Commissie-Van Traa lijkt toe te komen aan definitieve conclusies

DEN HAAG, 14 OKT. Of er een boksbal in de buurt was? Die vraag stelde de voormalige Haarlemse CID-rechercheur J. van Vondel direct nadat hij enquêtevoorzitter Van Traa de hand had geschud. Van Vondel zocht naar een middel om zijn woede te koelen na het in zijn ogen onbillijke verhoor dat hem maandag was afgenomen.

Net als zijn ex-chef K. Langendoen werd hij door de enquêtecommissie aan een waar kruisverhoor onderworpen. Het leidde tot een weinig flatterend beeld over de wijze waarop de Haarlemse Criminele Inlichtingendienst (CID) heeft geopereerd in een poging de zware misdaad “knock-out te slaan”, zoals hun officier van justitie O. van der Veen het noemde. Informanten mochten hun criminele miljoenenwinsten behouden, de Haarlemse CID gebruikte crimineel geld om auto's en apparatuur aan te schaffen en de containers met drugs die de politie Kennemerland ongecontroleerd invoerde, kwamen veelal ongestoord het milieu binnen. Het eigengereide 'koningskoppel' van de Haarlemse CID werd door Van Traa c.s. hardhandig in de hoek gezet als een stuntelende IRT-tweeling: Jansen & Janssen en de drugsbaronnen.

Op het hoofdbureau van de Haarlemse politie zagen ze het in machteloze woede aan. In een extra editie ('vertrouwelijk') van het korpsblad, afgelopen woensdag, stelde de korpsleiding het - in haar ogen - gebrek aan onafhankelijkheid van de enquêtecommissie aan de orde. Bij zowel het verhoor van Langendoen als Van Vondel waren “jammer genoeg maar een paar feiten aan de orde gesteld. (...) Zo kreeg Langendoen voortdurend vragen over verantwoordelijkheden en Van Vondel over criminele winsten”. Daardoor werd door de commissie-Van Traa ten onrechte een beeld opgeroepen van “een cowboy-korps”.

In de verhoren leek het er de afgelopen week op dat de commissie-Van Traa toe begint te komen aan definitieve conclusies. De Haarlemse politiemensen en hun onwetende superieuren bij het OM - hoofdofficier van justitie in Haarlem L. de Beaufort en de Amsterdamse procureur-generaal R. van Randwijck - zijn degenen die de klappen krijgen. Zo ontstaat het omgekeerde beeld van wat eerder de commissie-Wierenga schetste: de 'Haarlemmers' hebben onverantwoord gehandeld, de 'Amsterdammers' hadden het grootste gelijk toen ze eind 1993 een einde maakten aan de Delta-methode van het IRT Noord-Holland/ Utrecht.

Maar dat beeld kon ook ontstaan omdat de enquêtecommissie er in zijn ondervragingen een dubbele standaard op lijkt na te houden. De tegenstanders van het Haarlemse kamp, de 'preciezen', kregen van de commissie een gratis ritje. Met name de officieren van justitie F. Teeven en J. Snijders mochten vrijelijk suggesties op tafel leggen over misstanden bij de Haarlemse politie. Verdachtmakingen over de opbrengst van tussen drugs verpakte tegeltjes die politiemensen zelf opstreken, criminelen die agenten aan een touwtje hadden en de bewering dat de IRT-informant liefst 8 miljoen aan criminele winsten had geboekt, werden door de commissie voor kennisgeving aangenomen. Ook al werd geen sluitend bewijs geleverd.

Daar stond tegenover dat de 'rekkelijken' - Langendoen, Van Vondel, Van der Veen en oud-IRT-chef A. Lith - over iedere komma in hun verklaring werden doorgezaagd. Pogingen van hen om enig begrip te vragen voor hun ambitie om met “grensverkennende” opsporingsmethoden Nederland te verlossen van de “mafia”, leverden voornamelijk gefrons op. Het had tot gevolg dat de in het nauw gebrachte opsporingsautoriteiten de afgelopen week maar al te graag hun verantwoordelijkheid afschoven op de toch al geïdentificeerde zondebok. “Voelt u zich ook geLangendoend”, vroeg commissielid M. Rabbae aan de Rotterdamse officier van justitie, R. de Groot, die de schuld voor zijn falende drugsonderzoek legde in Haarlem. Rabbae bedoelde: belazerd.

Hoewel het beslist mogelijk is dat uit de lopende onderzoeken blijkt dat het Haarlemse kamp op alle punten is ontspoord, blijft er in ieder geval één belangrijke kwestie over die de commissie nog niet heeft opgehelderd. Het grootste schandaal lijkt de omvang van het aantal drugscontainers dat het opsporingsapparaat ongecontroleerd langs de douane wist te loodsen. Uit het onderzoek dat Teeven deed in opdracht van zijn hoofdofficier Vrakking blijkt dat de tussenstand inmiddels is gestegen tot 65 containers. Teeven heeft zijn rapport overhandigd aan de rijksrecherche.

Met Langendoen - die zo zenuwachtig was dat hij met lege maag voor de commissie zat - werd deze zaak niet doorgenomen. De hamvraag hoeveel containers de bedenker van de IRT-methode met zijn medewerkers eigenlijk heeft ingeklaard, werd niet aan hem gesteld. Terwijl gebleken is dat in de nu behandelde drugsonderzoeken hooguit een container of 30 zijn ingevoerd via de CID Haarlem. Op wiens instigatie zijn de overige 35 containers ingevoerd?

Vast is komen te staan dat de verantwoordelijkheid voor het laten passeren bij de douane van al die containers lag bij een medewerker van de Fiscale Inlichtingen- en opsporingsdienst Fiod. Deze mystery man, C.H.J. de Jongh, was door de Fiod uitgeleend aan de CID Haarlem. Zijn naam gaat voortdurend over tafel tijdens de verhoren maar de man kan zelf, zo is de commissie gemeld, op doktersadvies niet gehoord worden. De Jongh zit overspannen thuis en is onbereikbaar voor de enquêtecommissie of de rijksrecherche.

Dat De Jongh voor de Fiod een riskante schakel is in het beeld dat de dienst voor de commissie verspreid - de Fiod zegt niet te hebben geweten dat de containers zonder controle het milieu ingingen - bleek toen Fiod-hoofd Van Blijswijk deze week aan de enquêtecommissie onthulde dat hij kort voor zijn verhoor een bezoek had gebracht aan De Jongh.

Uit een vijf pagina's tellende 'vertrouwelijke' brief van 14 maart aan zijn hoofd Van Blijswijk blijkt echter dat volgens De Jongh de feiten anders in elkaar steken dan het Fiod-hoofd aan de commissie verklaarde. De Jongh schrijft dat hij meewerkte aan sigarettensmokkel die diende om zicht te krijgen op EG-fraude. Voor het ongecontroleerd doorlaten van containers vroeg hij in 1993 toestemming aan zijn toenmalige “teamleider” F. Teeven, die destijds nog bij de Fiod werkte en in 1994 bij het Amsterdamse parket terechtkwam.

Teeven, zo schrijft De Jongh, vaardigt geen verbod uit maar verwijst hem naar een collega. Uiteindelijk krijgt De Jongh op 19 augustus 1993 “toestemming” van zijn Fiod-superieur Tjalkens voor drie ritten waarin de sigarettensmokkel wordt opgezet. Het blijkt de opmaat voor een nieuw schandaal dat losbreekt als de chauffeur (volgens De Jongh “ingeschreven in het informantenregister van de Fiod”) begin dit jaar een naheffing krijgt van de Nederlandse fiscus van 50 miljoen gulden.

Deze gang van zaken is voor de 'rekkelijken' het bewijs dat Teeven selectief bewijsmateriaal verzamelt, namelijk alleen het materiaal dat belastend is voor de CID Haarlem. Degene die daarover namens Haarlem nog opheldering kan verschaffen, is korpschef R. Straver die maandag aan de beurt is. Voor dit spektakel wordt in de kantine van het hoofdbureau “een groot scherm” opgesteld, zo staat in de extra editie van het interne korpsblad. “Zij die het willen, en voor zover hun dienst het toelaat, zijn hier van harte welkom.”