'De betere zeilers hebben wel vaak de betere windvlaag'

Als hij deze week wint voor de kust van Bermuda, verdient ROY HEINER voor het eerst in zijn carrière serieus geld met zeilen. Hij is de enige die nog kans maakt op een bonus van een kwart miljoen dollar in de strijd om de Brut Cup. Maar tijd om een maand te trainen had hij niet. Zijn lange-termijnplannen voor de Whitbread, de America's Cup en de Olympische Spelen hielden hem tot vandaag in Nederland.

Hij leerde zeilen op het stuk land voor het huis in Pietermaritzburg. Met een modelbootje in de hand rende hij door het gras. Een telefooncel was de bovenboei. “De boot had zeilen, een spinnaker, alles. Als het harder ging waaien, dan liep ik harder. Ging de wind liggen, dan liep ik langzamer. Draaide de wind, dan ging ik overstag. Ik was er van overtuigd dat niemand sneller om een telefooncel kon zeilen. Dat heeft ook nog niemand gedaan.”

Roy Heiner werd in 1960 geboren in Zuid-Afrika, waar zijn vader voor een Nederlands bedrijf stuwdammen aanlegde. Als de dam er lag, verhuisde de familie naar de volgende droge plek. Hij stond als kleine jongen de hele dag met zijn voeten in het water. Vanaf de kant van het meer klokte hij tijdens wedstrijden met een stopwatch de tijden van zijn vader op de verschillende rakken. Zelf mocht hij pas het water op toen hij drie kilometer achter elkaar kon zwemmen. Op zijn zesde begon hij, op zijn achtste was hij goed genoeg.

“De eerste keer dat ik aan boord stapte, gleed ik meteen het water in. Het dek was nat. Daar had ik geen rekening mee gehouden. De tweede keer zeilde ik mee in een wedstrijd, want ik wist hoe de zeilen moesten staan. Ik was er in gedachten al lang mee bezig.”

Na zijn studie weg- en waterbouwkunde besloot hij profzeiler te worden. “Ik wilde voor het einde van de eeuw aan de America's Cup meedoen, het hoogst haalbare in de zeilsport. Ik heb competitie nodig, dat is de aard van het beestje. Als ik een berg zie, wil ik naar de top. Daarom staat die berg er. Als ik zeil, wil ik bovenin eindigen.” Tien jaar geleden kwam hij naar Nederland. Hij woont met zijn vrouw en twee kleine kinderen in Koudekerk aan de Rijn. “Mijn ouders zijn Nederlands, ik ben Nederlands. Ik reisde toen veel, maar in andere landen voelde ik me gast, hier 'thuis'.”

Zijn energie lijkt onuitputtelijk, zijn plannen zijn ambitieus. Hij wil een Nederlands team in de volgende Whitbread race-om-de-wereld: in negen maanden (1997-98) van Engeland via Argentinië en Australië de wereld rond. Kosten dertien miljoen, gezocht een hoofdsponsor voor de helft van dat bedrag. Hij wil in 1999 met een Nederlands team de America's Cup varen, een prachtige, maanden durende landenwedstrijd, dit keer in Nieuw-Zeeland. Kosten veertig miljoen gulden. Hij wil solo in de Finnjol een medaille winnen op de Olympische Spelen, volgend jaar in de Verenigde Staten.

De Brut Cup, deze week bij Bermuda, is een tussendoortje, dat min of meer per ongeluk belangrijk is geworden. Drie jaar geleden begon Heiner met match-racen: een wereldwijd circuit met wedstrijden van boot tegen boot volgens een knock-outsysteem. Hij begon om ervaring op te doen en in contact te komen met organisatoren, eigenaars, investeerders en de internationale zeiltop. “Voor de America's Cup moest ik kunnen match-racen. Dit jaar is er, als waanzinnige marketing-truc, een bonus van een kwart miljoen dollar als je drie van de vijf wedstrijden wint. Dat is onmogelijk, zei ik vooraf en zeg ik nu. Alleen blijkt dat ik, zei de gek, als enige nog een kans maak.”

Heiner won de wedstrijden bij New York en San Francisco. Bij Bermuda, de vijfde en laatste wedstrijd, levert de organisatie de teams een IOD, een ouderwetse, trage boot voor een bemanning van vier man. Donderdag is de eerste ronde met zestien deelnemers, zondag de finale met de laatste twee schepen. “Bij match-racen kan je van iedere sukkel verliezen. Je moet vijf dagen lang op een betere windvlaag zitten dan je tegenstander. De betere zeilers hebben wel vaak de betere windvlaag, maar de verschillen zijn klein. Bij Bermuda varen we onder de heuvels. De wind komt van boven naar beneden zetten en je kunt hem niet zien aankomen. Ik houd het er op dat niemand die bonus wint.”

Hij had misschien een maand moeten trainen, geeft hij toe. Maar de toekomst hield hem tot vandaag in Nederland. Deze week zeilde hij met geïnteresseerden op een Whitbread 60-jacht. “Voor succes in het zeilen zijn er vijf bouwstenen”, begint hij een lang betoog. “Zeilers, een ontwerp, een organisatie, de media en investeerders. We zitten in een vicieuze cirkel. Het is onmogelijk om een succesvolle campagne te voeren als deze vijf onderdelen niet gezamenlijk aangepakt worden.”

“In de eerste plaats zijn er goede zeilers nodig. Ongeacht de hoeveelheid geld die er beschikbaar is, moeten zeilers aan een lijntje trekken waardoor de boot sneller of langzamer gaat en je eerste of laatste wordt. Ik schep de faciliteiten zodat jong talent zichzelf kan ontwikkelen. Voor grote campagnes zouden we moeten kunnen kiezen uit een groep van honderd.” Hij vaart bijvoorbeeld in de winter iedere zaterdag en zondag op de Noorzee met jonge zeilers, die hebben gesolliciteerd naar zo'n opleidingsplaats. Een uur bespreking, een uur optuigen, vier uur zeilen, een uur evalueren. Een dag keihard werken waarbij op de kleinste details wordt gelet. Met Heiner, voor de wind met spinnaker planerend op een zes meter hoge golf, af en toe jodelend van plezier aan het roer.

“Het is een voordeel dat Nederlandse zeilers beginnen in kleine bootjes op binnenwater. De wereldtop van het zeezeilen komt voor negentig procent uit kleine bootjes. Daarin ontwikkel je gevoel. In theorie moet je de boot met je ogen dicht kunnen varen. Er is zeker genoeg talent in Nederland. Maar er zijn niet veel zeilers die ook in hun talent geloven en daardoor de druk van hun omgeving - huisje, boompje, beestje - durven te weerstaan. Zeilen is geen tennis, waar de beste tweehonderd goed verdienen. Professioneel zeilen kan pas sinds kort, je moet gedreven zijn. Maar de toekomst is rooskleurig. Over twintig jaar wordt het heel eenvoudig om met zeilen je geld te verdienen.”

“We willen op onze boten de beste man op de beste plaats. We willen prestaties leveren, en het liefst met Nederlanders. Het is dan ook niet zeker dat ik schipper word in de Whitbread. Ik zal me moeten bewijzen tegenover andere kandidaten, zoals de Nederlander Bouwe Bekking of de Engelsman Lawrie Smith. Als die tien procent harder varen, kan ik geen schipper willen zijn.”

“De tweede bouwsteen voor succes is een goed ontwerp. We willen investeren in Nederland. Voor de America's Cup, een landenwedstrijd, moeten de schepen ontworpen en gebouwd zijn in Nederland. Nederland heeft uitstekende ontwerpers met veel internationale ervaring. Die probeer ik bij elkaar te brengen. We hebben hier perfecte testfaciliteiten zoals sleeptanken. Bij het botenbouwen heeft de rest van de wereld Nederland ingehaald, maar die achterstand is nog goed te maken. We hebben al toezeggingen van Fokker, DSM en AKZO dat ze kennis en materiaal willen leveren.”

“In de derde plaats is er een organisatie nodig, die zorgt voor de continuïteit. Mijn bedrijf, het Synergy Racing Syndicate, moet een aanspreekpunt zijn voor zeilers, ontwerpers, eigenaren, voor Nederland. Als de Whitbread voorbij is, moet er een volgende campagne beginnen. Het land moet verder. In het verleden waren het te vaak momentopnames, losse opwellingen. Dat kan niet. Zeilen is een ervaringssport. Je kunt niet morgen winnen. Je moet jarenlang tijd, energie en geld investeren.”

“Ten vierde hebben we de media nodig. Er wordt nog weinig gepresteerd, zodat er weinig geschreven wordt en men in Nederland slecht op de hoogte is van wat de zeilers doen. Zeilen is geen grote sport, het moet nog gaan leven in Nederland. Als dat lukt, kunnen we een produkt verkopen aan investeerders.”

“Want de laatste bouwsteen is het geld. Eind deze maand moet er zicht zijn op een hoofdsponsor voor de Whitbread. Die wedstrijd begint eind 1997. We willen in maart van dat jaar met twee verschillende ontwerpen tegen elkaar varen. Bouwen duurt vier maanden, de ontwerpers hebben negen maanden nodig. Die zouden, in het perfecte scenario, in december van dit jaar aan de slag moeten kunnen. Ik ben optimistisch van nature. Omdat het om geld gaat, zou ik misschien wat realistischer, wat pessimistischer moeten zijn. Maar het zou me verbazen als het niet gaat lukken. Zo niet in oktober, dan wel in april. We zoeken een hoofdsponsor. Want er zijn er velen die zeggen: als het gaat om het laatste miljoen of twee moet je naar ons toekomen. Ik praat liever over investeerders dan sponsors. Wij verkopen een produkt: uitstraling op wereldwijd niveau. De Whitbread levert in negen maanden 3.600 uur televisie op, in 177 landen, voor 2,7 miljard mensen. Dat kost een bepaald bedrag. Als we voorin meezeilen, komt dat er gratis bij.”

Hij zeilt vrijwel full-time op grote boten met bemanning. Maar in 1993 stapte Heiner voor het eerst sinds 1988 weer eens alleen in een boot. Ook de Olympische Spelen blijven trekken. In 1988, solo in de Finnjol, werd hij zevende. In 1992, in de driemansboot Soling, werd hij (“wegens materiaalproblemen”) teleurstellend achttiende. Volgend jaar in de Verenigde Staten hoopt hij op een medaille in wederom de Finn. Dit jaar waren zijn resultaten, op de Spa-Regatta en bij een pre-olympische wedstrijd in Amerika, matig. Precies volgens plan. “De vorige twee keer heb ik juist een paar maanden voor de Spelen de beste prestaties neergezet. In 1988 werd ik tweede op het WK. Maar vlak voor de Spelen wereldkampioen worden, interesseert me niet. In 1993, toen ik als vierde eindigde op het WK, werd het reglement veranderd: ook een Finn van een andere botenbouwer werd toegestaan. Ik had tot voor kort oud materiaal en zeilde wel lekker, maar de boot was niet snel genoeg. Onlangs heb ik, voor het eerst in mijn leven, een boot gekocht. En er komen nog een paar masten, want het wordt een materiaalslag.”

“Mijn grootste angst was of ik het fysiek aankon. In 1988 had ik problemen met mijn knieën. Ik ben een van de oudste Finn-zeilers. Nu begin ik rustig, ga ik niets overbelasten. Pas op het Europese kwalificatie-toernooi, eind maart in Spanje, moet ik een prestatie neerzetten, wat het afgelopen jaar niet is gebeurd. Ik zou ook niet naar de Spelen willen als ik daar geen medaille kan halen. Ik ga er niet heen om vakantie te vieren.”