dorpen van het huidige Mani worden gekarakteriseerd door een vendetta-cultuur waarin rouwklachten door vrouwen vaak aansporingen bevatten tot wraak voor de dood van bloedverwanten. Holst-Warhaft geeft er een aantal prachtige voorbeelden van. De inhoud van rouwklachten ten tijde van Solon is daarentegen geheel onbekend. Van de maatregel zelf weten we alleen dat het verbod is overgeleverd in een context waarin ook andere vormen van luxe-vertoon, inclusief het huren van klagers bij begrafenissen, worden verboden. Competitieve demonstraties van rijkdom en rivaliteit tussen aanzienlijke families zijn echter iets geheel anders dan bloedwraak of het oproepen daartoe.

Holst-Warhaft doceert Klassieken en Vergelijkende Literatuurwetenschap te Cornell. De klaagzangen worden voornamelijk in een historisch kader benaderd en onderzocht op maatschappelijke functie. Dat vereist grondige kennis van de desbetreffende periode. Daar schort het in het boek aan. Nergens blijkt dat de auteur vertrouwd is met het bronnenmateriaal zelf en ook de kennis van de relevante literatuur laat te wensen over. De bijeengebrachte collectie klaagzangen (waarvan de moderne veelal volledig in het Nieuwgrieks èn in vertaling zijn opgenomen) vormt boeiende en vaak aangrijpende lectuur. Wie echter uit is op inzicht in het onderwerp vrouwen in de Oudheid wordt hier weinig wijzer van.

    • Antieke Cultuur aan de Universiteit van Utrecht
    • Heleen Sancisi-Weerdenburg