De wansmaak van een streekbusje

Toen ik het liedje enkele weken geleden voor het eerst op de autoradio hoorde, keek ik eens goed naar het landschap. In welke achterhoek van ons land bevond ik mij eigenlijk, welke regio bood mij hier via de FM-band een staaltje van haar culturele kunnen?

Ik keek ook op de datumfunctie van mijn horloge om er zeker van te zijn dat de ochtendspits niet toevalligerwijze voor veertig jaar vertraging had gezorgd. Want het taaltje waarin gezongen werd, de kleutermelodie, het ene akkoordje dat met moeite uit de slaggitaar geperst werd, alles wees op een poging tot humor van twee Drentse jeugdleiders die in hun muzikale vorming niet verder waren gekomen dan de Spelbrekers. Maar het was 1995, ik stond vast op de ringweg rond Amsterdam met rechts de Bijlmer en links Watergraafsmeer, en het liedje ging over een eigentijds onderwerp: heroïneverslaving.

Inmiddels is het nummer Busje komt zo, want over dit pareltje van regionale huisvlijt hebben we het, tot megahit gedraaid en wordt het van Lauwersoog tot Stampersgat in elke disco meegebruld. De pointe van het lied is dat twee junks doodgereden worden door een methadonbus.

Humor dus. Sinds Willumpie van André van Duin heeft het publiek niet zo onbarmhartig kunnen schateren om een groep maatschappelijke pechvogels. En niet alleen in de disco's, ook in de hogere en wat bedaarde kringen grinnikt men mee. Zelfs de hoofdredactie van deze krant vond het liedje onlangs leuk genoeg om als kop te gebruiken boven haar commentaar op de privatisering van het openbaar vervoer.

Hoe is het succes van dit smakeloze deuntje te verklaren? Is het inderdaad een mooi voorbeeld van de culturele regionalisatie die in Europa vorm begint te krijgen?

In ons land heeft de humor op dit gebied altijd al een voorhoedefunctie gehad. In geen enkele andere kunstvorm wordt het provinciale idioom zo gekoesterd, en taalkundig zo ontwikkeld, als in het Nederlandse cabaret. Het perfect beheersen van een dialect is de noodzakelijke en vaak ook enige voorwaarde om een zaal plat te krijgen. Uiteenlopende komieken als Gaaikema (Gronings), Finkers (Twents), Teeuwen (Brabants), Van 't Hek (Goois) en Kaandorp (Haarlem-Noords) leveren daarvan dagelijks het bewijs.

Wat deze humoristen met elkaar op zo'n manier in stand houden, is het idee dat Nederland bestaat uit een bizarre verzameling, in regio's ondergebrachte zotten. Over die vreemde mensensoorten komen ze ons dan een avond lang onderhoudende verhalen vertellen.

Het paradoxale is nu dat de mensen over wie het gaat, de streekgenoten thuis, daar zelf helemaal geen moeite mee hebben. Integendeel, ze zijn maar wat trots op hun beroemde vertegenwoordigers die hen op de randstedelijke podia door het slijk halen. Dat geeft allemaal niks. Zolang er over hem gesproken en gezongen wordt, in een eigen taal bovendien, blijft de provinciaal overeind in de culturele maalstroom van de mediamaatschappij, en went hij aan iets waar hij vroeger geen benul van had: zijn regionale identiteit.

Ook al is die identiteit afhankelijk van de mate waarin een ander erom moet lachen, de streekbewoner gaat het hoe langer hoe mooier vinden. Hij is zelfs bereid daarvoor 's avonds een cursus dialect te volgen. Ook omdat hij beseft dat je geen groot cabaretier hoeft te zijn om daar flink aan te verdienen.

In dit licht gezien is Busje komt zo kenmerkend voor dit nieuwe streekbewustzijn. Verpakt als cabaret wordt hier met een onverdraaglijke botheid het leven in de grote stad geridiculiseerd door twee lolbroeken, die tussen de schuifdeuren van hun provincie, de junk in de verte het liefst doodgereden zien worden. Zonder het vakmanschap en de zelfspot die de cabaretier nodig heeft om in een zaal overeind te blijven, maar wel in hetzelfde lijzige dialect, dat als keurmerk dient van wat leuk is in ons land, bestormt dit regionale wanprodukt de nationale hitlijsten.

De reden om bij dit alles zo lang stil te staan is dat, als de bovenstaande analyse juist is, het dodelijke methadonbusje niet alleen consequenties heeft voor het niveau van het vaderlandse lied, maar ook voor de toekomst van de parlementaire democratie in ons land. Hans van Mierlo heeft namelijk vorige week, na dertig jaar zeuren, eindelijk een van zijn staatkundige stokpaardjes kunnen slijten bij zijn collega's in de paarse coalitie: er wordt een begin gemaakt met de invoering van een soort districtenstelsel.

De kiezer mag in de toekomst bij de parlementsverkiezingen twee stemmen uitbrengen. Een op een landelijke kandidaat, en een op een regionale kandidaat. Die laatste moet ervoor zorgen dat de kiezer zich meer kan identificeren met de politiek in Den Haag. D66 vindt dat heel belangrijk want zo wordt “de kloof tussen kiezer en gekozene” goeddeels gedicht.

Dat zal best, moeten we vrezen. Het nieuwe streekbewustzijn zorgt ervoor dat straks de Tweede Kamer voor de helft bestaat uit lieden die menen van huis uit lollig genoeg te zijn om het parlement plat te krijgen met hun visie op de grote stad. Dat zal de populariteit van de politiek zeker ten goede komen, maar of de democratie daarmee een dienst wordt bewezen moet vooralsnog worden betwijfeld.

    • Jaap Boerdam