Tijs Goldschmidt over de ontwrichting van een ecosysteem; Een woestijn met hier en daar een hamburgertent

De evolutie-bioloog Tijs Goldschmidt verbleef vijf jaar in Tanzania om een in het Victoriameer levende vissoort te bestuderen. Onverwacht stierven de furu, zoals de visjes heten, met ongekende snelheid uit. Goldschmidt schreef een ooggetuigeverslag waarin hij feiten met fictie combineerde. 'Darwins hofvijver' kreeg de NWO-wetenschapsprijs, en is ook genomineerd voor de AKO Literatuurprijs.

“In Laetoli in Tanzania zijn voetafdrukken bewaard gebleven van een volwassen exemplaar van homo habilis, een mensachtige voorouder. In die voetstappen in vulkanische as staan de voetafdrukjes van een kind - jammer voor paleontologen, want daardoor kunnen ze niet precies nagaan hoe rechtop die mensachtigen al liepen. Een kind verpestte, door spelend in de voetafdrukken van zijn vader te gaan staan, 1,6 miljoen jaar later een wetenschappelijk onderzoek. Een vriendin aan wie ik dit vertelde, zei: 'Daar kun je geen poëzie van maken, dat is het al.' Die opmerking had gevolgen voor de vorm van Darwins hofvijver. Ik wilde de gebeurtenissen in het Victoriameer zo zakelijk mogelijk opschrijven. Wat ik heb meegemaakt is zo bijzonder - dat is een ready-made, die ik niet wilde stileren.”

Tijs Goldschmidt (42) besloot tot een feitelijke weergave van de resultaten van een langdurig onderzoek naar de evolutie van de furu, een soortrijke, in veel variaties voorkomende groep baarsachtige visjes in het Victoriameer. In Darwins hofvijver zijn schema's, een verklarende woordenlijst en 165 literatuurverwijzingen opgenomen. De wetenschappelijke passages wisselde hij af met fictieve, die symbolisch zijn voor de gebeurtenissen tijdens zijn vijfjarig verblijf in Tanzania. Het boek is een spannend ooggetuigenverslag: een leger uitgezette nijlbaarzen verslindt in een razend tempo honderden soorten furu en ontwricht het maagdelijke ecosysteem. De gewervelde dieren sterven massaal uit op een schaal die in 'historische tijden' niet eerder “is gezien, gevoeld en geregistreerd”, schrijft Goldschmidt. Ook voor het dagelijks leven van de mensen rondom het meer zijn de gevolgen ingrijpend. Ingeslapen dorpen van landbouwers veranderen razendsnel in kleine steden die bestaan van de visserij op nijlbaars.

“Zelf ken ik geen voorbeelden, ook niet in de Angelsaksische literatuur, waarin vermenging van genres zo extreem is doorgezet. Ik heb tijdens het schrijven vaak gedacht: dit kàn helemaal niet, het is niet voor niks dat er geen voorbeelden zijn.” Het boek werd bij de lancering in het najaar van 1994 op kranteredacties heen en weer geschoven tussen wetenschaps-, non-fictie en literatuurafdelingen, waardoor de kwaliteit ervan pas laat werd opgemerkt. De hybride vorm van Darwins hofvijver had ook voordelen: het boek werd onderscheiden met de jaarlijkse wetenschapsprijs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)èn met vijf andere boeken genomineerd voor de AKO Literatuurprijs. Met de tienduizend gulden van NWO heeft Goldschmidt inmiddels een Engelse vertaling van zijn boek bekostigd, opdat de Afrikanen met wie hij samenleefde het boek ook kunnen lezen.

Hij werkt dagelijks in een strak ritme, op een zolderkamer boven een antiquariaat in het centrum van Amsterdam. Een zonovergoten terras biedt uitzicht over de Oudemanhuispoort en het voormalige Binnengasthuis. Goldschmidt heeft na tal van korte en langere betrekkingen bij de Universiteit van Leiden besloten zich volledig aan het schrijven te wijden. “Ik wilde iets persoonlijks maken. Ik kon me, na mijn terugkeer uit Afrika, op het zoölogisch laboratorium, niet aan het wetenschappelijke ritueel conformeren. Ik heb er grote moeite mee om me als radertje in een systeem te voegen. Heb sterk de neiging om me terug te trekken. Ik voel me heerlijk op deze schrijfkamer.”

Een aantal van zijn collega's in Leiden vond het onbegrijpelijk dat hij er zomaar mee ophield, want hij had nu, weliswaar tijdelijk, op het voorname natuurwetenschappelijke Max Planck Instituut in Tübingen kunnen zitten. Goldschmidt: “Ons onderzoek in het Victoriameer werd nogal bekend, het stond ook in Time. We werden vaak gevraagd om lezingen te houden. Ik vond het na mijn afscheid van de universiteit moeilijk steeds minder te bestaan. Jarenlang was ik al blij met een brief van de Nierstichting met een verzoek om een bijdrage. Ik was soms bang dat ik teveel desintegreerde. Maar juist in zo'n isolement ontstaan vaak interessante dingen. Net als bij die visjes: nieuwe soorten ontwikkelen zich altijd in de marge. Al kan het mislopen, ik weet zeker dat ik het zo wil.”

Het onderzoek in de Mwanza-golf van het Victoriameer, dat Goldschmidt in Darwins hofvijver beschrijft, had een tweeledig doel: helpen bij het uitstippelen van een verantwoord visserijbeleid en daarnaast evolutionair en anatomisch onderzoek doen. Er zou met Nederlandse hulp een vismeelfabriek komen, en later een scheepswerf waar treilers zouden worden gebouwd. “De Leidse zooölogen waren geschokt over dat plan, vooral omdat ze zo weinig tijd kregen om te onderzoeken of die bevissing wel verantwoord was. Voor advies over de visserij op het Victoriameer, het grootste tropische meer ter wereld, heb je eigenlijk een team van tientallen biologen nodig, dat in staat wordt gesteld langdurig onderzoek te doen. Onze kritische kanttekeningen werden ons niet in dank afgenomen.”

Op de werf werd met Nederlandse ondersteuning een schip voor katoentransport over het meer gebouwd. Toen de Tanzaniaanse afnemer niet bleek te beschikken over voldoende geld, werd het schip gekocht door een Duitse ex-koloniaal en als pont geëxploiteerd. “Toen mijn mening daarover door een visitatiecommissie van Buitenlandse Zaken werd gevraagd, zei ik dat daar die ontwikkelingsgelden niet voor bedoeld waren. Met als gevolg dat ik door een groot deel van de blanke gemeenschap aldaar werd geëxcommuniceerd. Westerlingen houden elkaar in die landen de hand boven het hoofd, gaan kongsies aan en sommigen worden slapend rijk. Ik had allang binnen kunnen zijn. Door er, zoals veel technici en zakenlui doen, een Landrover naartoe te brengen. Dan zeg je tegen een Indiër dat die auto na drie jaar, als je tòch vertrekt, van hem is. Ondertussen betaalt hij je genoeg om van te leven. En je salaris wordt thuis op de bank overgemaakt. Sommige mensen hielden aan zo'n verblijf tonnen over.

“Voor een bepaald ontwikkelingsproject moesten ineens paarden worden aangekocht, want die tractoren gingen bij het cassave-transport altijd maar stuk. Er is nooit één cassaveknol door ze vervoerd. Die paarden kwamen terecht op een manege voor de Tanzaniaanse elite en blanke bezoekers. Het stelde me teleur dat sommige hulpverleners er in de eerste plaats zaten om er zelf beter van te worden. De houding van veel 'expatriates' in Oost-Afrika is sinds de Britse tijd niet zo gek veel veranderd. Kolonialen gingen er ook heen om het daar beter te maken. Gelukkig zijn er ook kleinschalige projecten, geleid door mensen die oprecht in hun werk geloven. Ik ben dan ook geen voorstander van rigoureus bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking.

“Veel Nederlanders hadden met Tanzanianen, afgezien van tuinboy en wasvrouw, nauwelijks contact. In de Nederlandse gemeenschap werden sommige zaken zonder enige flexibiliteit, naar de letter geregeld - om gek van te worden. Toen er in 1983 tijdens het economisch dieptepunt in Tanzania vrijwel niets meer te krijgen was, werden de laatste benzine, meel en suiker onderling verdeeld. De bedeling heette dat. Mijn vriendin was toen een half jaar over, maar die kreeg niets: 'Wat telt is of jullie getrouwd zijn, niet hoe vaak jullie met elkaar naar bed zijn geweest, anders kunnen we alle dienstmeisjes ook wel een portie geven.', zeiden de dames van de bedeling. Dat was echt Staphorst 1820.”

Het besef dat zich in het Victoriameer een ramp voltrok drong niet snel tot u door.

“Ik ben niet alert genoeg geweest. Ik was jarenlang gefixeerd geweest op vragen over de evolutie van dat uiterst ingewikkelde ecosysteem, waarvan de furu-gemeenschap deel uitmaakte. Was de structuur in die soortenzwerm ontstaan door concurrentie om voedsel en ruimte of door het toeval, een conglomeraat van niet te achterhalen oorzaken? Halverwege de jaren tachtig drong door dat voor onze ogen gewervelde dieren massaal uitstierven. Van het oorspronkelijk onderzoek kwam toen niet veel meer terecht.”

De simpele oorzaak van het uitsterven bleek te zijn dat in 1954 een man een emmer nijlbaars uit het Albertmeer in het Victoriameer had gekieperd.

“Ja, in Oeganda, het was een koloniale ambtenaar. Hij deed dat overigens met de beste bedoelingen. Hij realiseerde zich niet welke gevolgen het uitzetten van een roofvis aan het einde van de voedselketen zou hebben. De furu werden door vistechnologen als 'trash-fish' beschouwd. Het zijn gratige, weinig smakelijke visjes, die in Tanzania veel werden gegeten, maar impopulair waren in het welvarender Oeganda. Nijlbaarzen zijn groter en veel geschikter voor consumptie.”

Hoe kwam het dat het bijna twintig jaar duurde voordat de nijlbaars finaal toesloeg?

“Het duurt ongeveer zeven jaar voordat een nijlbaars geslachtsrijp is. Vervolgens moet hij in dat gigantische meer een partner vinden. Maar toen dat eenmaal geen probleem meer was, groeide de populatie razendsnel, want nijlbaarzen produceren onwaarschijnlijk grote hoeveelheden nageslacht. In '62 werden, de waarschuwingen van de bioloog G. Fryer ten spijt, nogmaals nijlbaarzen uitgezet. Het argument om dat te doen was onzinnig: ze zaten er tòch al in. Vanuit Oeganda en Kenia heeft de vis zich met de klok mee richting Tanzania verspreid.

“Eerst wist ik niet goed wat nu nog te onderzoeken. Ik vond het massaal verdwijnen van furu-soorten triest, maar merkwaardig genoeg niet interessant. Totdat we constateerden dat niet elke furu-soort evenveel kans had om uit te sterven. Die 'extinctiedynamiek' bleek juist erg interessant te zijn, en daar was tot mijn verbazing weinig over geschreven. Een van de meest verwaarloosde onderwerpen in de evolutie-biologie! Er zijn bibliotheken vol over het ontstaan van soorten, maar nauwelijks een boekenplank over het uitsterven ervan. Inmiddels is het onderzoek naar extinctie - helaas - een belangrijk vak geworden.”

In zijn boek citeert Tijs Goldschmidt de bioloog E.O. Wilson, die schat dat er 27 duizend soorten per jaar in het regenwoud uitsterven, ofwel 3 per uur. “Het deprimendste van het massale uitsterven van de furu-zwerm is natuurlijk”, schrijft Goldschmidt, “dat het een algemeen verschijnsel van deze tijd is.” Om vervolgens te concluderen: “Als het waar is dat voordat menselijke invloed een rol speelde, een soort een levensverwachting had van ongeveer een miljoen jaar, dan zou dat betekenen dat er op elke miljoen soorten ongeveer één per jaar verdwijnt. Wilson zegt hierover, dat door menselijke activiteit de kans op uitsterven van soorten in het regenwoud duizend tot tienduizend keer zo groot is geworden. Zijn conclusie is: 'Clearly we are in the midst of one of the great extinction spasms of geological history'.”

“In de geschiedenis zijn maar vijf perioden bekend”, zegt Goldschmidt, “waarin het grootste deel van de soorten op aarde is verdwenen. Wat mij zo treurig maakt, is dat het nu mensen zijn die dit massaal uitsterven veroorzaken. En zolang er mensen zijn, zie ik dat niet snel veranderen. 'Mensen hebben te veel hersens om instinctief juist te handelen', zei een vriend van me eens, 'maar te weinig om de juiste conclusies te trekken.' De mens is op. Maar misschien zullen er organismen over blijven als de mens eenmaal is opgekrast. En wie weet zullen er opnieuw soorten ontstaan met voldoende zelfbewustzijn en een gepaster houding ten opzichte van de levende en dode natuur.”

Op zeker moment moesten u en uw collega's beslissen welke soort wel en welke niet kunstmatig in leven zouden worden gehouden. Een haast goddelijke taak.

“Er waren ruim honderd furu-soorten, waaruit we moesten kiezen. Dat was inderdaad een vreemde verantwoordelijkheid: welke soorten laten we uitsterven en welke niet. Wat een vak! Uitverkoren dieren werden in plastic zakjes opgestuurd naar Amerika en Europa. Om een soort te kunnen conserveren met behoud van genetische variatie zijn enkele tientallen dieren vaak genoeg. Er zijn nu ongeveer 35 soorten over Amerika en Europa verspreid. Maar ik heb niet de illusie dat ze ooit weer in het Victoriameer worden teruggezet.

“Vroeger dachten biologen dat er duizenden jaren nodig waren voor het ontstaan van een nieuwe soort. Sinds enkele decennia weten we dat dat in een paar honderd jaar kan gebeuren - en soms zelfs sneller. Het zou spectaculair zijn als nu in het Victoriameer in snel tempo een secundaire soortenzwerm van furu zou ontstaan, die tegen nijlbaars bestand is. Maar ik geloof alleen in de uitkristallisatie van een nieuwe zwerm als het meer duizenden jaren met rust wordt gelaten.”

Wat is er eigenlijk zo erg aan het uitsterven van soorten?

“Ik vrees dat het voor de mens zelf fataal zal zijn. Het regenwoud bijvoorbeeld herbergt allerlei geneeskrachtige planten, die nu snel verdwijnen. Maar ik vind het vooral een ethische kwestie. Het stuit me tegen de borst dat de mens de wereld verandert in een verpauperde puinhoop. Het is natuurlijk waar dat 99,9 procent van de soorten die ooit op aarde hebben bestaan, weer zijn uitgestorven. Maar nu verdwijnen er veel sneller soorten dan er nieuwe bij komen. Dat leidt tot een ongewenste vereenvoudiging van allerlei ecosystemen die instabiliteit tot gevolg kan hebben. De wereld dreigt een monocultuur te worden. Ik heb soms een visioen van een woestijn met hier en daar een hamburgertent. Niet iets waar ik me op verheug.”

Als het een keuze is tussen de mens die dreigt te sterven van de honger en de vernietiging van een ecosysteem, dan kiest de mens voor de mens.

“Dat is waar, maar het is helemaal niet gezegd dat de mensen rondom het Victoriameer gebaat zijn met een instabiel ecosysteem. Vroeger was er een voedselnetwerk dat veerde, het had een zekere elasticiteit. Als er ergens iets mis ging, dan werd dat elders opgevangen door andere schakels in het systeem. Nu is het meer verarmd. Honderdtwintig soorten furu zijn vervangen door één soort, de nijlbaars. Twintig soorten plankton-eters zijn vervangen door één 'sardientje' dat vroeger vrij zeldzaam was. En een stuk of twintig afvaleters zijn vervangen door één garnalensoort, die explosief in omvang is toegenomen.”

Vinden ontwikkelingsprojecten in tropische gebieden vaker plaats zonder vooraf goed de ecologische en evolutionaire gevolgen te onderzoeken?

“Ja, want de economische relevantie van onderzoek is op de korte termijn steeds vaker doorslaggevend. Het moet geld opleveren. Dat bleek ook weer uit de toespraak die de voorzitter van de NWO hield toen ik hun wetenschapsprijs kreeg uitgereikt. Zijn betoog kwam erop neer dat onderzoekers in de toekomst steeds afhankelijker zullen worden van de eisen die de industrie aan hen stelt, en dat dat goed is. Terwijl ik blij ben met die prijs, heb ik me kapot zitten ergeren. De universiteit dreigt haar culturele functie te verliezen.

“Als een project-aanvraag de belofte van maatschappelijke relevantie niet in zich draagt, dan krijg je geen subsidie. Als je het mij vraagt gaat te veel geld naar de makers van het beleid, onder wie hoge ambtenaren in Brussel, die honderduit babbelen over milieuvervuiling en behoud van ecosystemen. Maar intussen worden ecologische afdelingen aan universiteiten steeds kleiner, en beschikken de mensen die ècht iets kunnen doen over steeds minder personeel en middelen. Bij het British Museum of Natural History zijn veel afdelingen gesloten. Van de mensen die vroeger aan furu werkten, is daar niemand meer over, omdat niet direct duidelijk was wat hun onderzoek zou opleveren. Alleen als er een afdeling Nijlbaars zou bestaan, zou die overblijven.”

U woonde in Afrika toen aids zich aandiende. Welke gevolgen had dat?

“De Tanzaniaanse regering had het er in het begin nooit over. Ik kende de risico's uit westerse kranten. Ik ben lang bang geweest voor besmetting. Want af en toe schoot ik wel eens uit. Zodra ik op de hoogte was, waarschuwde ik de vissersjongens met wie ik werkte. Maar die zeiden: 'Aids, dat is hier niet.' Ik hoorde macho-argumenten aan om geen condoom te hoeven gebruiken: 'Daar pas ik helemaal niet in.' Tijdens expedities op het meer gingen de vissers 's nachts altijd een dorp in, 'op familiebezoek' zeiden ze. Wat betekende dat ze naar de hoeren gingen. Enkele jaren later was tot ze doorgedrongen hoe gevaarlijk aids is. Plotseling had niemand meer familie in de dorpen. De jongens zaten de hele avond met een rol mariabiscuitjes op de boot.

“Juist onder mensen met een goede positie is het percentage aidspatiënten hoog. Ik zag eens een groep schoolmeisjes op een akkertje werken, toen er een auto met regeringsfunctionarissen stopte. De directrice van de school was erbij. Die mannen kozen een meisje uit. Weigerde een meisje, dan werd ze van school gestuurd. Raakte ze zwanger, dan werd ze ook van school gestuurd. Weerzinwekkend. In die tijd wist nog niemand dat je aids kon krijgen.

“Een vriend van me had een Tanzaniaanse vriendin, die door de directeur van haar bedrijf werd overgeplaatst naar het hoofdkwartier in Dar-es-Salaam. De enige reden was dat hij met haar wilde neuken. Het gerucht ging dat die man zo al dertien werkneemsters zwanger had gemaakt. En die konden niet weigeren, want dan waren ze meteen hun baan kwijt, konden nooit meer aangesteld worden in een overheidsfunctie.

“Er is vaak gedacht dat het Afrikaanse continent zich zou moeten ontwikkelen naar westers model. Dan word je snel teleurgesteld. Allerlei ontwikkelingswerkers die dat decennialang hoopten, zien nu dat daar weinig van terecht is gekomen. Maar de Afrikanen zijn er nog steeds en dat is het bewijs van hun capaciteit om te overleven. Ik heb me nergens zo prettig gevoeld als daar. Je hoorde er altijd wel iemand lachen.”

Hoe was uw kijk op Nederland na vijf jaar Tanzania?

“Ik ging de stad bijna niet meer uit. Ik vertoef graag in de natuur, maar dan in de echte. Natuur in Nederland vind ik niet zo veel. Er zijn wel mooie gebieden natuurlijk: de Waddenzee en de Achterhoek, maar op veel plekken zie ik vooral de littekens en wonden. Dat is de handicap van een bioloog, die zich zorgen maakt over wat er al niet meer is of wordt bedreigd.

“Toen ik terugkwam, zat er een gat in mijn kennis. Mensen hadden het over niets anders dan personal computers. Mijn vrienden zaten de hele dag voor een kil scherm. Ik vond het bizar, ze hadden het over MS-Dos en output apestaart. Dat moest in die vijf jaar zijn gebeurd. Zonder computer kon je niks meer doen.

Ik hou ervan op mijn gemak een brief te schrijven. Die computers zijn bedoeld om het werk gemakkelijker te maken. En wat gebeurt? Onderzoekers gaan nog harder racen om de meeste publikaties per jaar te produceren. In de hoop in een top-tien van onderzoekers terecht te komen. Nu moet je als je geld voor onderzoek aanvraagt kunnen garanderen wat eruit komt. Dan is voor mij de lol er al af, want onderzoek dat risico draagt, kan je niet meer doen.

“Ik gedij niet in die wereld van wetenschappelijke wedstrijden. Maar ik vrees dat mensen overal een wedstrijd van maken. Nu zit ik weer in een boekenwedstrijd. Een wetenschapper is geïnteresseerd in statistische waarheden, gemiddelden en standaard deviaties. Ik ben geïnteresseerd in persoonlijke beleving, in de afwijkingen. Ik voel meer voor een kunstzinnige dan een wetenschappelijke benadering. Iets schrijven of tekenen, hoe gebrekkig ook, is voor mij wezenlijker dan het doen van een wetenschappelijke ontdekking.”

Citaten:

'De vangst bestaat voornamelijk uit furu, maar hoe langer ik in de emmer kijk, des te minder ik snap waar we zijn. Er klopt iets niet. Ken ik deze soorten eigenlijk wel? (...) Soorten die hier nooit ontbroken hebben, mis ik, voor het eerst in al die jaren.' (Darwins hofvijver, pag. 16/17)

'Tegenwoordig spreken jonge onderzoekers op congressen over vergiftiging, vervuiling en het op grote schaal uitsterven van soorten, zonder een spoor van emotie. Alsof het nooit anders is geweest. Uitsterven is alledaags geworden en vernietiging van ecosystemen de norm.' (Darwins hofvijver, pag. 217)

'Elke ecoloog zou in paniek raken wanner in de Serengeti uitgestrekte kuddes leeuwen achter de laatste antilope aan hollen. Precies die toestand dreigde in het Victoriameer te ontstaan.'(Darwins hofvijver, pag. 214)

    • Tom Rooduijn