Blind-uh-darm

In hun artikel Het geheim van de blind-uh-darm (Z 7 oktober) betichten Liesbeth Koenen en Rik Smits mij - en over mijn hoofd een deel van mijn vakgenoten - van een “welhaast klassieke denkfout in de psychologie, vooral veel voorkomend bij psychologen die met computers werken”. Ze verwijzen hierbij naar een artikel waar de Taalunie mee 'schermt'. Ongetwijfeld doelen ze hiermee op mijn verhaal getiteld De Mythe van het Woordbeeld: spellingherziening taalpsychologisch doorgelicht, dat binnenkort in het maandblad Onze Taal verschijnt. De oorspronkelijke, uitgebreidere versie is eind 1994 al verschenen in Spektator, tijdschrift voor Neerlandistiek.

Ik vrees dat Koenen en Smits ten prooi zijn gevallen aan een welhaast klassieke denkfout, wel vaker voorkomend bij mensen die niet vertrouwd zijn met de logica van computermodellering in de cognitieve psychologie. Computermodellen voor complexe vormen van gedrag zijn geen doel op zichzelf maar een hulpmiddel bij de theorievorming over dat gedrag. Hun functie lijkt op die van maquettes of virtual reality software bij het ontwerpen van ingewikkelde gebouwen. Mij wordt aangewreven dat ik “zomaar aanneem dat een neutraal netwerk, of welk ander model dan ook, een correcte afspiegeling van onze hersenen zou zijn”. Anders gezegd, ik zou dezelfde vergissing maken als een architect die in zijn maquette wil gaan wonen. Een nogal mal verwijt! Vervolgens denken Koenen en Smits met deze vermeende methodologische fout als hefboom mijn hele betoog onderuit gehaald te hebben.

Hoe spring ik in het gewraakte artikel wèl met computermodellen om? Ik behandel twee verschillende manieren waarop de ervaren lezers en spellers te werk zouden kunnen gaan bij het omzetten van gesproken in geschreven woordvormen (en omgekeerd): ze maken gebruik van expliciete regels voor de uitspraak en schrijfwijze van woorden; of ze baseren zich op statistische relaties tussen letterpatronen en klankpatronen in die woorden. In de laatste methode spelen expliciete taalkundige regels geen enkele rol. Aan de hand van experimenteel-psychologische gegevens uit lees- en spellingonderzoek laat ik zien dat ervaren lezers en spellers naar alle waarschijnlijkheid de tweede methode gebruiken. Een conclusie niet zonder belang in discussies over spellingherziening. Het neuraal-netwerkmodel dat ik introduceer, dient als een soort proef op de som ten bewijze dat correct lezen en spellen inderdaad mogelijk is zonder expliciete taalregels toe te passen.

Als Koenen en Smits het niet eens zijn met deze en andere conclusies in mijn artikel, moeten ze hun pijlen niet richten op de maquette maar op het bouwwerk: dat wil zeggen op de taalpsychologische theorie over lees- en spellinggedrag die ik heb geschetst. Bijvoorbeeld door aan te tonen dat de theorie nodeloos ingewikkeld zou zijn, of onverenigbaar met bepaalde experimenteel-psychologische of linguïstische feiten, dan wel door leemten of strijdigheden in mijn redenering bloot te leggen. Zulke pijlen zijn niet afgeschoten, laat staan dat ze doel hebben getroffen.

Naschrift Liesbeth Koenen en Rik Smits:

De reactie van Gerard Kempen bevat opnieuw de gewraakte denkfout, waar hij computermodellen met maquettes in de architectuur vergelijkt. Een maquette is per definitie een afspiegeling van iets waarvan de ware aard bekend is: een gebouw of een ontwerp. Zonder dat kún je eenvoudig geen maquette maken. Als je nu zegt dat een computermodel een maquette van een geestesvermogen is, beweer je dus dat dat geestesvermogen daadwerkelijk de eigenschappen en structuur van dat model heeft. Kempen ziet zijn model, dat werkt met statistische waarschijnlijkheden, niet als een maquette van een theorie maar als afspiegeling van de werkelijkheid. Zijn artikel eindigt namelijk niet met aanbevelingen voor verder onderzoek, maar met aanwijzingen voor spellingshervormers. Spellingshervorming gaat immers uitsluitend over echte taalgebruikers met een echt taalvermogen. Zo zegt hij over woordbeelden: 'die bestaan immers niet', en acht hij dubbelspellingen schadelijk omdat: 'het statistisch leersysteem er informatie aan ontleent die bestaande verbanden tussen uitspraak en voorkeurspelling verzwakt'. Wie dat zegt kan niet menen dat dat 'statistisch leersysteem' een hypothese is, maar claimt keiharde psychologische realiteit.

    • Gerard Kempen Oegstgeest