Gregorius

GREGORIUS VAN TOURS: Historiën

Vertaald door F.J.A.M. Meijer

672 blz., Ambo 1994, ƒ 99.-

De katholieke kerk is de geest van het Romeinse rijk die gekroond op diens graf zit. Deze typering door de achttiende-eeuwse historicus Edward Gibbon spookt voortdurend door het hoofd bij lezing van de Historiën van Gregorius, bisschop van Tours (ca. 538-594). In het machtsvacuüm na het verdwijnen van de Romeinse legioenen uit Gallië moesten de bisschoppen maar zien zich staande te houden. Gregorius verontschuldigt zich dan ook bij zijn lezers dat hij “de wonderen van de heiligen en de slachtingen onder de volkeren door elkaar heen en zonder vast patroon” beschrijft, maar “het is niet mijn lichtzinnigheid als schrijver die mij hier toe dwingt, doch de loop der gebeurtenissen”.

“Een schurkenstreek is geen schurkenstreek zolang de schurk de almacht van de ware God erkent”, zo typeert M.A. Wes in zijn uitvoerige inleiding tot de fraaie vertaling van de Historia Francorum door F.J.A.M. Meijer, een centraal thema van het werk. Meijer is er goed in geslaagd de boerse taal van Gregorius om te zetten in prettig leesbaar, soms haast babbelend Nederlands.

De zesde eeuw was een zware tijd. De Frankische koning Clovis had het sterk geromaniseerde Gallië aan het begin van de eeuw veroverd op allerlei andere Germaanse stammen die er waren binnengetrokken na de val van Rome. Clovis bekeerde zich tot het christendom en ondanks zijn vele ruwe moorden - in alle openheid door Gregorius beschreven - wordt hij daarom zeer geprezen door de bisschop. Na zijn dood werd Francia opgedeeld tussen de beschikbare zonen. Omdat de onderlinge moorden het aantal erfgenamen voortdurend beperkte, bleef het bij een viertal deel-koningen die vrolijk onderling burgeroorlogen voerden.

In dat verscheurde koninkrijk moesten de bisschoppen zich handhaven, tegen plundertochten van soms ketterse Germaanse legers, tegen nachtelijke invallen in kerkgebouwen. Macht in de vorm van soldaten of zwaarden had de kerk niet. Maar er was een hogere macht: van wonderen ging veel dreiging uit. Gregorius laat in zijn verhalen een ware slachting plaatsvinden onder vijanden van de macht van de kerk. Plotselinge ziektes, ingewanden die met de ontlasting meekomen, heiligen die zondaars in hun slaap doodslaan: de almachtige God beschikte wel degelijk over een ordedienst. Onder meer op deze tovermacht van dode heiligen steunt de soms wankele macht van de bisschoppen. In de Historia staat steeds dezelfde boodschap centraal, schrijft Wes: 'God is de baas'.

Toch bestaan de Historia uit meer dan fraaie beschrijvingen van machtsstrijd, vreemde wonderen en moreel cynisme ter meerdere glorie van God en Zijn kerk. Regelmatig biedt de tekst zicht op het dagelijks leven en soms op 'moderne' emoties. Zo schrijft Gregorius over een epidemie die in augustus 580 uitbreekt: “Wij verloren onze kinderen, die ons zo lief en dierbaar waren. Wij hadden hen gekoesterd op onze schoot, gewiegd in onze armen, eigenhandig gevoed en liefderijk grootgebracht. Maar wij droogden onze tranen en zeiden met de heilige Job: 'De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen'.”