Obsceniteiten

CATHERINE SALLES: De Zelfkant van de Oudheid

264 blz., geïll., vert. Ivo Gay (Les bas-fonds de l'Antiquité, 1982), Ambo 1995, ƒ 44,50

In 343 v.C. werd op een avond in Athene een zekere Ariston afgetuigd door een antiek stel hooligans. Zuiver om de kick rukten Conon en diens makkers hem zijn mantel af en lieten hem naakt op straat liggen. Behalve de redenaar Demosthenes durfde niemand de vandalen aan te pakken, vanwege hun rijke afkomst. Het nachtelijke Athene werd regelmatig door dit soort bendes doorspookt. Berucht in die tijd was het motto van de bende der Ithyphalli (Stijve Phalli): “Wij bedrijven de liefde en slaan en wurgen daarbij wie we maar willen”.

In De Zelfkant van de Oudheid ontrafelt de Franse classica Catherine Salles het krioelende en duistere leven in de sloppenwijken van Athene, Corinthe, Alexandrië en Rome. Daarvoor gebruikte ze muurschilderingen, tot dusver onvoldoende serieus genomen verhalen, toneeldialogen en uittreksels van redevoeringen. Geen grote literatuur dus, maar volgens de schrijfster 'de dragers van het oordeel van een volk, van een tijdperk'.

Van dit boek valt een heleboel op te steken, maar jammer genoeg word je op vrijwel elke bladzij bedolven onder een lawine, vaak obscene, citaten, waardoor je de draad van het betoog steeds meer verliest. Wat andere onderzoekers gevonden hebben, blijkt na lezing van dit boek bovendien nog een groot vraagteken. Een ander probleem is de relatief grote aandacht voor seksualiteit en prostitutie, alsof dit de belangrijkste aspecten van de marginaliteit en bruutheid in de Oudheid zouden zijn.

Zo gold in het oude Athene de politicus Timarchus, door Aeschines in 346 v.C. in een beroemde rede aangevallen, als de laagst gezonken prostitué. Hij was afkomstig uit een eerzame familie, maar van zijn dertiende af vertoefde hij in de onguurste milieus. Als verstokt gokker had hij altijd maar meer geld nodig. Zijn carrière als hoer begon in het huis van een arts. Het ergerde Aeschines dat Timarchus, net als de prostituées in de Atheense hoerenbuurten, zijn schoonheid te gelde maakte in plaats van zich te beperken tot de geaccepteerde relatie tussen een erastes (oudere man) en een eromenes (beminde). Timarchus' gedrag was dat van een slaaf.

Het tweede gedeelte, over de wereld der Romeinen, biedt een veel gevarieerder beeld. Natuurrampen, hongersnoden, epidemieën - bijvoorbeeld de eerste beschrijving van malaria - en het theatrale gedrag van de verveelde bovenlaag tijdens de keizertijd komen nu in de schijnwerpers te staan. Er bestond geen grotere kick voor de morbide rijken dan de arme te spelen, waartoe ze in hun luxueuze herenhuizen een smerig en donker kamertje lieten aanbrengen.

Vanwege de nachtelijke gevaren waagden weinig Romeinen zich na zonsondergang in de stad zonder een gewapende slavenwacht met fakkels. Er was 's nachts altijd veel lawaai in de stad. Volgens de satirendichter Iuvenalis ging menigeen er ten gevolge van slapeloosheid dood.

De Zelfkant van de Oudheid bevat genoeg gewaagde citaten, maar de zinsnede van Eubulus, een komisch dichter uit de vierde eeuw v.C., over de gevolgen van de Trojaanse oorlog, kwam ik niet tegen. Bij gebrek aan prostituées, schrijft Eubulus, gingen de Grieken zich uit nood tien jaar lang lustig aan de herenliefde te buiten: “Om een stad in te nemen, kwamen ze naar huis met een anus die wijder was dan (de poorten van) de stad die ze innamen”.