Lang leve de Griekse landman

VICTOR DAVIS HANSON: The Other Greeks. The Family Farm and the Agrarian Roots of Western Civilization

541 blz., The Free Press 1995, ƒ 55,15

Historiografie behandelt het liefst de hoogtepunten in de geschiedenis. Enkel uit respect voor de gore waarheid zoekt zij soms de grijsheid op. De Griekse geschiedenis echter lijkt een bijna zuiver glorieus avontuur: literatuur en filosofie, kunst, democratie en een eclatante overwinning op een oosterse geweldenaar. Voor de grijsheid, het landelijke Griekenland met zijn paar honderd stadstaten, nauwelijks steden te noemen, amper geürbaniseerd, blijft weinig ruimte in de publikaties.

Niet zo evenwel in The other Greeks van Victor Davis Hanson. Daar staat de Griekse boer in het middelpunt. En toch is het niet de bedoeling van de schrijver om het nu eens te hebben over de gewone mensen en het dagelijkse leven. De stelling van het boek is dat al wat schitterde in de Griekse politieke geschiedenis, niet in de laatste plaats de democratie, precies te danken was aan de ambitieuze ijver van de landman, meer dan aan het stedelijke bevolkingsoverschot in Athene of aan de intellectuele elite uit Klein-Azië.

Hanson begint zijn betoog omstreeks 700 v.C., bij het einde van de Dark Ages, de periode die als een black box de terugblik verspert in de bronnen van de Griekse beschaving. In de oudste culturen, legt hij uit, was het bezit van landbouwgrond gecentraliseerd, doorgaans rond een tempel of een paleis. En zo was het ook in de Griekse Dark Ages. De aristocratie bezat bij afwezigheid van een politieke structuur een informele macht, een willekeur in doen en laten. Haar rijkdom baseerde zij op het bezit van kudden en van door slaven bewerkte gronden.

Aan het einde van die periode nam de omvang van de Griekse gezinnen toe. De bevolking groeide. Uiteraard moest de produktie van voedsel de hoogte in. Een klasse van pioniers is toen op zoek gegaan naar tot dan toe onbewerkte gronden, gelegen op de meest afgelegen plaatsen. Ongehinderd konden zij ze in bezit nemen en bewerken. Volgens Victor D. Hanson is dit en niets anders dè primeur van de Griekse beschaving, dat landbouwgrond in kleinschalig privé-bezit kwam en de bezitter zelf de arbeid deed. Het prototype is voor hem de oude Laërtes, Odysseus' vader, die bij Homerus een perceeltje bewerkt ver weg van de stad en de nutteloze aanstellerij van Penelope's vrijers.

Het was hard werken, het was tot eigen schade en schande experimenteren met de cultivering van een waardeloos stuk grond. Men moest de technieken leren van irrigeren, snoeien en enten. Diversificatie was noodzakelijk, want de gesteldheid van de bodem veranderde binnen de 100 meter. Het waren kleine boerderijen, niet groter dan vier hectaren en de boer en zijn knecht hadden de handen vol. Maar hij en zijn familie overleefden.

Empathie

Een heroïsch verhaal, van een betrokken historicus, begiftigd met meer dan academische kennis. Hanson is een speciale vent. De hoogleraar Griekse literatuur aan de California State University is ook wijnbouwer, boer door geboorte en met de ziel en het eelt van de handen gekluisterd aan de vaderlijke grond van het familiebedrijf dat hij samen met zijn broers blijft runnen.

Classici kennen de boer, geloven zij, in de gedaante van de Romein. Zij en anderen keuren hem graag en meestal niet erg lovend. Hanson werpt zich met dit boek op als de intellectuele woordvoerder van de universele boer. De academicus doorziet de boer in zich en neemt afstand. Hij verdedigt zijn hebbelijkheden, vertelt van de dilemma's waarin hij moet kiezen. Hij graaft dieper in de psychische kwetsbaarheid van de boer en wekt zo bij de lezer een grote mate van empathie: zeldzaam, want de boer hoeft geen sympathie of vrede met de buitenwereld.

Maar het verhaal was nog niet af. De aristocratie betoonde een verheven desinteresse voor de ontwikkelingen. Terwijl zij bij haar veestapel maatschappelijk stagneerde, begreep de boer dat hij een vrij man geworden was. En hij stond niet alleen, want zijn initiatief had aanstekelijk gewerkt. Hij kon een vuist maken om de hardverdiende baten veilig te stellen tegen de naijverige willekeur van de landadel. Hanson wil niet beweren dat hij kan oplossen wanneer en hoe precies de polis tot stand kwam, maar hij wil wel de suggestie lanceren dat deze dynamische groep als eerste probeerde in een geïsoleerd gebied van beperkte omvang een formele macht te organiseren. Die emancipatie manifesteert zich in onze geschiedenisboeken als het tijdperk van de wetgevers. Solon zegende de derde klasse te Athene met het overwicht in de boulè, de wetgevende vergadering: de geboorte van het constitutionele bestuur. Bekend zijn ook zijn wetten ter beperking van het grondbezit. De bedoeling was duidelijk, de nivellering van de boerderijen tot min of meer gelijke grootte.

Het Solon-stadium zou men dan volgens Hanson kunnen omschrijven als een oligarchie met een lage drempel, vier hectare grond. Het middenklasse-ideaal was een staatsideologie geworden en werd een deel van de Griekse ethiek. Nog Aristoteles, niet echt een lid van de middenklasse, stelt kortweg dat de landbouwers de besten zijn om een polis te besturen.

Hanson geeft de filosoof niet helemaal ongelijk. De positieve kanten zijn legio. In zoverre deze oligarchie steunde op een klasse die streefde naar de grootst mogelijke uitbreiding als garantie voor een deugdelijk beleid en zich niet afsloot ten voordele van de happy few, kan zij net zo goed gezien worden als een gematigde democratie. Per slot hadden in Pericles' Athene percentsgewijs minder volwassen inwoners deel aan het bestuur dan in de landelijke oligarchie van een Boeotische polis.

De attitudes van de fervente democraat zijn trouwens die van de boer in zijn overlevingsstrijd: pragmatisch en geneigd tot de voorzichtige middenweg, hardnekkig in de bescherming van zijn erfdeel, luidruchtig in de verdediging van zijn belangen. Het grootste voordeel van deze staatsvorm echter lag in de buitenlandse politiek. Via hun stem in de boulè en hun aandeel in de troepenmacht wisten de boeren de oorlogsvoering te controleren. Zij vormden zelf de infanterie, bestaande uit zwaar bepantserde krijgslui. De geduchte falanx vormend, waren deze hoplieten tot de zeeslag bij Salamis (480 v.C.) het beslissende element in elke veldslag, en dus onmisbaar. Zo konden zij ervoor zorgen, aldus Hanson, dat er oorlog was als en slechts als zij dat opportuun achtten. Zij bepaalden ook dat een oorlog volgens een ongeschreven code snel en definitief beslecht werd. het gevolg was: weinig oorlogen, slachtoffers, schade en tijdverlies.

Gewaagde stellingen

Het laatste hoofdstuk handelt over de neergang van dit systeem. Die begon met de Perzische oorlogen, toen de Atheners onder buitenlandse strategieën gedwongen werden af te zien van het exclusieve overwicht van de hoplieten in de krijg.

Hanson is een geëngageerd auteur en brengt gewaagde stellingen. Hij gebruikt daarvoor de geijkte argumentatievormen, put uit de archeologie en de literatuur, tot ons genoegen veel uit de Attische komedie, maar ook uit zijn eigen intuïtie. Hij is boer en Amerikaan tot in zijn wetenschap. En dus geeft hij ook een waarschuwing. Zijn boek moet leren dat een politiek, gebonden aan de voortbrengende aarde, een waarborg is tegen imperialisme en dat een staat die zich al te druk mengt in buitenlandse aangelegenheden zijn eigen economie verwaarloost. Geen imperialisme bij een boerenstand, verzekert Hanson, want de boer heeft een hekel aan uithuizigheid.

    • Karel Rombaut