Beginselen

LEX HERMANS: Bewust van andere lusten. Homoseksualiteit in het Romeinse keizerrijk

254 blz., Wereldbibliotheek 1995, ƒ 37,50

Volksschrijver Gerard Reve pleegt het nogal eens gekscherend over 'Griekse beginselen' te hebben. De Ouden vonden het goed, dus waar tobben we over. Op zijn vertrouwde toon moet Reve de term vooral blijven gebruiken, maar een echte rechtvaardiging voor de gelijkslachtelijke liefde bieden de antieke Grieken niet. In de handelseditie van zijn proefschrift Bewust van andere lusten nuanceert Lex Hermans de vermeende tolerantie van zowel de Griekse als de Romeinse samenleving ten aanzien van homoseksualiteit althans tot zo ongeveer afwijzing. Het verlangen van mannen naar mannen bestond en er werd op grote schaal gevolg aan gegeven, maar de praktizering was een complex sociaal spel dat omgeven was door mitsen, maren en tenzij's.

Aan de hand van talloze tekstcitaten (die uiteraard een lijvig notenapparaat tot gevolg hebben) toont Hermans dat de Romeinen en Grieken gruwden van passief homoseksueel gedrag. In zijn algemeenheid gold: 'wanneer de aars doorstoken was, verloor de burger zijn rechten'. Een actieve man kon zijn gang gaan, mits hij zich beperkte tot (jonge) slaven. Geslachtelijke omgang met vrijgeboren jongens was uit den boze. Dat ook Romeinse schrijvers de knapenliefde al voorstelden als 'Griekse liefde' houdt verband met de initiatie van de jonge aristocraat door een oudere man, die bij de Grieken oorspronkelijk wel bestond en bij de Romeinen niet. De redenering was dat de jongen, ofschoon geen vrouw, ook geen man was. Omdat hij als niet-man behandeld kon worden, kon hem geleerd worden wat een man doet en hoe hij dat doet en ook wat echte, volwassen mannen niet met zich laten doen.

Het aan grote beperkingen en hypocrisie onderhevige 'wat' en 'hoe' wordt door Hermans, in navolging van zijn antieke bronnen, plastisch beschreven. Hij schrijft over 'bovenliggende boorders' en 'onderliggende doorboorden', over 'konten als vergaarbak', 'wijdreet' en over cinaedi (van het Griekse kinaidos en het door de Romeinen onvertaald overgenomen cinaedus) die hun 'achterwerk (lieten) ploegen'. Je ziet het voor je - maar niet op de beruchte vazen, want daarop gaat het volgens Hermans nooit om penetratie en slechts om copulatie tussen de dijen.

De Antieken waren 'star' en 'streng' en ten prooi aan dezelfde vooroordelen als de mens van later tijden. 'Andersbegerenden' waren in hun ogen met gemak te herkennen, de ene tekst na de andere rept van verwijfde 'nauwelijks-mannen' met 'kunstige kapsels' en 'uitgeplukte baarden', die zich dagelijks parfumeren en optutten voor de spiegel en met 'geëpileerde dijen' rondlopen. En ook weten deze schrijvers - Seneca in dit geval - dat 'de passief' zich verraadt “door zijn manier van lopen, zijn handgebaren, soms door een enkel antwoord, door met één vinger zijn hoofd te krabben of door het draaien van zijn ogen”. Net als de relnicht is het cliché-beeld van de homoseksueel van alle tijden.

Het is wel vermakelijk, dit niet geheel van socio-jargon gespeende boek, vooral omdat het over tweeduizend jaar geleden gaat. Want niet alleen is de antieke tolerantie slechts schone schijn en komen homoseksuelen er bekaaid af, vrouwen zijn hun mede-slachtoffers. Het vrouwbeeld dat Hermans schetst is een onvermijdelijk bijprodukt van zijn onderwerp, omdat de Ouden onuitstaanbare macho's waren, die hun afkeer van nauwelijks-mannen steevast in vergelijkingen met vrouwen goten. Die waren net zo verwerpelijk, minderwaardig en nutteloos en werden even snel uitgemaakt voor hoeren die van verkrachtingen een misdaad van het slachtoffer maakten en niet van de verkrachter.