Het stond in de sterren

TAMSYN BARTON: Ancient Astrology

245 blz., geïll., Routledge 1995, Reeks 'Sciences in antiquity', ƒ 130,70 (ƒ 47,50, pb)

Dat een serie over 'Sciences in antiquity' wordt geopend met een deel over antieke astrologie, zou nog niet zo lang geleden moeilijk denkbaar zijn geweest. Dat de astrologie antiek is, of nog ouder, willen de meeste mensen wel aannemen. Astrologen zelf beweren meestal dat hun wijsheid van oeroude Egyptische herkomst is. In werkelijkheid is de Westerse astrologie in Mesopotamië ontstaan, waarna de Grieken haar verder hebben uitgewerkt. Het oude Egypte heeft slechts enkele elementen geleverd. Wel schijnt het zo te zijn dat Egypte, en dan vooral Alexandrië, zich vervolgens tot een centrum van astrologische activiteiten heeft ontwikkeld, maar dat gebeurde pas onder Griekse invloed in de Hellenistische tijd.

Antiek is de astrologie dus zeker, maar met welk recht is het, althans in historisch perspectief, een wetenschap? Dat hangt er natuurlijk van af wat de historicus in het algemeen onder wetenschap heeft te verstaan. Over deze vraag valt veel diepzinnigs te zeggen en redacteur Roger French, doet dat in zijn introductie van de serie dan ook. Maar beter dan een theoretisch betoog toont Bartons concrete bespreking van de astrologie wat er met de nieuwe benadering van intellectuele geschiedenis te winnen valt.

Traditioneel beschrijft men de ontwikkeling van een wetenschap vooral aan de hand van handboeken. Men zoekt het oudst bekende handboek, vat dat samen, gaat dan naar het volgende handboek, en zo verder. Aan de hand van dit alles ontstaat een beeld van de wetenschap als een zich ontwikkelend samenstel van theorieën, uitlopend op de huidige toestand. Voor 'pseudo'-wetenschappen als astrologie geldt dat niet anders. Een recent voorbeeld is A history of western astrology van Jim Tester.

Een dergelijke geschiedenis is vooral een geschiedenis van technieken en begrippen. Dat heeft zijn nut, maar is slechts een deel van het verhaal. De astrologische technieken zelf zijn sinds hun totstandkoming in de Oudheid weinig meer veranderd, maar dat betekent niet dat verder geen verschuivingen zijn opgetreden. Moderne horoscopen pretenderen vooral een beeld te geven van het karakter van de boreling. Vroeger trok men de geboortehoroscoop met het oog op banalere vragen: Hoe oud zal de boreling worden? En hoeveel geld, goed, vrouwen en kinderen zal hij (inderdaad, zelden zij) bezitten? In Constantinopel was een van de populairste toepassingen van de astrologie het voorspellen van de uitslagen van de wagenrennen, een sport waarbij flink gegokt werd.

Een principiëler probleem is dat de 'handboeken' waar de historicus zich op baseert uiteraard geen handboeken zijn in de moderne zin. Het kunnen leerdichten zijn, of filosofische beschouwingen. De historicus leest ze alsof het handboeken zijn, maar in hoeverre dergelijke werken ook bedoelen elementair theoretisch onderricht te geven is de vraag.

Erkend specialisme

Op niet onvermakelijke wijze - door de antieke voorschriften los te laten op de horoscoop van prins Charles van Engeland - laat Barton zien dat louter op basis van antieke 'handboeken' geen zinnige horoscoop te trekken valt. Tal van theoretische mogelijkheden worden uiteengezet, maar zonder enig onderling verband, zodat alles elkaar voortdurend tegenspreekt. Als deze technieken al ergens toe dienden, dan kennelijk niet om duidelijke voorspellingen te krijgen.

Barton benadert de oude astrologie niet primair als een (pseudo-)wetenschappelijke theorie, maar als een vak, of in de termen van de tijd zelf, een technè. Het was een erkend specialisme met professionele beoefenaars. Als zodanig staat het vak op één lijn met andere technai als geneeskunde, bouwkunst en retorica. De theorie is daarbij secundair. Zij biedt niet meer dan een los raamwerk, waarop individuele astrologen vrij konden variëren. Barton bespreekt de belangrijkste beginselen wel, beknopt en heel helder, maar haar voornaamste aandacht gaat uit naar de astrologie als vak in zijn sociale context. Liever dan op oude handboeken baseert ze zich op bewaard gebleven horoscopen en op een grote menigte bronnen waarin de astrologie meer terloops aan de orde komt.

Van een esoterisch kennissysteem verandert astrologie daarmee in een alledaagse bezigheid. De systematische uiteenzettingen, 'handboeken', van astrologische kennis hadden niet zozeer een theoretisch doel, aldus Barton. Van de astroloog werden niet alleen duidelijke voorspellingen verwacht, hij moest ook voortdurend zijn kundigheid bewijzen. In een sterk oratorische cultuur als de Griekse betekende dat vooral: indruk maken met verbaal geweld vol theoretische subtiliteiten en spitsvondigheden. Een groot deel van de kennis moest niet zozeer dienen om voorspellingen te doen, als wel om collega's en andere concurrenten af te troeven. Voor veel andere vakken, zoals geneeskunde, gold volgens Barton iets dergelijks. Wij zien de wetenschap nog wel eens als uitvloeisel van het Griekse denken, maar het Griekse praten was zeker zo belangrijk.

Het is trouwens de vraag of een dergelijke definitie van wetenschap alleen op de antieke technai van toepassing is. Ook moderne wetenschap speelt zich niet altijd af in een Platoonse ideeënhemel. De literatuurlijsten en theoretische inleidingen die in sommige vakken min of meer verplicht zijn, lijken soms meer de functie te hebben te tonen dat de schrijver erbij hoort dan dat zij argumenten in het betoog vormen.

Zulk vertoon valt Barton niet te verwijten. Zij baseert zich zo veel mogelijk rechtstreeks op de bronnen en is spaarzaam met het citeren van secundaire literatuur. Dat is bewonderenswaardig, maar voor een boek als dit, dat zich uitdrukkelijk ook richt op de niet-specialist, zijn de bronverwijzingen wel wat cryptisch uitgevallen en bovendien zou men iets van een bibliografische wegwijzer voor verdere studie mogen verwachten. Maar dit is een van de weinige aanmerkingen op een bijzonder fraaie studie.

    • Rienk Vermij