Laat de roker die anderen niet hindert met rust

Sinds enige weken schalt door de gangen van ons universiteitsgebouw om de paar uur een stem die de aanwezige studenten en geleerden eraan herinnert dat er in het gebouw niet gerookt mag worden, tenzij in een bepaald gedeelte van de kantine.

Een zwaar rokende AIO, die eerder onderzoek deed voor het Astma-fonds en die overigens, net als iedere andere medewerker, op zijn eigen kamer wel mag roken, vertelt mij dat hij zich door die telkens herhaalde mededeling beschuldigd en beschadigd voelt.

Vroeger heb ik hem er eens op gewezen dat hij het roken natuurlijk zou moeten laten zodra zijn niet-rokende kamergenoten lieten merken er hinder van te hebben. Dat sprak voor hem vanzelf. Het schijnt mij toe dat in veel van de campagnes door de overheid de verkeerde argumenten gebruikt worden.

Hoofdargument is altijd: het schaadt de gezondheid van de roker. Terwijl het enige steekhoudende argument is: het hindert de niet-roker en schaadt waarschijnlijk de gedurige mee-roker.

Ten eerste is een tevreden roker geen onruststoker, zoals ons bijvoorbeeld de straf rokende Martin van Amerongen regelmatig voorhoudt.

Ten tweede gaan veel van de stevige rokers eerder dood dan de niet-rokers. Zij krijgen vaak longkanker en overlijden daaraan bovendien vrij snel, zonder een overmatig beroep te doen op langdurige en gespecialiseerde lichamelijke en geestelijke gezondheidszorg. Voor een samenleving die gebukt zal gaan onder een grijze golf van bejaarden die een zó grote financiële last gaat vormen dat men nu zelfs moet overwegen de AOW-pensioenen te verlagen, zou men toch positiever moeten staan tegenover een groep mensen die, tevreden rokend, verkiest een (gemiddeld) minder lange levensduur te hebben.

Een Rotterdamse collega uit de gezondheidseconomie rekende mij voor hoeveel geld een groep die door risicovol gedrag niet bijvoorbeeld gemiddeld 75 jaar oud wordt, maar slechts 68 jaar, de gemeenschap aan geld bespaart. En dit vooral door een minder duur beroep te doen op allerlei medisch-specialistische voorzieningen en op die voor de verzorging van demente bejaarden. Het is ook om deze reden dat een Engelse ziektekostenverzekeraar begonnen is aan stevige rokers een lagere premie te berekenen.

Dit criterium lijkt mij volkomen terecht toegepast, alleen nogal fraudegevoelig. Want hoe zal deze verzekeraar kunnen controleren of zijn laag-tarief-klant niet stiekem is gestopt met roken? Om deze reden zal ik dan ook niet voorstellen om rokers een lagere pensioenpremie en lagere premies AOW te laten betalen, ofschoon zij dat wel zouden verdienen.

Uit oogpunt van overbevolking en de steeds hogere kosten van gezondheidszorg verdient de roker die anderen hindert noch schaadt erkentelijkheid in plaats van verguizing.

Iets anders is het met de overlast die de roker bezorgt aan de niet-roker en de schade die de roker mogelijk toebrengt aan de gezondheid van de gedurige mee-roker. Op dit punt moeten de overheden en de werkgevers juist strenger worden. Maar laat men dan ook steeds dat argument - u hindert respectievelijk schaadt anderen - gebruiken, en niet het verkeerde argument - u schaadt uw eigen gezondheid.

Zo zou het aan taxichauffeurs verboden moeten worden in de taxi te roken. Ook zouden alle fatsoenlijke hotels rookvrije kamers op rookvrije verdiepingen moeten krijgen, zoals nu al in veel van de hotels in de Verenigde Staten het geval is. Alle restaurants zouden rookvrije gedeelten moeten krijgen en ook alle zomerse buitenterrassen.

De overheden en de actiegroepen tegen het roken zouden zich ook sterker op jonge ouders kunnen richten. Er zouden met onderzoeksfeiten gestaafde waarschuwingen kunnen uitgaan tegen de mogelijke schade toegebracht aan gedurig mee-rokende kinderen. Maar laat men alleenstaanden en kindervrije paren het plezier in het roken niet vergallen. Men roke en ruste in vrede.