Pleiters en pleidooien

Leden van de Jury..... Vertaald en toegelicht door C.M.J. Sicking

292 blz., Athenaeum-Polak & Van Gennep 1995, ƒ 65,- (geb.), ƒ 45,-(paperback)

Het is een wat paradoxale situatie, een boek waarin we pleidooien lezen van befaamde Griekse pleiters. Want kenmerk van het pleidooi is nu juist dat het degenen tot wie het zich richt mondeling bereikt. Een op schrift gesteld pleidooi dat niet wordt voorgedragen (een situatie die meer en meer voorkomt in de Nederlandse rechtszalen) mist een belangrijke dimensie: de charme in de oorspronkelijke zin van dat woord genomen: de betovering van het gesproken woord. Als Lysias een pleidooi opstelt voor een schoenmaker die door toedoen van een medeburger (waarschijnlijk een sycophant, dat is een beroepsverklikker die voor geld strafbare feiten van anderen aanbrengt) zijn 'bijstand' dreigt kwijt te raken, gaat hij zeer bewust maar stilzwijgend voorbij aan de kern van de zaak: of de man in zijn beroep niet zoveel verdient dat hij geen recht meer heeft op steun uit de publieke kas: “Maar ik zie niet in dat het nodig is precies ieder punt van wat gezegd is te weerleggen en U (de jury, L.) langer lastig te vallen. Ik heb immers over de belangrijkste punten gesproken: waarom zal ik me, evenals mijn tegenstander, druk maken om futiliteiten...”

Als in Nederland een beroepspleiter een verweer te futiel noemt om het te weerleggen, gaan rechters extra opletten. Dat verweer zal wel niet weerlegd kunnen worden en toch belangrijk zijn. Niet anders lijkt het er in het oude Griekenland aan toe gegaan te zijn. Het pleidooi is - in de rechtspraak - de methode om de sterke kanten van de zaak in het volle licht te zetten, maar vooral om de zwakke te verdonkeremanen in de lange schaduw daarvan. Het pleidooi waarin een zwakke zaak verdedigd wordt, heeft overigens bijna alleen maar kans als de uitspraak onmiddellijk daarop, onder de volle invloed daarvan,volgt.

Wonderlijke resultaten

Vele schitterende pleidooien die de rechters diep hebben bewogen, verliezen geleidelijk aan hun kracht als rechters veel tijd krijgen om na te denken. Want de kunst der welsprekendheid is, zoals de Grieken niet alleen wisten maar ook ons hebben geleerd, om ook het onware als waar, het slechte als goed en het laffe als heldhaftig te doen voortleven in de hoofden en harten van de toehoorders die, in welke vorm dan ook, rechters zijn. Bij zaken voor politierechters boekt het goede pleidooi soms wonderlijke resultaten, omdat de politierechter echt geen tijd heeft om na te denken voor hij uitspraak doet. Ik ken er denderende voorbeelden van.

De Grieken kenden wetten waaraan ze grote waarde hechtten en die ze in het algemeen strikt toepasten zonder veel rechtsvinding en spitsvondigheid, zoals later de Romeinen wel zouden doen. Professionele rechters waren er amper, evenmin als advocaten. De verdachten verdedigden zichzelf, de eisers hadden geen (verplichte) procureur om het werk te doen. Maar de pleidooien waren nogal eens door logografen (professionele pleidooischrijvers) opgesteld en het boek bevat daar een aantal mooie voorbeelden van. Maar wie het zelf kon of meende te kunnen deed het zelf, al was het maar om kosten te sparen.

De goede logografen waren niet goedkoop. Zoiets is blijkbaar van alle tijden. Er wordt wel gezegd dat Socrates in de rechtszaak die hem tot het drinken van de gifbeker bracht, een goede advocaat nodig had gehad. Nu bestonden die ten eerste niet, maar bovendien dacht Socrates er natuurlijk niet aan dat een logograaf hem zou kunnen verbeteren. Zijn beide pleidooien zijn dan ook door de eeuwen heen beroemd gebleven. Veel meer bewondering zou het moeten wekken dat bij de berechting van Christus door de Romeinen in een (nogal raadselachtige) samenwerking met de joden, in het geheel niet ter sprake is gekomen of hij recht had op een (toegevoegd) advocaat. Ik denk overigens dat Christus die ook geweigerd zou hebben, al viel zijn verdediging meer op door wat hij niet dan door wat hij wel zei.

Een opvallende eigenschap van vele van de hier bijeengebrachte pleidooien is dat er weinig beroep wordt gedaan op wetten (die staan aan de basis en zijn bekend), maar dat ook bijna alle juridische spitsvondigheden ontbreken, hoewel er wel degelijk taalkundige en maatschappelijke subtiliteiten in het spel worden gebracht.

Zo staat Isocrates als logograaf voor de zware taak de verduistering door een Atheens bankier van het banktegoed van zijn in den vreemde wonende cliënt, die in Athene zaken kwam doen, te bewijzen. Bankpapieren en boekhouding zijn er nauwelijks. Het verweer van de bankier is onder meer dat zijn tegenstander in Athene helemaal zonder geld zat; immers, hij had zelfs driehonderd stateres (een groot bedrag) van ene Stratocles moeten lenen. Dat verweer wordt op ingenieuze wijze weerlegd, hoewel Isocrates moet toegeven dat zijn cliënt dit bedrag van Stratocles heeft ontvangen maar: om het te bewaren. En vervolgens laat Isocrates het verweer in het voordeel van zijn cliënt verkeren: het geld moet straks natuurlijk terug naar Stratocles. Die zou dat van de vader van Isocrates' cliënt krijgen. Maar als die vader nu eens niet betaalde? Dan kon Stratocles bij Isocrates' cliënt terecht en diens tegoed bij de bankier aanspreken. Stratocles had natuurlijk onderzocht dat dat tegoed er was, enz. Het is een staal van harde logica, maar juridische constructies of uitwerking van juridische begrippen vind je er niet in terug.

Steeds opnieuw zien we wat in onze rechtspraak ook wel gebeurt als partijen rechtstreeks tegenover elkaar staan: ze gaan elkaar voor de rechter uitschelden en zwart maken: je vader was een slaaf en je moeder een hoer. Het zijn ongeremde schurken die de rechter aan de andere kant voor zich heeft; mooie woorden maar waardeloze daden, een misdadiger die liegt tot hij zwart ziet etc. De gespeelde verontwaardiging van de advocaat maakt plaats voor de echte van de direct betrokkene, ook al heeft die zijn verhaal van een logograaf betrokken.

Geen motivering

Wie het boek uit heeft, zal wellicht ook deze impressie overhouden: wat zijn onze rechtszaken in hoge mate gejuridiseerd. Wie meent dat dat vanzelfsprekend is omdat het over rechtszaken gaat, antwoord ik dat dat ook het geval was in de processen uit de Griekse oudheid. Waarschijnlijk heeft dat mede te maken met het feit dat de jury-rechtspraak ook in burgerlijke zaken ten gevolge had dat nooit een uitspraak werd gemotiveerd. Ik zeg mede, want een andere reden is ongetwijfeld dat het recht in de loop der tijden, te beginnen met het Romeinse recht, zich met mooie maar moeilijke constructies, die ongetwijfeld billijkheid nastreefden, heeft losgemaakt van het gewone denken over de gewone wet, die voor ieder begrijpelijk is, zoals de Tien Geboden dat waren.

Slaven, zo blijkt uit bijna alle pleidooien, waren tot het geven van getuigenis bekwaam. Omdat zij vaak dicht op de zaken van hun meesters zaten, waren zij vaak ook belangrijke of de enige getuigen. Maar het was de onheilige overtuiging van de Grieken dat slaven alleen maar de waarheid spraken als ze gepijnigd werden. Dat gebeurde dan ook altijd, op een vergelijkbare manier als waarop bij ons de getuige voor het gerecht eerst de eed of de belofte aflegt.

Heel in de verte kun je daar trouwens nog wel verband tussen aanbrengen. Het idee dat een getuigenis onder foltering afgelegd ook dan geen geldig bewijsmateriaal oplevert als het bewijsbaar juist is, kwam in het hoofd van die toch verlichte Grieken niet op. Dat geeft te denken ook omtrent wat er straks zal gedacht worden over onze denkbeelden en de verwerkelijking daarvan.