Levens

PLUTARCHUS: Vier levens. Agis, Cleomenes, Tiberius Gracchus, Gaius Gracchus

Vert. F.J.A.M. Meijer en J.A. van Rossum 131 blz., Ambo 1995, ƒ 34,90

In de oudheid werd hij 'de Wijze van Chaeronea' genoemd. Niet op grond van zijn historisch werk, maar wegens zijn verdiensten als propagandist voor het platonisme. Dat Plutarchus (47-120 na C.) sinds de Renaissance vooral bekend staat om zijn Parallelle levens, een verzameling biografieën van Griekse en Romeinse staatslieden, is dan ook te danken aan Shakespeare, die enkele van zijn beroemdste toneelstukken (Julius Caesar, Antony and Cleopatra, Coriolanus) baseerde op vitae van de in Boeotië geboren filosoof.

Achtenveertig heldenlevens zijn er van Plutarchus' hand overgeleverd: van mythische koningen, meedogenloze generaals en grote redenaars. Op twee na zijn ze allemaal in paren gegroepeerd; het leven van een beroemde Griek kon op die manier gecontrasteerd worden met dat van een Romeinse pendant. Zo koppelde Plutarchus Theseus aan Romulus, Alexander de Grote aan Caesar, Demosthenes aan Cicero en, minder voor de hand liggend, Pyrrhus (van de gelijknamige overwinningen) aan de Romeinse succesgeneraal Marius.

Tegenwoordig zouden we deze parallellisering als historisch onverantwoord en zelfs onzinnig afdoen - alsof je Drees met Roosevelt zou gaan vergelijken, of Lubbers met Nixon. Maar wie Plutarchus - uit gebrek aan ander materiaal - als historische bron gebruikt, moet niet vergeten dat hij helemaal geen geschiedschrijver wilde zijn; hij was een moralist die zijn lezers beter hoopte te maken door hun de deugden en ondeugden van zijn personages te tonen. Zijn Parallelle levens zijn dan ook het best te beschouwen als een soort 'Erflaters van onze beschaving'.

Misschien heeft het imago van Plutarchus als verteller van anekdotes en liefhebber van moralistische details ervoor gezorgd, dat zijn populariteit in het tijdperk van de geschiedkundige professionalisering steeds verder is afgenomen. Het is in ieder geval al twee eeuwen geleden dat een integrale Nederlandse vertaling van zijn Bioi paralleloi werd gepubliceerd. En de nu door F.J.A.M. Meijer en J.A. van Rossum vertaalde levens van de Romeinse hervormers Tiberius en Gaius Gracchus en de Spartaanse koningen Agis en Cleomenes zijn zelfs de enige die in de afgelopen 20 jaar verschenen zijn.

Meijer en Van Rossum verdedigen hun vertaling van het - door Plutarchus zelf zo opgezette - hervormersvierluik met een beroep op de historische waarde: de informatie die de biograaf geeft is in geen enkele andere bron terug te vinden. Zonder hem zouden we weinig weten over de gebroeders Gracchus, die in de jaren 133-121 v.C. de gevestigde Romeinse orde tegen zich in het harnas joegen met plannen om de boerenstand aan land te helpen - en nog minder over de Spartaanse koningen die een eeuw eerder probeerden om door middel van landhervorming en schuldendelging de neergang van hun stadstaat te stuiten.

Maar er zijn meer en betere redenen om Plutarchus te vertalen. Allereerst zijn persoonlijke aanpak en zijn goedmoedige moralisme, die je het idee geven dat de geschiedenis wordt verteld door een geduldige leraar met eigenzinnige opvattingen. Iemand die een biografie kan beginnen met een Griekse mythe over de gevolgen van te veel eerzucht, en haar eindigt met een berisping van de hoofdpersoon omdat hij 'te veel vertrouwen stelde in anderen.'

Daarnaast excelleert Plutarchus, zoals veel van zijn collega's uit de Oudheid, in stilistisch perfecte en soms ontroerende redevoeringen. In Agis lezen we hoe een wanhopige vrouw haar vader ertoe overhaalt om het leven van haar echtgenoot, die hem van de troon stootte, te sparen. Cleomenes houdt een pleidooi tegen de in de Oudheid zo populaire 'zelfgekozen dood' (“Wie opgeeft vanwege de moeite en inspanning of de verwijten van de mensen, wordt verslagen door zijn eigen zwakte”). En Tiberius Gracchus roept in een gloedvol betoog de Senaat op tot sympathie en respect voor de boerensoldaten van Rome: “Zelfs de wilde dieren die in Italië wonen hebben elk een hol, een leger of een schuilplaats, maar zij die strijden en sterven voor Italië hebben deel aan lucht en licht, maar verder niets. (...) Ze worden de heersers van de bewoonde wereld genoemd, maar bezitten zelf nog geen kluit aarde.”

En dan te bedenken dat de door Meijer en Van Rossum verzorgd vertaalde en geannoteerde vitae niet eens bekend staan als de levendigste die Plutarchus geschreven heeft. Laten we hopen dat het geen twintig jaar duurt voordat er weer een paar kruimeltjes in het Nederlands worden vertaald.