Heinrich Schliemann (1822-1890); Pathologische archeoloog

DAVID A. TRAILL: Schliemann of Troy. Treasure and Deceit

365 blz., geïll., John Murray 1995, ƒ 62,95

Heinrich Schliemann leefde van 6 januari 1822 tot 26 december 1890. In die tijd zat hij zelden stil. Als self-made man vergaarde hij een fortuin, reisde de halve wereld rond, en wijdde vanaf zijn eenenveerstigste jaar zijn tijd aan het opgraven van Troje, Mycene en Ithaka. Door zijn adembenemende ontdekkingen in de volle tegenwind van de academische wereld werd hij de held aller amateur-archeologen en een culturele icoon van onze tijd. Zijn opgravingen luidden niet alleen het begin van de moderne archeologie in, maar ze betekenden ook dat de klassieke opvoeding en het gymnasiale wereldbeeld van de negentiende-eeuwse Westerse burgerij plotseling een tastbaar fundament had gekregen. Schliemann gaf Europa de materiële wortels in het Homerische verleden waarnaar het continent zo hunkerde.

Het verhaal van zijn leven is overbekend. Zijn psychische worsteling als zoon van een promiscue predikant, zijn nederige begin als winkelbediende en scheepsjongen, zijn ongelooflijke doorzettingsvermogen in het vloeiend leren van meer dan twintig talen (waaronder Nederlands, Slavonisch, Hindoestaans en Perzisch), zijn tomeloze energie in de handel en zijn uiteindelijke archeologische triomfen, het behoort allemaal tot de canon van de moderne mythologie. Er was een tijd dat zijn levensverhaal bijna als stichtelijker lectuur werd beschouwd dan de catechismus.

Evenzeer is trouwens bekend hoe Schliemann fabuleerde, hoe hij zijn dagboeken deels bij elkaar fantaseerde, hoe hij zich belangrijker voordeed dan hij was, hoe hij fraudeerde in de handel, hoe zijn autobiografie vol staat met geromantiseerde verzinsels, en hoe hij er zelfs niet voor terugdeinsde de waarheid duchtig op te rekken in zijn opgravingsrapporten. Wie nog eens overtuigd wil raken van die schaduwkant van de opgraver van Troje doet er goed aan de biografie Schliemann of Troy door David Traill te lezen. Deze van oorsprong Schotse classicus, die sinds jaar en dag is verbonden aan de Universiteit van Californië, geldt als een der grootste Schliemann-kenners (en -critici) van deze tijd.

Het ambivalente beeld dat oprijst uit Traills werk maakt Schliemann alleen maar te interessanter. Gemengde reacties heeft hij altijd opgeroepen. Er zijn van oudsher bewonderaars door dik en dun geweest, bijna hysterische aanbidders zelfs (ook onder klassiek archeologen), en anderzijds ook criticasters die beklemtoonden dat hij een bezeten amateur was, een fantast die opgravingen deed op de wijze waarop een boer aardappels rooit, en een spoor van vernieling trok door de plaatsen die hij onderzocht.

PionierIn de loop van de twintigste eeuw leek het alsof de oordeelsvorming over Schliemann enigszins tot rust kwam. Ondanks zijn fouten en fabulaties stond immers wel vast dat hij een grensverleggende pionier was die de prehistorie van een geheel werelddeel in een nieuw licht heeft gezet. Bovendien schenen navolgende, moderne opgravingen in grote lijnen zijn theorieën te ondersteunen. Schliemanns karakterfouten leken in dat licht zijn prestaties nog slechts te accentueren. Wat restte, was de bewondering voor zijn wonderbaarlijke ontdekkingen: Troje, Mycene, het Masker van Agamemnon, en de recent in Moskou teruggevonden 'Schat van Priamus'.

Daarom kwam het misschien toch als een schok dat uitgerekend op 6 januari 1972, precies hondervijftig jaar na Schliemanns geboorte, en nog wel in Schliemanns geboorteplaats Neubuckow in Mecklenburg, de aanval opnieuw werd ingezet. En ditmaal preciezer en grondiger dan ooit. De Amerikaanse classicus William M. Calder III gaf tijdens een herdenkingsrede een systematische en nauwgezette analyse van alle verzinsels in Schliemanns dagboeken. Het ging, zo bleek, niet om de op hol geslagen fantasie van een enthousiaste autodidact, maar om pathologische leugenachtigheid. Niet lang daarna openbaarde de Griekse archeoloog G.S. Korres dat Schliemann regelrecht bedrog had gepleegd in een wetenschappelijke publikatie.

Wederom viel de archeologische wereld in twee kampen uiteen. Opnieuw verschansten de bewonderaars zich in de loopgraven rond Schliemann, en opnieuw beukten de criticasters erop los. Hoe hoog de emoties opliepen, moge blijken uit de openlijke scheldpartijen op wetenschappelijke congressen en uit het feit dat Calder (die Schliemann onder meer omschreef als 'een fraudeur', 'vulgair', 'infantiel', 'gewetenloos' en 'psychopathisch') een tijdlang niet welkom was in Griekenland.

Tegenwoordig draagt David Traill de fakkel van de aanvallende partij. Hij doet dat hardnekkig en systematisch. In 1993 bundelde hij zijn even onbarmhartige als behartigenswaardige wetenschappelijke exercities in Excavating Schliemann en met deze biografie (verschenen bij Schliemanns Engelse uitgever John Murray) gunt hij een breder publiek een blik op zijn inkijkoperaties bij de malverserende Duitse archeoloog. Het resultaat is overtuigend, hoewel na bijna een kwart eeuw geredekavel niet in alle opzichten nieuw.

Dat sommige academische archeologen Traill nu al hebben beschuldigd van 'vulgarisaties en insinuaties' doet niets af aan het feit dat onomstotelijk vast komt te staan dat Schliemann de eerste helft van zijn leven bij elkaar fantaseerde en daarbij allerhande grote en kleine leugens niet schuwde. Van een jonge fascinatie met de Homerische epen blijkt geen sprake, de bewering dat hij in 1851 president Fillmore in het Witte Huis ontmoette, is een verzinsel, dat hij de grote brand in San Francisco meemaakte, blijkt een leugen - en zelfs een leugen voorzien van een foutieve datum - die hij componeerde uit kranteberichten.

Bovendien doet Traill nog eens uitgebreid uit de doeken hoe Schliemann in zijn wetenschappelijke werk rommelde en vervalste. De ontdekking van Troje op de heuvel van Hisarlik was niet het resultaat van een diep doorvoelde overtuiging, maar van een illegale wanhoopsopgraving op aanraden van de Amerikaan Frank Calvert, nadat hij eerst alle kaarten op de locatie Burnabashi had gezet. Juist over de meest ophefmakende vondsten uit Troje, zoals de 'Schat van Priamus', loog Schliemann dat het een aard had. Het is wel zeker dat de sieraden niet in één keer uit de grond kwamen, maar een verzameling vormen van allerhande vondsten uit diverse plaatsen, aankopen en wellicht vervalsingen. De rijke vondsten in Mycene (vooral de uitermate zonderlinge opeenhoping van goud in sommige schachtgraven) staan onder dezelfde verdenking. Het befaamde 'Masker van Agamemnon' is vrijwel zeker later bewerkt om het spectaculairder te maken, of misschien zelfs een regelrechte vervalsing die meer doet denken aan Kaiser Wilhelm (met opgekrulde snor), dan aan een Myceense aanvoerder.

Guilty as charged, zou je zeggen, maar zo eenvoudig ligt dat niet. De Grieken weigeren tot op heden de goudschatten van Schliemann vrij te geven voor onderzoek, en over de Schat van Priamus, die binnenkort in Duitsland wordt tentoongesteld, zal zich ook eerst in stilte een commissie van wijze mannen buigen. Zonder definitieve studie blijven de ernstige beschuldigingen steken in circumstantial evidence.

Een groter bezwaar is dat Traill niet toekomt aan het centrale probleem omtrent Schliemanns opgravingen. Wat was het precies dat hij ontdekte? Zelf was hij ervan overtuigd met zijn vondsten in Troje en Mycene de historiciteit van de Ilias en Odyssee te hebben bewezen. Velen dachten en denken dat met hem, en vandaar dat de discussies over Schliemann zo'n emotionele en culturele lading hebben. De vraag is dus: bewijzen de ruïnes bij Hisarlik die Schliemann blootlegde op enigerlei wijze dat de gedichten van Homerus op waarheid berusten, en dat hier het startpunt van de Europese beschavingsgeschiedenis tastbaar voor ons ligt?

Het antwoord is: neen. De opgravingen van Schliemann (wiens chronologie in ieder geval ver mis was), noch die van zijn veel secuurdere en moderner opvolgers Dörpfeld en Blegen bewijzen niets over de Homerisch epen. De naam Troje of melding van de Trojaanse oorlog komt in geen enkel ander document voor dan in de heldengedichten. Zolang dat zo blijft, kan geen enkele opgraving van een kleine vesting die duizenden jaren voor en na de hypothetische datum van de oorlog in gebruik was, en getroffen is door ten minste twee grote aardbevingen, ook maar in de verste verte duidelijkheid verschaffen over de geschiedkundige grondslag van de Ilias en Odyssee.

Archeologen willen altijd graag 'iets' vinden. Is het niet Troje, dan toch wel 'het Paleis van Odysseus', de burcht van de heren van Aemstel, of het graf van Alexander de Grote. Archeologie kan waarschijnlijk niet zonder die romantische drijfveer, maar het is altijd weer afwachten of het zelf-corrigerend mechanisme op tijd in werking treedt.

Uiteindelijk verbleekt zo de vraag in hoeverre Schliemann een pathologische fabulator was bij een veel nijpender kwestie: is er ooit een Trojaanse Oorlog geweest, en bestond Troje eigenlijk wel?