Filosofie van de ontbinding

CHARLES VERGEER: Een verlies van vleugels

269 blz., Sun 1995, ƒ 34,50

Het Romeinse denken geniet in de geschiedenis van de filosofie geen hoge reputatie. Het was, vinden de meeste handboeken, een allegaartje van tweedehands ideeën. Wie in de oudheid naar oorspronkelijkheid zoekt, kan beter bij de Grieken terecht. De Romeinen deden niet meer dan hen napraten met de geestloze slaafsheid van bureaucraten die zich na een leven van bestuur en beheer ook wel eens wilden buigen over de zin des levens. Charles Vergeer verzet zich in zijn boek Een verlies van vleugels tegen die opinie. Het Romeinse denken (of liever: de filosofie ten tijde van de Romeinse opperheerschappij) was, zo stelt ook hij vast, een voortzetting van de Griekse filosofie. Maar verre van slaafs te zijn, bezat het een eigen stijl en kwam het in de filosofische speculaties ook verder.

Of die voortgang altijd winst was, lijkt ook voor Vergeer de vraag. De melancholieke titel die hij aan zijn boek meegaf drukt een verarming uit. De filosofie heeft zich bij Plotinus, aan het eind van de derde eeuw, losgemaakt van het gesprek, dat bij Plato nog haar eminente medium was, schrijft hij. Ze heeft zich ook ontworsteld aan het concrete taalgebruik dat haar in eerder eeuwen nog bij de aarde hield. Terwijl ze zich steeds meer op een bovenaardse, absolute werkelijkheid richte, werd ze een 'wetenschap' met een eigen, abstracte terminologie zonder kraak of smaak.

Net als in zijn vijf jaar geleden verschenen boek Eerste Vragen (over de Griekse filosofie) besteedt Vergeer veel aandacht aan de verschuivingen die de kernwoorden van de filosofie in de loop der eeuwen hebben ondergaan. Wat gebeurde er toen het Griekse aioon tenslotte aeternitas wordt? vraagt hij zich af. Ze betekenen allebei 'eeuwigheid', maar het Griekse woord, dat de bestendigheid van de grond van het bestaan aanduidt, klinkt heel anders dan de Latijnse eeuwigheid, die niet de bedding van de tijd maar juist de ontkenning van alle tijd is.

Voor Augustinus is God de eeuwigheid en de enige volheid, waartegenover het ondermaanse alleen maar gebrekkigheid kan zijn. De gevolgen laten zich raden: de filosofie zal het eeuwenlang alleen nog maar om die onaardse eeuwigheid te doen zijn. Zo sluit Augustinus een lange ontwikkeling af. “Bij Plotinus”, aldus Vergeer, “verschijnt alles (nog) in het licht van de eeuwigheid. Maar na hem, bij Augustinus, dooft die glans. Het lux aeterna straalt mogelijk nog heviger, maar de aardse werkelijkheid wordt dof.” Het zijn niet alleen trefzekere passages als deze die dit boek zo bijzonder maken. Het is vooral de wijze waarop Vergeer de antieke filosofie terugplaatst in haar medium: allereerst in de taal, maar ook in het intellectuele milieu waarin zij zich bevond. Net als in Eerste vragen beklemtoont Vergeer de nauwe verwevenheid tussen filosofie en religie, en de grote verwantschap tussen wijsgeren en godsdienstige denkers. Dat gold niet alleen voor de oudere perioden van de Romeinse geschiedenis, die geheel van religio doortrokken waren, maar ook voor het Keizerrijk.

De vroeg-christelijke denkers, die men in de geschiedenis van de filosofie met uitzondering van Augustinus slechts zelden vermeld ziet, krijgen bij Vergeer dan ook een volwaardige plaats toegewezen. Niet alleen wilden zij serieuze gesprekspartners zijn van het hellenistische denken, de ontwikkeling van de filosofie is zonder hen niet goed denkbaar. Een strikt onderscheid te maken tussen theologie en filosofie is, aldus Vergeer, niet alleen anachronistisch; het verwringt het beeld van het antieke denken en maakt de wendingen die het doormaakt nodeloos raadselachtig.

Met zijn behandeling van het Marcus- en Johannes-evangelie brengt Vergeer bewust een schokeffect teweeg. Maar zijn argumenten zijn overtuigend: zonder het Johannesevangelie zou de logos nooit de rol hebben kunnen spelen die hij gekregen heeft. En zonder logos geen twee-naturenleer (Christus was God èn mens tegelijk) waarmee niet alleen een brug tussen God en wereld geslagen werd, maar tegelijk de kloof daartussen, die in de besproken periode steeds wijder werd, extra werd beklemtoond.

Vergeer herschrijft de filosofie van het oude Rome op originele, overtuigende en bij vlagen virtuoze wijze. Zonder denkers als Seneca en Cicero te kunnen (of willen) redden van hun roep eclectici te zijn geweest, laat hij zien hoe zij in een wankel geworden bestaan zochten naar een filosofie die op de perplexiteiten van de tijd antwoord gaf. Daarbij ging het niet alleen om politieke onzekerheid, maar minstens evenzeer om een metafysische ontregeling. De kosmos was niet langer - zoals in het oude Griekse denken - een plaats waarin men zich thuis voelde en die geborgenheid bood. Die zorgzame duurzaamheid werd verdrongen door een pijnlijk gevoel van tijdelijkheid, waarin niets zeker was en alles verdwijnt in de afgrond van de tijd. “In plaats van een natuurlijke ordening kwam de kortstondige koorts van ons vege en te snel vervlietende tijdelijke bestaan,” schrijft Vergeer.

Dat is een filosofie van een fin-de-siècle, ook al zou dat einde zich nog eeuwenlang blijven rekken. Tegenover het Griekse denken, dat zich zo nauw verbond met de natuur en haar levenskracht, ruikt de filosofie in de Romeinse tijd naar ontbinding. Ook dat laat Vergeer beeldend zien aan de hand van de lotgevallen van het woord telos, 'doeleinde'. Klonk dat in het Grieks nog naar de ontplooiingskracht van elk levend wezen en de volgroeiing daarvan, in de Latijnse terminologie werd het een eindpunt. Het doel van het leven werd meteen de grens ervan: in extremis; het leven stond niet langer uit naar zijn ontplooiing, maar naar de dood. Dat klinkt bekend. Omschreef ook Heidegger het bestaan al niet als een Sein-zum-Tode?

Dat is niet de enige overeenkomst met het huidige tijdsgewricht die zich bij de lezing van Vergeers boek opdringt. “Voor Augustinus,” schrijft hij, “was het bestaan een kapotte zaak - 'uiteengespat in de tijden, waarvan ik de orde niet ken',” zoals Augustinus het zelf verwoordt. Menige postmodernist zou het niet anders zeggen. Vergeer laat deze parallellen met het heden vrijwel steeds impliciet. Hij laat de Romeinse filosofie spreken met eigen mond, maar op een wel heel eigenzinnige en intrigerende wijze. Aangrijpender kan het verhaal van het verleden moeilijk zijn.

    • Ger Groot