Legpuzzel van duizenden stukjes groeit elke week bij verhoren

Zevenenvijftig getuigen heeft de commissie-Van Traa gehoord sinds het begin van de parlementaire enquête opsporingsmethoden. Is de bestrijding van de criminaliteit in Nederland de afgelopen vijf jaar ontspoord? Zo ja, hoe kon dat gebeuren? Wat moet veranderen om politie en justitie in het juiste spoor te krijgen? Dat zijn ruwweg de vragen waar de commissie antwoorden op zoekt.

Als de microfoons 's avonds uitgaan, trekt de commissie zich terug achter de zware gordijnen van de vergaderzaal in de Senaat. Daar wordt gewerkt aan een legpuzzel van duizenden stukjes. Terwijl de weken zich aaneenrijgen, wordt het beeld completer.

De getuigen zijn onder te verdelen in drie groepen: de wetenschappers, de uitvoerende functionarissen van politie en justitie en de verantwoordelijken (van hoofdofficieren en korpschefs tot en met de minister van justitie).

Commissie

Na een wat timide begin is de ondervraging door de commissie de afgelopen twee weken harder geworden. Met name voorzitter Van Traa is zich gaandeweg zichtbaar meer gaan ergeren aan verontschuldigingen over “de beperkingen van het menselijk geheugen”. Openlijke verbazing toonde de commissie voor het eerst toen de Amsterdamse recherchechef B. Welten van vrijwel elke omstreden opsporingsmethode wist te vertellen dat díe in Amsterdam in elk geval niet voorkwam, al voelde hij zelf ook wel aan dat die opmerking om uitleg vroeg. “Het beeld zou bijna ontstaan dat wij roomser zijn dan de paus”, zei hij. Hij voegde eraan toe dat een onwettige methode als het bewust doorlaten van drugs “niet strookt met ons gevoel van integriteit”.

Al was de verbazing hierover op 11 september groot, de commissie liet het erbij. Twee weken later was dat anders. Van Traa deelde aan de Rotterdamse hoofdofficier van justitie, L. de Wit, een echte waarschuwing uit. Hij herinnerde De Wit eraan dat hij voor een parlementaire enquêtecommissie stond. “Meneer De Wit, u staat onder ede”, riep hij uit nadat de magistraat niet meer wist waarover precies was gesproken. Van Traa verzocht hem, maar ook een aantal andere getuigen, het “geheugen op te frissen” alvorens voor een tweede keer te verschijnen. Steeds meer wordt voelbaar dat de getuigen achter de tafel niet op de hoogte zijn van wat de commissieleden precies weten. De commissie heeft toegang tot veel geheim materiaal - en heeft derhalve meer kennis dan wat tot nu toe naar buiten komt.

Wegens de veelheid van personen die moeten verschijnen - in totaal circa tachtig - heeft Van Traa de ondervragingen verdeeld over zes van de zeven commissieleden. Het Kamerlid Aiking-Van Wageningen (groep-Nijpels) haakte enkele weken geleden af wegens ziekte. Om het ijs te breken beginnen met name Koekkoek en Vos graag met een ontspannen inleiding, zoals “waarom bent u eigenlijk officier van justitie geworden?”

Criminologen

De criminologen, die als eerste voor de commissie verschenen, hebben sinds januari in opdracht van de commissie geprobeerd te beschrijven wat de zware, georganiseerde misdaad inhoudt en hoe ernstig de situatie precies is. Dat bleek, gezien de kennis die er al bestond, nogal mee te vallen.

Criminelen verdienen in Nederland weliswaar miljoenen guldens, vooral aan de handel in verdovende middelen. Softdrugshandel is verreweg de gemakkelijkste en meest lucratieve manier om in de onderwereld snel rijk te worden, zo luidde één van de conclusies. Maar de wetenschappers hebben niet kunnen aantonen dat criminelen zich op grote schaal proberen te nestelen in de bovenwereld. Het criminele geld wordt weliswaar gebruikt om te investeren in 'de binnenstad' en er wordt weleens een (geslaagde) poging gedaan om (politie-)ambtenaren om te kopen, maar van een totale verwevenheid tussen beide werelden is nog geen sprake, zo ondervonden prof. C. Fijnaut en zijn collega's. Fijnaut gaf prijs dat Nederland zo'n 35 grote criminele netwerken telt, die in wisselende samenstelling opereren. Hij zei er overigens wegens de ongewisheid hierover liever geen getallen te noemen.

De meeste commotie ontstond toen de hoogleraar F. Bovenkerk de uitspraak deed dat “tientallen procenten van de Turkse mannen in Amsterdam” betrokken zijn bij de drugshandel. In een tweede verhoor werd Bovenkerk gedwongen te erkennen dat hij dat getal niet kon onderbouwen. Ook de beschuldiging van zijn collega H. van der Bunt dat 25 advocaten en twaalf notarissen “willens en wetens hun diensten aanbieden aan criminelen”, veroorzaakte opschudding. G. Bruinsma zei min of meer hetzelfde over de marechaussee op Schiphol, waarvan leden illegale vreemdelingen het land zouden binnenlaten. Later kwam vanuit Haarlemse politie- en justitiekringen nog soortgelijke beschuldigingen in de richting van de pers. De top van het openbaar ministerie heeft die beschuldiging inmiddels ingetrokken.

Opsporingsmethoden

Nadat de context in de eerste twee weken was geschetst, zette de commissie de tanden in de praktijk. Politiemensen, officieren van justitie, observatiedeskundigen, rechercheurs en korpschefs - geen functie binnen het apparaat bleef onbesproken. Veel opsporingsmethoden die de politie hanteert zijn niet in de wet omschreven, maar worden wel gebruikt. De commissie moet de minister van justitie uiteindelijk adviseren hoe de wet moet worden aangepast aan de praktijk.

De commissie put bij de verhoren vooral uit de gegevens van de Centrale Toetsingscommissie. Dat orgaan is vorig jaar door Justitie ingesteld om alle omstreden opsporingsmethoden van de politie in kaart te brengen en te beoordelen. Elk korps is verplicht deze te melden.

Met deze verhoren betrad de commissie het terrein van de casuïstiek. Tal van zaken, overal in Nederland, kwamen de afgelopen weken ter tafel. De belangrijkste zaken die telkens terugkeren zijn het Delta-onderzoek van het eind 1993 ontbonden interregionale rechercheteam Noord-Holland/ Utrecht (IRT) zelf en het hieraan verwante Rotterdamse Bever-onderzoek, waar met dezelfde methodiek en dezelfde (Haarlemse) informanten werd gewerkt. De methode houdt in dat grote hoeveelheden drugs bewust worden doorgelaten, met het doel een criminele informant van de politie in de misdaadorganisatie te laten 'groeien'. Zo komt hij steeds dichter bij de top van de bende - dat is althans de gedachte achter dit model.

Hoewel deze methode wegens de vergaande betrokkenheid van politie en justitie de meeste aandacht krijgt, heeft de commissie ook speciale interesse voor de praktijk van inkijkoperaties in loodsen van verdachten. Daarbij breekt de politie in om te onderzoeken of een partij verdovende middelen met een officiële huiszoeking in beslag kan worden genomen. Als zo'n heimelijke operatie niets oplevert, zijn de verdachten in elk geval niet gealarmeerd. In de praktijk is deze methode in alle korpsen voorgekomen. Maar, zoals de Eindhovense recherche-chef W. Amerongen op 13 september verklaarde, de inkijkoperatie heeft door zijn bekendheid geen enkel effect meer voor het opsporen van “topcriminelen”. Die hebben zich inmiddels voldoende beveiligd, door camera's of deurbeveiliging bij loodsen aan te brengen.

Verder komen in de meeste verhoren methodieken als afluisteren, observeren en volgen van verdachten of bijna-verdachten ter sprake. Er bestaat alleen wetgeving voor het afluisteren van telefoongesprekken. Voor direct afluisteren met microfoons is er geen wettelijke basis. Dit middel wordt volgens de getuigen niet of nauwelijks gebruikt - hooguit bij een gijzeling of ontvoering.

De IRT-affaire - de aanleiding tot de enquête - loopt als een rode draad door de meeste verhoren heen. De commissie probeert uit te vinden wat er precies is gebeurd sinds het IRT werd opgericht. En waarom de zaak zo uit de hand kon lopen. Bij die speurtocht door het verleden leiden de meeste wegen naar Haarlem. Containers vol met verdovende middelen mochten van de politie op de markt stromen om dat ene doel te bereiken: de 'mafia-organisatie' Delta moest worden uitgeroeid, met wortel en tak.

In december 1993 werd het IRT ontbonden op initiatief van de Amsterdamse driehoek: politie, justitie en burgemeester. Die wilde niet langer verantwoordelijkheid nemen voor de 'werkmethode' van dit rechercheteam, zoals in het persbericht werd gemeld. Dit vestigde voor het eerst de aandacht op de omstreden opsporingspraktijken die nu wordt ontrafeld.

In de maanden erna bleek dat dezelfde methode, met dezelfde personen ook was toegepast in andere delen van het land. Dat er door werkmethode tienduizenden kilo's drugs in het criminele milieu zijn verdwenen, staat vast. De commissie heeft tot nu toe 65 scheepscontainers getraceerd die ervoor in aanmerking komen.

Verantwoordelijken

Inmiddels is de commissie begonnen met het verhoren van de superieuren van de verantwoordelijke officieren van justitie en politiemensen. Het beeld is vooralsnog eentonig. Slechts enkelen zeiden op de hoogte te zijn wat de CID in Haarlem uitvoerde. Maar zelfs de direct betrokken officier van justitie, O. van der Veen, verklaarde niet te weten dat de politie jaarlijks tonnen aan crimineel geld gebruikte om spullen aan te schaffen en loodsen voor criminelen te huren.

In aan het Delta-onderzoek verwante zaken bleken officieren van justitie, die de grenzen van de opsporingsactiviteiten van de politie moesten bepalen, te goedgelovig. Ze dachten dat een ander de verantwoordelijkheid had of, gewoon, “dat het wel goed zat”. Zo zei de Amsterdamse officier van justitie J. Valente tegen de commissie: “Het was niet mijn gewoonte om politiemensen hierover te verhoren.” “Ik had het moeten weten”, erkende de Rotterdamse officier R. Gerding. Hij was er niet van op de hoogte dat de politie in samenwerking met Haarlem 20.000 kilo softdrugs op de markt liet komen.

De Haarlemse hoofdofficier van justitie L. de Beaufort vond eergisteren niet dat hij verantwoordelijk was voor wat de Haarlemse politie elders in Nederland - Rotterdam bijvoorbeeld - aan opsporing deed. De Rotterdamse officier R. de Groot vond dat Haarlem verantwoordelijk was. R. van Randwijck, procureur-generaal bij het hof in Amsterdam, had zelfs tot twee weken geleden niet in de gaten dat er verschillen van inzicht en fricties waren tussen de parketten in Amsterdam en Haarlem.

Anderen lieten er tegenover de commissie geen misverstand over bestaan dat zij zich misleid voelden. De Haarlemse douanerechercheur G. Bakker bijvoorbeeld: “Ik voel me belazerd”, verklaarde hij over de doorlating van containers drugs op verzoek van de Haarlemse politie. Hij dacht namelijk dat de drugs uiteindelijk in beslag zouden worden genomen.

Wat de commissie er tot op heden ook van vindt, vast lijkt te staan dat veel gezagsdragers te weinig verantwoordelijkheid hebben getoond, te weinig wisten of te weinig hebben uitgezocht wat er precies aan de hand was. Van Randwijck zei het donderdag, in antwoord op de vraag waarom hij van niets wist, zo: “Waarom wordt het mij dan niet gemeld?”

Komende weken

Dat de openbare verhoren tot in november gaan duren staat inmiddels vast. De laatste weken zullen onder meer de politiek verantwoordelijken tegenover de commissie plaatsnemen. Volgende week volgen onder anderen nog de korpschefs E. Nordholt (Amsterdam) en Straver (Haarlem) en de voormalige Haarlemse burgemeester E. Schmitz, inmiddels staatssecretaris van justitie. Klimmend op de ladder worden in de weken daarna de oud-ministers Hirsch Ballin (justitie), Van Thijn (binnenlandse zaken) en de huidige minister Sorgdrager verwacht. Ook een aantal Kamerleden dat verantwoordelijk is geweest voor justitiezaken wordt nog opgeroepen.