De oorlog tegen drugs is volstrekt onredelijk

Elke dag wordt een belangrijk deel van het nieuws gewijd aan rapportages over de oorlog tegen de vijand die nu de vijand van de hele wereld is geworden: drugs. Deze oorlog krijgt volgens A. van Danztig en H. Drion steeds absurder trekken. Zo blijkt hij een goudmijn voor hen tegen wie hij wordt gevoerd. Bovendien brengt hij zó veel schadelijke gevolgen met zich mee, dat het urgent wordt alternatieven te bezien.

In 1967 kondigt Nelson Rockefeller, goeverneur van New York, een “unending war” tegen drugs aan, en in 1972 worden drugs door president Nixon tot public enemy nummer één verklaard. Iedereen begreep dat zij daarmee niet de produkten van de farmaceutische industrie bedoelden, en ook niet alle genotsmiddelen met een mogelijk schadelijke werking, zoals alcohol of nicotine, maar een speciale groep stoffen: de produkten van de hennep- of cannabisplant, marihuana en hasj, en de roes-, genots- of verdovende middelen die van de papaver of de cocaplant zijn afgeleid, heroïne en cocaïne. In die beide categorieën is natuurlijk produktvariatie opgetreden, zoals ook bij alcohol, zij het niet op zo grote schaal, maar deze drie groepen, cannabis, opiaten en cocaïne zijn toch de verklaarde vijanden tegen wie de oorlog wordt gevoerd.

Die oorlog is niet kinderachtig aangepakt, noch door ons, de goeden, noch door hen, de slechten. Er gaat geen dag voorbij waarop het nieuws ons geen berichten van het slagveld stuurt: arrestaties, doodvonnissen, onderschepte transporten, corruptie van gevangeniscipier tot minister, militaire expedities in de jungle van Zuid-Amerika om plantages plat te branden en honden om aan mensen en koffers te ruiken, kleine criminaliteit: opengebroken auto's en berovingen, grote criminaliteit: inzet van vliegtuigen en zeeschepen, miljardenwinsten, discussies over verplicht of vrijwillig afkicken en het verschil tussen een misdadiger en een patiënt, over coffeeshops die wel hasj mogen ver- maar niet inkopen en hun juridische en morele status, over de definitie van gedogen, over de geloofwaardigheid van de politie en zijn opsporingsmethoden, de minister, de politiek, over de internationale betrekkingen die geschaad worden en over de toekomst van een vrij Europa als we niet op één lijn zitten met de buren, over de jeugd en zijn toekomst, over de omvang van het probleem: hoe klein het is vergeleken met het alcoholprobleem, hoe groot het potentiële gevaar door de wezenlijk andere verderfelijkheid van die middelen, over de status van de gebruiker: misdadiger of slachtoffer, crimineel of patiënt, over de parlementaire enquête en de onderste steen (de onze, niet de hunne!) - elke dag wordt een belangrijk deel van het nieuws gewijd aan rapportages over de oorlog tegen de vijand die nu de vijand van de hele wereld is geworden.

Men kan daar verschillend over denken, en doet dat ook. Er zijn mensen, onder wie zeer deskundigen, die menen dat het met de drugs wel meevalt en dat niet het gebruik, maar het verbod aansprakelijk is voor de omvang van het probleem. Zij stellen dat het uitgangspunt dat de middelen in kwestie zo verslavend zijn dat iedereen die ze gebruikt noodzakelijk verslaafd raakt, onjuist is. Zij denken dat deze middelen meer op alcohol lijken: de grote meerderheid weet zich te beheersen en gebruikt verantwoord, een klein deel van de gebruikers verliest controle over het gebruik en kan dan terecht verslaafd genoemd worden.

Anderen houden vol dat dit een lichtzinnige beschouwingswijze is, en dat de verslaving als een epidemie om zich heen zou grijpen als deze middelen niet meer door een verbod onbereikbaar geworden zouden zijn. Weer een andere mening is, dat men een principieel verschil moet maken tussen hard en soft drugs: cannabis kan weinig kwaad, opiumderivaten daarentegen veel, dus geef de eerste vrij en blijf de tweede bestrijden. Daar wordt dan weer tegen in gebracht dat cannabisproducten gevaarlijk zouden zijn als hellend vlak naar harddrugs.

Kortom, inhoudelijk - dus wat betreft de schadelijke werking van de middelen - heerst er een fundamenteel verschil in inzicht, en de discussie die het probleem wil oplossen door de voors en tegens van de middelen tegen elkaar af te wegen lijkt volkomen uitzichtloos.

Maar inmiddels wordt de oorlog gevoerd, en deze heeft een aantal merkwaardige aspecten. Begon hij als een strijd van de goeden tegen de kwaden, in de loop van de tijd is duidelijk geworden dat ook als men dat volhoudt, er toch een grote vijfde colonne meevecht. Iedere gebruiker kiest eigenlijk de partij van de vijand, verraadt de goede zaak, en zou als een vijand, een misdadiger behandeld moeten worden.

Men heeft de scherpe kantjes van dit probleem proberen af te slijpen door de gebruiker tot patiënt te verklaren, of door een mild gebruik van soft drugs te gedogen. Maar niemand kan er gelukkig mee zijn dat de oorlog ons dwingt om binnen belangrijke sectoren van onze maatschappij - geneeskunde en recht - de definities op te rekken om te voorkomen dat grote delen van ons volk tot vijanden moeten worden verklaard.

Een tweede, en het meest merkwaardige, aspect van deze oorlog is dat terwijl voor ons de oorlog een groot kwaad is, dat onnoemelijk veel geld kost, de integriteit van ons rechtsstelsel bedreigt, de openbare veiligheid in gevaar brengt, de gevangenissen vult en wat men nog noemen kan, dat dezelfde oorlog een goudmijn is voor hen tegen wie hij wordt gevoerd. De opbrengst van de verboden waar staat in geen enkele verhouding tot de kostprijs, maar wordt bepaald door de produktie- en afzetmoeilijkheden die een gevolg van het verbod zijn, zodat er monopolies kunnen worden gevormd die de marktprijs bepalen.

De drugshandel is in de loop der jaren schat- en hemelrijk geworden, en een deel van dat geld wordt gebruikt om mensen om te kopen die de handel kunnen vergemakkelijken, of althans minder bemoeilijken. Maar we kunnen er zeker van zijn dat er door de drugshandel geen cent wordt uitgegeven aan het omkopen van mensen die in staat zouden zijn het verbod op te heffen, hoogstens van mensen die het in stand zouden kunnen houden. Onze oorlog tegen de drugs is de grote financier van de vijand, zonder dat wij op enigerlei wijze in zijn revenuen delen.

Deze oorlog is niet de eerste, er is er al een keer eén gevoerd: de oorlog tegen de alcohol van 1920 tot 1933. Om één getal te noemen, in 1932 werden in de Verenigde Staten ongeveer 45.000 mensen tot gevangenisstraffen veroordeeld voor alcoholmisdrijven, en ongeveer tien procent van de medewerkers van het Prohibition Bureau werd wegens corruptie van allerlei aard ontslagen.

De drooglegging bleek niet te handhaven, vooral door de voortdurende toename van de criminaliteit, en het onvermogen de alcohol uit het dagelijks leven te verwijderen. Die oorlog is dus verloren verklaard, en daarna kon iedereen weer zijn glas in vrede drinken en vloeiden de opbrengsten van de accijns op alcohol weer onverminderd in de schatkist. De last van de alcohol - niet gering naar we weten, en een veelvoud van de last die de nu verboden drugs opleveren - werd en wordt op de koop toegenomen.

Nederland heeft ongeveer 30.000 verslaafden aan harddrugs. Wij weten niet hoeveel het er geweest zouden zijn als de oorlog tegen de alcohol was voortgezet, en de oorlog tegen de drugs niet gevoerd. Wel weten we dat een oorlog tegen alcohol niet langer als een serieus alternatief wordt gezien in de strijd tegen de alcoholverslaving. Na het stopzetten van de oorlog tegen alcohol is deze een niet meer weg te denken deel van onze samenleving geworden, met voor- en nadelen, waarbij de voordelen dankbaar worden aanvaard, en de nadelen bestreden. De nadelen worden echter niet meer aangevoerd om te pleiten voor een verbod op alcohol, terwijl, zoals gezegd, die nadelen kwantitatief en misschien ook kwalitatief vele malen groter zijn dan de nadelen van druggebruik.

In deze uiteenzetting willen wij geen standpunt innemen over voor- en nadelen van het gebruik van harddrugs. Softdrugs zijn praktisch onschadelijk. De enige reden om het verbod daarop te handhaven wordt gevonden in het argument van het 'hellend vlak', wat zoals gezegd door anderen weer ongeldig wordt geacht.

Wat wij willen betogen is het volgende: er lijkt een automatische koppeling te zijn opgetreden tussen het onderkennen van de nadelen van harddrugs, en het invoeren en handhaven van een totaal verbod daarop. Dat heeft geleid tot de oorlog tegen harddrugs die nu al een goede twintig jaar wordt gevoerd. De oorlog heeft niet geleid tot het verdwijnen van deze drugs uit onze samenleving. Integendeel, ze nemen daarin een steeds grotere en zeer onaangename plaats in.

Bovendien heeft de oorlog aan de vijand die hij wil bestrijden de geweldige voordelen van een feitelijk monopolie gebracht, en het ziet er naar uit dat dit wel zo zal blijven. Dit overziende zijn wij tot de conclusie gekomen dat de oorlog tegen drugs ons meer na- dan voordeel bezorgt, en de drugshandelaren meer voor- dan nadeel. Het is daarom volstrekt onredelijk om die oorlog voort te zetten.

Wat gebeurt er als hij wordt beëindigd? Wij zullen dan in elk geval de oorlog tegen de handelaren hebben gewonnen, die zijn dan brodeloos. En verder zal er een toestand ontstaan die lijkt op die bij alcohol. Een aantal mensen zal gebruiken zoals ook alcohol wordt gebruikt: als genotsmiddel, zonder verdere schade. Een aantal zal te veel gebruiken, met de schadelijke gevolgen daarvan.

Hoewel niet met zekerheid valt te zeggen hoeveel mensen tot dat schadelijk gebruik zullen komen, is het onwaarschijnlijk dat de omvang van de schade met die van alcohol vergeleken zal kunnen worden, gezien het feit dat de verhouding van drugsverslaving tot alcoholverslaving nu ongeveer één op tien is. Maar ook dat kan in het midden worden gelaten.

Wij vermoeden dat iedereen het erover eens is dat de schadelijke gevolgen van harddrugsgebruik bestreden moeten worden. Dat vinden we van alcohol ook. Maar bij alcohol is al gebleken dat oorlog een uitzichtloze methode is. Wij stellen, dat het verloop van de huidige oorlog bewijst dat dat ook voor harddrugs geldt. We zullen dus ter bestrijding van de kwade kanten van drugsgebruik naar andere methoden moeten omzien. Als we daar al het geld aan zouden besteden dat nu uitgegeven wordt aan de oorlog zou dat een zeer intensieve campagne kunnen worden.

Dit verhaal wordt in Nederland geschreven, in ons gezegende land kun je nu eenmaal veel zeggen. Maar wij beseffen dat ophouden met oorlog voeren niet eenzijdig door Nederland kan worden gedaan, en dat willen wij ook niet voorstellen. Nederland hoeft van ons geen gidsland te worden, het gaat niet over een moreel, maar over een praktisch probleem.

Met een eventueel stopzetten van de oorlog tegen harddrugs zal het moeten gaan als met alle maatschappelijke toestanden waarvoor verandering wordt gezocht. Die wordt pas mogelijk als erover wordt gesproken, als hij een plaats krijgt in de maatschappelijke discussie. Zo is het bijvoorbeeld gegaan met de veroordeling van homoseksualiteit, en met de veroordeling van misbruik van sociale voorzieningen. Dat waren beide onderwerpen waarover niet gesproken kon worden zonder dat men zich bij andersdenkenden verdacht maakte als op enigerlei wijze onzedelijk. In veel buitenland en in sommige geledingen in Nederland geldt dat nog voor het ophouden met de oorlog tegen drugs. Maar die oorlog heeft zoveel schadelijke gevolgen dat wij het nodig vinden dat het gesprek over alternatieven een vanzelfsprekende discussie wordt. Met dit artikel hebben we daaraan het onze willen bijdragen.

    • A. van Dantzig
    • H. Drion