Bouwen

JEAN-PIERRE ADAM: Roman Building. Materials & Techniques

360 blz., geïll., Indiana U.P. 1995, ƒ 130,90

Van alle nog bestaande Romeinse bouwwerken is het Pantheon in Rome het indrukwekkendst. Niet alleen omdat het zonder grote beschadigingen al achttieneneenhalve eeuw op dezelfde plek staat, maar ook omdat de koepel van dit gebouw tot de twintigste eeuw de grootste was die ooit was gebouwd. De koepel van de Sint-Pieter bijvoorbeeld, de pauselijke kerk in Rome die door middel van maatstrepen op de vloer graag andere grote kerken in de wereld kleineert, is met zijn doorsnede van 42 meter 1,3 meter kleiner dan die van het Pantheon. Pas met de komst van overspanningstechnieken waarbij geen steen of beton als bouwmateriaal nodig was, werd de diameter van de Pantheonkoepel overtroffen. Maar de belangrijkste reden om het Pantheon te bewonderen, zijn toch de volmaakte maten die men vooral in het interieur ervaart: het gebouw, dat eigenlijk uit niet meer bestaat dan een cilinder met een halve bol er bovenop, is precies even hoog als breed.

De bewondering voor het Pantheon neemt nog toe als je in het boek Roman Building. Materials and Techniques van de Franse archeoloog Jean-Pierre Adam leest dat de bouw ervan slechts zeven jaar duurde, van 118 tot 125 na C. om precies te zijn. Nog sneller verrezen later de veel grotere Thermen van Caracalla. Volgens Adam was dit mogelijk door de vèrgaande standaardisatie van in massa geproduceerde bouwmaterialen in de Romeinse keizertijd. De vijf jaar die de bouw van de reusachtige Thermen in beslag namen, van 212 tot 217, zouden met de huidige bouwtechnieken iets kunnen worden bekort, maar niet al te veel.

Het Pantheon loopt als een rode draad door het boek van Adam. Het komt bijvoorbeeld ter sprake als hij het heeft over monolithische zuilen - 14,2 meter hoog waren die van het Pantheon, en 50 ton zwaar - en natuurlijk als hij tot in detail de constructie van koepels beschrijft. Er zijn slechts twee belangrijkere bronnen die Adam voor zijn boek heeft gebruikt: Pompeii en De Architectura van de Romeinse architect Vitruvius, de enige complete verhandeling over bouwkunst die uit de oudheid is overgeleverd.

De titel van Adams boek, Roman Building. Materials and Techniques, geeft precies aan wat kan worden verwacht: een zakelijke verhandeling over de materialen en bouwtechnieken van de Romeinen. Het boek kent een logische opbouw. Het begint met een hoofdstuk over Romeinse landmeetinstrumenten en een beschrijving van de steenwinning en het maken van bakstenen, gevolgd door beschouwingen over het daadwerkelijke bouwen, van eenvoudige cyclopenmuren tot vernufige koepels. Daarna komt de afwerking aan de orde, zoals de vervaardiging van pleisterwerk en mozaïeken, en het boek eindigt met ingenieurswerken zoals rioleringen, aquaducten en badhuizen.

Van elke bouwtechniek gaat Adams de oorsprong en de ontwikkeling na. Bovendien noemt hij steevast de belangrijkste bouwwerken waarin de techniek voorkomt. Dit geeft zijn boek iets encyclopedisch, maar de saaiheid die dit met zich meebrengt wordt tegengegaan door de 746 foto's en tekeningen die, voorzien van informatieve onderschriften, Roman Building bijna tot een stripboek maken.

Van bouwkunst houdt Adams zich verre. Van de klassieke proportieleer, die zo'n groot deel van Vitruvius' boek inneemt, horen we nauwelijks iets. En aan esthetische oordelen waagt hij zich niet. Alleen over het Pantheon schrijft hij: “In meer dan één opzicht blijft de koepel van het Pantheon het meesterwerk van de Romeinse architectuur.” En: “Het Pantheon combineert de volmaakte harmonie met de meest ingenieuze technologie.”