Dikhuiden door klassieke bril

ROGER FRENCH: Ancient natural History

357 blz., geïll., Routledge 1995, ƒ 50,40

De Griekse wijsgeer Aristoteles was, dank zij de veldtochten van Alexander de Grote, bekend met olifanten. In zijn boek De Anima (Over de ziel) beschrijft hij hoe, ter wille van de lieve vrede, in India de mannetjesolifanten van de vrouwtjes apart worden gehouden, en hoe beide geslachten hun nut bewijzen bij oorlog. De olifant, aldus Aristoteles, leert snel knielen, bijvoorbeeld voor een koning, en heeft ingewanden die sterk lijken op die van een varken. Om ze koest te houden volstaat een dieet. De winderigheid en slapeloosheid die daarvan het gevolg zijn bestrijdt men met olijfolie, zout, honing en geroosterd varkensvlees.

Een kwart van Aristoteles' oeuvre is gewijd aan natuurhistorie. In totaal 560 diersoorten komen aan bod, niet op zichzelf staand maar ter verduidelijking van een rationele wereldbeschouwing. Die bood ruimte aan een imperfecte natuur. Zo was er bij dieren met tanden in boven- en onderkaak geen aardse materie meer over voor hoorns, en haaiesoorten met een stugge huid moesten het doen met minder stevige botten: op is op. Maar de natuur doet niets 'zomaar', wat Aristoteles illustreert met de slurf van de olifant: handig om in diep water mee te kunnen ademen en bij gebrek aan geschikte voorpoten alsnog een 'hand'.

Heel anders keek de Romein Plinius (23-79) naar de olifant. Uit zijn encyclopedische verzamelwerk Naturalis Historia spreekt een natuur die met haar voortbrengselen speelt, die voor spektakel zorgt, die de mens een zegen is. Zo beschrijft Plinius hoe reuzenslangen uit bomen olifanten aanvallen. Wanneer de olifant zich van zijn belager wil ontdoen, bijvoorbeeld door tegen de stam te schuren, belet de slang dit door met zijn staart de vier poten te omwikkelen en tegelijk met zijn bek de slurf af te knijpen. Als de olifant is gestikt en omvalt, verplettert hij de slang.

Plinius projecteert in de olifant een model-Romein: het dier is intelligent, begrijpt bevelen en voert ze ook uit, onthoudt de plichten die hem zijn bijgebracht en verheugt zich in een overwinning. Rechtschapen, zorgvuldig en eerlijk: legionairs konden er een voorbeeld aan nemen. Olifanten zouden de hemellichamen vereren en omdat ze niet bijster goed konden dansen was het wellicht geen schande om hetzelfde bij de Romeinse man te constateren.

Het zijn fantastische verhalen waaruit niet zelden een onkritische houding jegens bronnen spreekt. Zo verhaalt Plinius van een kwartet olifanten die al koorddansend een draagbaar tillen met een vijfde exemplaar dat zich voordoet als een barend vrouwtje. 'Het is verrassend dat olifanten kunnen touwklimmen', schrijft de Romein zonder blikken of blozen, 'en nog verrassender dat ze omlaag kunnen.'

Ruim honderd jaar later moet Claudius Aelianus weinig hebben van nostalgie naar oude verheven Romeinse waarden en om dat te benadrukken schrijft hij in het Grieks dierenverhalen met een moraal. Bijvoorbeeld over koning Porus, wiens olifant na de veldslag met Alexander zijn meester de speren uit het lijf trekt en hem voorzichtig op de grond vlijt. Of over het witte olifantje, grootgebracht door een Indiase boer, dat wordt begeerd door weer een andere koning. Man en dier vluchten de woestijn in en wanneer een legerpatrouille op ze wordt afgestuurd verdedigt het olifantje zijn meester met verve tegen zijn belagers. De mens, zo pepert Aelianus de lezer met zijn parabels nog eens in, is slecht.

Dat vonden ook de Christenen, al verwierpen zij Aelianus' godendom en stelden er een alomtegenwoordige Schepper voor in de plaats. In de Physiologus, een tekst uit de tijd van Aelianus, wordt de olifant voor weer een ander karretje gespannen. Nu is hij een rein dier dat slechts copuleert om nageslacht te verwekken. Zijn vrouwtje neemt hij mee naar het Oosten, naar de madragoraboom bij het Paradijs. Zij plukt een vrucht, verleidt hem ervan te eten en raakt zwanger zodra hij hapt. Als het tot baren komt, en het vrouwtje tot aan haar buik te water gaat, waakt het mannetje voor de slang. Omvallen mag hij niet - volgens de Physiologus hadden olifanten geen gewrichten in de poten - en doet hij dat toch, dan kunnen twaalf volwassen soortgenoten hem niet helpen maar een klein Christusolifantje wel.

De natuurhistorie van de Klassieke Oudheid had niets met wetenschap te maken, aldus Roger French, hoogleraar wetenschapsgeschiedenis in Cambridge. In zijn boek Ancient Natural History analyseert de Brit met veel kennis van zaken de complexe verhouding tussen de verzamelingen historiae, zaken die het waard waren beschreven te worden, en de filosofische opvattingen die Grieken, Romeinen, joden en christenen er op nahielden. Van continuïteit in ideeën is geen sprake, zo constateert French. Eerder ziet hij wijsgerige stromingen steeds datgene uit het bronnenmateriaal selecteren wat in de eigen kraam te pas komt. Iedere poging om geïsoleerde stukjes Griekse natuurhistorie als modern te bestempelen, in de zin van objectief, a-religieus, experimenteel, technisch georiënteerd en wiskundig, miskent volgens French de totaalvisie waarin ze opgenomen waren. Manipulatie van de natuur leidde in die visie niet tot wezenlijke kennis. Wat zouden de Grieken met moderne wetenschap? Ze hadden wel wat anders aan hun hoofd.

    • Dirk van Delft