Een koning zonder fouten

N.G.L. HAMMOND: Philip of Macedon

234 blz., geïll., Johns Hopkins U.P. 1995, ƒ 72,50

De Duitse historicus Beloch heeft eens gezegd dat wij maar drie figuren uit de Oudheid enigszins als persoonlijkheden kennen, zodat van hen dus biografieën in de moderne zin van het woord te schrijven zouden zijn: Cicero, keizer Julianus de Afvallige en Augustinus. Want alleen zij hebben voldoende brieven en ander autobiografisch materiaal nagelaten. Alle andere figuren, zelfs de zeer grote als Caesar en Augustus, Plato en Aristoteles, zijn in laatste instantie slechts silhouetten, schimmen die wel bewegen, handelingen verrichten en uitspraken doen, maar uiteindelijk ontastbaar blijven.

Misschien was Beloch, zoals zo dikwijls, iets te kritisch en te sceptisch. Maar dat Philippus van Macedonië, de vader van Alexander de Grote, niet als vierde aan zijn rijtje zal worden toegevoegd, is wel zeker. Dat leert ten overvloede dit boek van de Britse emeritus hoogleraar Oude geschiedenis N.G.L. Hammond. Toegegeven, de auteur heeft ervoor gewaakt het de ondertitel A biography of iets van die strekking mee te geven. Het heeft in het geheel geen ondertitel, terwijl A political history of Greece, 359-336 B.C. toch heel passend geweest zou zijn. Want het gaat hier om een politieke geschiedenis van Griekenland in die jaren, een gedetailleerd en zeer feitelijk relaas, op strikt chronologische wijze geordend. In dit opzicht is Hammond een navolger van de door hem ook dikwijls genoemde antieke historicus Theopompos van Chios, die een lijvige geschiedenis van Griekenland in de vierde eeuw onder de titel Philippika of Philippikai Historiai schreef, zozeer werd die geschiedenis door het optreden van deze ene figuur gedomineerd.

Vooruitziende blik

Ook in het boek van Hammond is het de koning van Macedonië, die de gang der gebeurtenissen in de Griekse wereld beïnvloedt, leidt en uiteindelijk dicteert. Het is een ordeningsprincipe dat ten dele al door de bronnen zelf gegeven wordt en dat daarom zowel verhelderend als misleidend werkt. Bijna onvermijdelijk wordt Philippus de spil van alle ontwikkelingen en krijgt hij, naarmate de gebeurtenissen steeds meer in zijn voordeel uitvallen, een planmatige opzet en zelfs een vooruitziende blik toegeschreven. Het is een opeenvolging van successen, behaald door een man die, op het politieke en militaire vlak, eigenlijk geen fouten heeft gemaakt.

Dat de lezer bij dit alles geen werkelijk beeld van Philippus krijgt, zal nu niet verwonderen. De schrijver doet er zelfs geen poging toe. Dat laatste is teleurstellend. Want ook al mag het onmogelijk zijn om een werkelijk 'portret' van deze man te schetsen, er zijn toch enkele gegevens die iets van een ruwe 'compositietekening' mogelijk zouden kunnen maken: zo bijvoorbeeld zijn vaak vermelde hoffelijkheid en innemendheid tegenover Griekse, in het bijzonder Atheense politici, naast het bericht dat hij eigenhandig een van de koninklijke pages wegens ongehoorzaamheid zou hebben doodgeslagen; zijn dikwijls humane optreden in veldtochten tegen Griekse tegenstanders, naast voorbeelden van ongehinderde moordlust, met als dieptepunt de terechtstelling van 3.000 krijgsgevangenen na de slag op het Crocusveld in Thessalië, die hij van de rotsen in zee liet gooien; zijn tact en sluwheid in de diplomatie, naast zijn kennelijke gevoelloosheid in de omgang met Olympias en hun zoon Alexander, om maar enkele trekken te noemen. Dat zijn vermoording in 336 met de genoemde familieruzie iets te maken gehad kan hebben, ontkent Hammond: die zienswijze valt te verdedigen, maar is toch niet zo vanzelfsprekend als de auteur doet voorkomen.

Intussen is de geschiedenis van de jaren 359-336 wonderbaarlijk genoeg, om niet te zeggen adembenemend. Uit het niets was Macedonië omhooggekomen, van een boerenlandstreek aan de noordrand van de Griekse wereld (ongeveer het gebied van het huidige Saloniki met een kuststrook naar het zuiden), dat in 359 ernstig gevaar liep om door 'Illyrische barbaren' onder de voet te worden gelopen, was het in twintig jaar tijds uitgegroeid tot een staat die van de Adriatische tot de Zwarte Zee reikte en op het punt stond het Perzische wereldrijk te veroveren.

Zoiets vraagt om enige verklaring. Hammond, die een groot kenner is van de Macedonische geschiedenis, wijst wel op het een en ander, maar het is in verhouding tot zijn gedetailleerde beschrijving van allerlei evenementen summier en soms ook iets te makkelijk. Of het feit dat horigheid en slavernij in het traditionele Macedonië nagenoeg ontbraken, zo'n belangrijk verklaringselement is als de schrijver wil is twijfelachtig. Horigheid belette het klassieke Sparta niet om lange tijd de sterkste militaire macht in de Griekse wereld te zijn, terwijl het al vroeg door Philippus geïncorporeerde Thessalië zijn eigen type van horigen kende; slavernij heeft verder de Romeinen in de tijd van de Republiek niet belemmerd in hun verovering van het hele Middellandse-Zeegebied.

Meer ter zake is de observatie dat Macedonië een staat was die in principe uit kon dijen over een steeds groter territorium, omdat het aan de koning was vreemdelingen de status van Makedones te verlenen, een situatie die radicaal afweek van de Griekse polis die haar burgerrecht altijd angstvallig beperkte tot de autochthone bevolking van haar meestal kleine territorium. Zo kon Macedonië, net als Rome, in gebied en mankracht groeien totdat het te sterk werd voor zijn buren en de annexaties en allianties in een stroomversnelling raakten. In dit opzicht bleek juist de in vergelijking met de Griekse steden achtergebleven politieke en sociale ontwikkeling van het land een voordeel te zijn, toen het eenmaal de bedreigingen van zijn buren overwonnen had en zelf tot de aanval over kon gaan.

Voor dat laatste was wel een aansluiting bij de nieuwste stand van de militaire techniek een vereiste. Die aansluiting was inderdaad het werk van Philippus en terecht noemt de schrijver dan ook de militaire factor als een verdere verklaringsgrond voor die verbazingwekkende opkomst van Macedonië. Maar heel veel wijzer wordt de lezer daar weer niet van. Want Hammonds behandeling van het Macedonische leger is summier en vaag; niet alleen worden beruchte kwesties als de vraag wie of wat de hypaspistai nu eigenlijk waren nauwelijks aangeroerd, ook krijgt men geen voorstelling van de Macedonische phalanx en van het krachtsverschil met de traditionele hoplieten-phalanx van de Griekse steden. De beschrijving van de cruciale slag bij Chaironeia (338 v.C.) blijft, zoals zoveel in dit boek, vlak en de gebeurtenissen komen niet tot leven. Wel wijst de auteur, terecht, op het gebruik door Philippus van de nieuwste belegeringstechnieken van zijn tijd: stormrammen, katapulten en bewegende torens luidden inderdaad een nieuw tijdperk in.

Schaker

Zo blijft de lezer achter met een boek dat niet veel meer dan een opsomming geeft van de gebeurtenissen en daarbij ook niet echt nieuw of verrassend is, op een enkel detail na. Het middelpunt van alles is Philippus, die de ene zet na de andere doet, als een vooruitdenkend schaker. Al vanaf 346 v.C. wijdde hij zich systematisch aan het creëren van de juiste voorwaarden voor een veroveringsoorlog tegen Perzië - in 337 waren die voorwaarden vervuld en konden de eerste troepen oversteken. Het is allemaal net iets te gemakkelijk.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat Hammonds boek voor wie op zoek gaat naar de feiten en feitjes van het verhaal een bron van geleerdheid is. Terecht benadrukt de schrijver het Griekse karakter van Macedonië en zijn bevolking, wat tegenwoordig weer niet zonder betekenis is. Bovendien besteedt hij aandacht aan de schitterende vondsten van de graven van Vergina in 1977 en roemt hij de hoge artistieke kwaliteit van de voorbeelden van schilderkunst en metallurgische techniek die daarbij aan het licht gekomen zijn. Ook het portret van Philippus valt nu, in fysieke zin, te reconstrueren. Maar de dagen dat men uit iemands gelaatstrekken het karakter afleidde zijn wel voorbij en daartoe heeft de schrijver zich ook niet laten verleiden.