Tokio of Teutonia; De Architektenstreit om het nieuwe Berlijn

Bijna alle architecten van naam bouwen mee aan het nieuwe Berlijn. Alleen extreme avantgardisten als Rem Koolhaas en Daniel Libeskind krijgen weinig kans in de Duitse hoofdstad. Zij vinden de meeste plannen op hun beurt reactionair of zelfs nazistisch. Senatsbaudirektor Hans Stimmann laat zich daardoor niet van de wijs brengen. “Wij willen in Berlijn geen opstelsom van objecten met interessante, scheve vormen - zo maak je geen stad.”

Het is weer oorlog geweest in Berlijn en dit keer hebben de nazi's gewonnen. Althans, zo stelt de Pools-Amerikaanse architect Daniel Libeskind de uitkomst voor van de 'Architektenstreit', het debat tussen politici, architecten en financiers over het toekomstige gezicht van Berlijn. Berlijn is de enige stad ter wereld waar hij als jood wordt tegengewerkt, vertelt hij in elk interview. Consequent negeren de Berlijnse machthebbers zijn stedebouwkundige ontwerpen voor de hoofdstad van het verenigde Duitsland, die doen denken aan het begin van een spelletje mikado. 'Er is niet alleen een revisionistische tendens gaande met de holocaust - van historici en wetenschappers horen we ineens dat de holocaust eigenlijk niet heeft plaatsgevonden - er is ook zo'n verschijnsel in de architectuur en stedebouw,' zei Libeskind vorig jaar in Trouw. 'Er is een tendens - geloof het of niet - om de nazi-architectuur, van 1933 tot 1945, te herwaarderen. Ze kijken terug op die tijd en zeggen dat er eigenlijk niks mis was met die periode. Sommige gebouwen waren misschien wat te groot, zeggen ze dan. Dat is een beangstigende trend.'

Berlijn is de grootste bouwput van Europa. Op Unter den Linden, in de Friedrichstrasse, op de Pariser Platz bij de Brandenburger Tor en op de tot voor kort desolate vlakte die moest doorgaan voor de Potsdamer Platz - overal draaien in het centrum kranen. En waar ze niet staan, op de 'unheimliche' Alexanderplatz en op de leegtes rondom de voormalige Rijksdag bijvoorbeeld, zullen ze binnenkort verschijnen. In ijltempo wordt het terrein dat is vrijgekomen door het verdwijnen van de muur teruggewonnen door de stad.

Maar daar blijft het niet bij. Het nieuwe Berlijn omvat in totaal 270 projecten, die een investering vergen van 50 miljard mark, vier maal zoveel als Duitsland aan Marshallhulp heeft ontvangen. Zo verschijnen aan de randen van Berlijn volledig nieuwe voorsteden en een kolossaal technologiecentrum met tientallen onderzoeksinstituten. Mitterrands 'grands projets' vallen in het niet bij die van Berlijn. De Berlijnse bouwdrift valt alleen te vergelijken met die van de Franse keizer Napoleon III in de vorige eeuw, toen baron Hausmann het aanzien van Parijs volledig veranderde. Het is duidelijk: Berlijn is hard aan het werk om de hoofdstad van Europa te worden.

Architecten uit heel de wereld leveren hieraan een bijdrage. Het kantoor- en winkelgebouw van de Fransman Jean Nouvel in de Friedrichstrasse is inmiddels voltooid, evenals het blok in dezelfde straat van de Amerikaan I.M. Pei. De Engelse architect Sir Norman Foster doet de verbouwing van de Rijksdag tot Bondsdag, de Japanner Arata Isozaki en de Italiaan Renzo Piano nemen elk een deel van de Potsdamer Platz voor hun rekening. Het blok kantoren, winkels en woningen van de Amerikaanse nestor Philip Johnson bij het voormalige Checkpoint Charlie is nu nog een bouwput, de uitbreiding van de Italiaan Giorgio Grassi op het negentiende-eeuwse Museuminsel moet nog beginnen, en de Nederlander Pi de Bruijn zit nog aan zijn tekentafel gebogen over zijn aandeel aan de wijk met regeringsgebouwen bij de Rijksdag.

De lijst van buitenlandse architecten die in Berlijn bouwen kan nog worden uitgebreid, maar één ding valt op: radicale avantgardisten zijn slecht vertegenwoordigd. Rem Koolhaas heeft nog niet één opdracht gekregen, en ook voor deconstructivisten als Zaha Hadid is geen plaats in het nieuwe Berlijn. Alleen Frank Gehry uit Los Angeles kreeg, zo werd vorige week donderdag bekend, een opdracht van de Deutsche Bank om op de Pariser Platz een gebouw te ontwerpen. Maar Gehry behoort dan ook al lang tot het architectenestablishment.

Berlage

Voor experimenten deinzen de Berlijnse bestuurders dus terug. Daniel Libeskind is dan ook niet de enige die met afschuw denkt aan bijvoorbeeld de nieuwe wijken die zullen bestaan uit gesloten bouwblokken waardoor ze lijken op Berlages Amsterdam-Zuid. Ook Heinrich Klotz, de vroegere directeur van het Duitse Architekturmuseum, betreurt dat het bouwen in de achttiende-eeuwse wijken Friedrichstadt en Dorotheenstadt wordt gedicteerd door de zogenaamde 'kritische Rekonstruktion'. Wie in deze stadsuitbreidingen uit de baroktijd wil bouwen moet, zo is bepaald, het vooroorlogse stratenpatroon herstellen en twintig procent van de ruimte bestemmen voor woningen. Verder moet de dakgoot van de nieuwe gebouwen 22 meter boven het straatniveau liggen, de traditionele bouwhoogte van het oude Berlijn. Ook hebben de Berlijnse bestuurders een voorkeur voor 'duurzame materialen' als natuur- en baksteen en voor echte, langwerpige ramen. Maar hiertoe kunnen ze de projectontwikkelaars en hun architecten niet dwingen, getuige bijvoorbeeld Jean Nouvels geheel glazen blok in de Friedrichsstrasse.

Berlijn wordt monotoon, vrezen Klotz, een luide stem in de 'Architektenstreit', en vele anderen. Complexiteit en pluralisme, bij uitstek kenmerken van deze tijd, worden verdrongen door een geforceerde 'nieuwe eenvoud'. Het nieuwe Berlijn wordt niet een stad van de eenentwintigste eeuw, maar een negentiende-eeuws Pruisisch 'Teutonia' van steen. En wie in Duitsland Pruisen en steen zegt, bedoelt eigenlijk: 'fascistoïde'. Zo noemde Klotz in ieder geval het werk van Hans Kollhoff.

Kollhoff (49), in Nederland bekend door zijn donkerbruine sculpturale woongebouw op het KNSM-eiland in Amsterdam, is een van de belangrijkste architecten van het nieuwe Berlijn. Hij neemt een deel van de bebouwing van Potsdamer Platz voor zijn rekening, hij bouwt in Friedrichstadt, hij leverde het ontwerp voor een nieuwe voorstad in Spandau, en zijn ontwerp voor Alexanderplatz, bestaande uit twaalf gesloten bakstenen bouwblokken met torens, zal eveneens worden uitgevoerd. 'Kollhoff begon als modernist, maar begeeft zich nu op het terrein van de tectoniek,' zei Klotz in een vraaggesprek in het architectuurtijdschrift Arch+. 'Architectuur moet weer dragen, zwaarheid moet weer tot uitdrukking komen en het zogenaamde 'karakter' moet weer aanwezig zijn. Dat betekent dat uiteindelijk macht weer zichtbaar moet zijn. De misschien overdreven nadruk op lichtheid van de modernen wordt hier volstrekt overgecompenseerd. Het getuigt van een grote hulpeloosheid.'

Ruïnes

Hulpeloos is juist het woord dat Kollhoff gebruikt voor het debat over het nieuwe Berlijn. “Er heerst een grote onzekerheid,” zegt hij in zijn kantoor in een negentiende-eeuws gebouw in de Fasanenstrasse. “Zowel in Oost- als in West-Berlijn heeft men veel van wat na de Tweede Wereldoorlog nog intact was, alsnog afgebroken. Dat was niet helemaal onbegrijpelijk: de ruïnes, ook de onschuldige, werden geïdentificeerd met het rijk waarvan zoveel verschrikking en vernietiging was uitgegaan. Pas nu beseft men dat veel van de stad toen alsnog verloren is gegaan. Het Berlijn zoals het nu is, kan niet het naoorlogse Berlijn worden. Die weidse, ruïneuze landschappen zijn misschien voor iemand van buiten Berlijn spannend en fascinerend. Daarvan ben ik me bewust en het zou zelfs kunnen leiden tot een nieuwe visie op de stad. Maar daar is men bang voor. Zo'n visie wordt niet gesteund door de politiek.”

Die politiek wordt voor een groot deel bepaald door de architect Hans Stimmann (53), de man die viereneenhalf jaar geleden Senatsbaudirektor van Berlijn werd, nadat hij in Lübeck vijf jaar lang een soortgelijke functie had bekleed. Om zijn macht als Senatsbaudirektor kracht bij te zetten heeft hij in Berlijn de status van staatssecretaris gekregen. “Ons uitgangspunt is de Europese stad,” vertelt hij in zijn kantoor in een achttiende-eeuws gebouw in het voormalige Oost-Berlijn. “Die wordt gekenmerkt door spanning tussen de gemeenschap en de burgers, tussen conventie en vrijheid. In de straat treffen deze twee polen elkaar. In de Europese stad gaven huizenbezitters in de façades van hun gebouwen uitdrukking aan hun individualiteit. Maar tegelijkertijd hielden ze zich aan bepaalde conventies zoals bouwhoogte en rooilijnen, aan een bouwtraditie kortom die aangaf dat er ondanks alle verschillen het gevoel bestond dat men deel uitmaakte van een gemeenschap. In Berlijn bestaat die bouwtraditie uit het purisme, het rationalisme van de Verlichting, zoals zo goed is te zien in het werk van Karl Friedrich Schinkel, en uit het gebruik van lokale materialen als zandsteen en pleisterwerk.”

“Deze kenmerken moeten worden uitgebuit in het nieuwe Berlijn. Ik denk dat steden in de concurrentie tussen de metropolen alleen een kans hebben als ze een eigen profiel hebben. Men moet weten dat men in Berlijn is als men uit het vliegtuig stapt. Als we alles laten volbouwen door een architect als Helmut Jahn, gaat Berlijn lijken op een willekeurige Oostaziatische stad.”

Steden over hele wereld gaan steeds meer op elkaar lijken, stelt Stimmann vast: “De Europese stad wordt in het nauw gebracht door de oprukkende periferie. Als je bijvoorbeeld Parijs of Rome binnenrijdt, dan zie je een exploderende stad: hier een autobaan, daar een winkelcentrum, even verderop een kantoorgebouw of een sportcentrum en weer iets verder een rare woonwijk. En dat allemaal zonder enige samenhang. Dat vind ik verkeerd. Ik stel vast dat het gebeurt, maar anders dan mijn vriend Rem Koolhaas verheerlijk ik de periferie niet. Natuurlijk is de periferie fascinerend, ik maak op vakanties ook prachtige foto's van over elkaar heen schietende snelwegen. Maar ik wil er niet wonen.”

“Vaak wordt me gezegd dat het uitgangspunt van de Europese stad achterhaald is,” zegt Kollhoff. “Tokio en Hong Kong zijn de toekomst, zeggen veel collega's van me, zo moeten onze steden worden. Maar dit is typisch zo'n intellectuele hypothese die veronderstelt dat er een nieuwe 'international style' van stedebouw kan bestaan. De Tokio-aanhangers verlustigen zich in 'was ist' en vragen zich niet meer af 'was sein soll'. Tokio en Hongkong kunnen niet zomaar naar Europa worden verplaatst. Hier ontbreekt de Japanse cultuur. De ongelooflijke dichtheid van Tokio is alleen mogelijk door de grote discipline van de bevolking. Weliswaar is die ook in Japan aan het afnemen, maar een Tokio met Europese bewoners zou een regelrechte ramp worden. Het zou leiden tot moord en doodslag. Men kan bij stedebouw niet afzien van conventies die door de eeuwen heen zijn ontstaan.”

Parkeergarages

Kollhoff en Stimmann vinden allebei dat na de Tweede Wereldoorlog in Berlijn en in veel andere Duitse steden een te radicale poging is gedaan om met de conventies te breken. “Ik weet dat ik me niet geliefd maak als ik zeg dat het plan van Hans Scharoun, onze grootste naoorlogse architect die onder meer de Philharmonie hier ontwierp, een ramp is geweest,” zegt Stimmann. “Pleinen en straten moesten verdwijnen, vond hij. In zijn plan zou Berlijn één groot groengebied worden met grote flats op pootjes, parkeergarages en winkelcentra, doorsneden door autowegen. Zijn 'Stadtlandschaft' is weliswaar niet uitgevoerd, maar heeft zowel in West- als in Oost-Berlijn in grote invloed gehad. In hun omgang met de stad zijn de naoorlogse planners meedogenloos geweest, meedogenlozer nog dan de nazi's.”

Met de 'kritische reconstructie' van Friedrichstadt en Dorotheenstadt wil Stimmann een deel van de naoorlogse vernietiging van Berlijn ongedaan maken. De versmalling van de straten van 60 meter tot de vooroorlogse breedte van 22 meter vormt hierbij niet het probleem. Veel moeilijker is het om de vrijgekomen ruimtes, die bij elkaar de omvang van een hele stad aannemen, ook op een Europese, dat wil zeggen gedifferentieerde, manier in te vullen. Daarvoor is het voorschrift voor de bouwhoogte niet voldoende. “We leven in een laatkapitalistische tijd die wordt gekenmerkt door hoge kapitaalconcentraties,” zegt Stimmann. “De middenstand is verdwenen, individuele bouwers die allemaal een klein deel van een stratenblok voor hun rekening nemen bestaan niet meer. We moeten wel in zee gaan met projectontwikkelaars en andere grote investeerders als Sony en Daimler-Benz, en zij hebben belang bij zoveel mogelijk anonieme, aan willekeurige klanten te verhuren ruimtes. Maar we hebben de macht van de vergunning. Als je bijvoorbeeld eist dat de voor elk bouwblok vereiste 20 procent woningen niet wordt uitgesmeerd over de bovenverdiepingen maar concentreert in één huis naar een afzonderlijk ontwerp, dan ontstaat er al een gevarieerder beeld. We zijn nu aan het experimenteren met de stekkerdoosmethode. Een projectontwikkelaar krijgt een blok toegewezen en laat een coördinerende architect een globaal ontwerp maken. Maar de verschillende functies van het blok - huis, kantoor, winkels, hotel - worden vervolgens ontworpen door afzonderlijke architecten. Zo ontstaat ondanks de ene eigenaar van het blok een gedifferentieerd beeld. Daarnaast propageer ik het bouwen in de Berlijnse traditie als ik met architecten spreek. Waarom maak je geen façade met ramen, zeg ik dan. De façade is het snijpunt tussen de openbare en de privé ruimte. Het is belangrijk om uit het raam te kunnen hangen: het hoofd is dan openbaar, de kont privé. En schenk ook aandacht aan de ingang, zeg ik dan, laat zien waar de openbare ruimte overgaat in de privé ruimte. Voor zulke dingen vecht ik.”

Sculptuur

Dat zo weinig vooraanstaande 'avantgardisten' in Berlijn werken, heeft volgens Stimmann te maken met hun opvattingen over ontwerpen: “Het twintigste-eeuwse modernisme heeft het gebouw tot een sculptuur gemaakt die men van alle vier kanten moet kunnen zien. Tot onze eeuw waren alleen belangrijke gebouwen als kerken en paleizen losstaande objecten. De rest, woningen en kantoren, was verankerd in een stedebouwkundige context. Volgens onze opvattingen kun je woningen niet als objecten bouwen. Wie geen gebouwen met één of, als je het geluk hebt om op een hoek te bouwen, twee façades wil bouwen, heeft dan ook weinig kans in Berlijn. Wij willen in Berlijn geen opstelsom van objecten met interessante, scheve vormen - zo maak je geen stad.”

Ook Kollhoff vindt dat de 'Architektenstreit' uiteindelijk terug te voeren is op het debat tussen traditionalisten en modernisten, dat deze eeuw al twee keer eerder is gevoerd. “De eerste keer ontstond het debat aan het einde van de jaren twintig toen de Weissenhofsiedlung in Stuttgart werd opgeleverd met gebouwen van Le Corbusier, Mies van der Rohe en J.J.P. Oud. Traditionalisten leverden toen kritiek op de wens van de modernisten om volledig te breken met de geschiedenis, om alle bestaande bouwtradities overboord te gooien en het 'was ist' te intensiveren. In de discussies over architectuur in Darmstadt werd dit debat in de jaren vijftig herhaald. Architecten als Rudolf Schwartz vroegen zich toen af of de drang om na het Derde Rijk helemaal opnieuw te beginnen niet te ver was doorgeschoten. En nu, aan het einde van de twintigste eeuw, zijn we weer aangekomen op een punt dat veel architecten vinden dat de woning en de stad opnieuw moeten worden uitgevonden, omdat deze tijd van 'virtual reality', mobiliteit en complexiteitstheorieën een geheel nieuw denken over de stad vereist. En iedereen die een band zoekt met een traditie of een regionale architectuur, wordt tot reactionair of erger nog, nazi, bestempeld.”

Maar een nazi voelt Kollhoff zich niet. “Daniel Libeskind is buitengewoon onoprecht wanneer hij door de wereld trekt en overal verkondigt dat Berlijn de enige stad is waar hij als jood geen kans krijgt,” zegt Kollhoff. “Libeskind is naar Berlijn gekomen en mocht meteen deelnemen aan allerlei meervoudige opdrachten. Zijn ontwerpen waren vaak onuitvoerbaar, maar steeds werd hij weer uitgenodigd. Nu bouwt hij hier het Joods Museum en het is belangrijk om eens vast te stellen dat Berlijn de enige stad ter wereld is waar hij überhaupt een gebouw kan realiseren. Kortgeleden heeft hij bovendien een prijsvraag gewonnen voor woningen aan de Landesberger Allee, die ook uitgevoerd gaan worden. Dat is een reusachtig succes voor iemand die pas vijf à zeven jaar een praktijk in Berlijn heeft. De eerste vijf jaar na mijn terugkeer uit de Verenigde Staten heb ik in Berlijn, niets, maar dan ook helemaal niets gebouwd. Dat is normaal hier. Nergens anders op de wereld krijgen buitenlandse architecten zoveel kans als in Berlijn. Berlijn wordt het architectuurmuseum van het einde van de twintigste eeuw, daarover bestaat geen twijfel.”

Ook Stimmann reageert ontstemd op het verwijt van nationaal-socialistische sympathieën. “Eind jaren zestig was ik een linksradicaal die Marx, Engels en Marcuse las,” zegt hij. “Nu ben ik een linkse sociaal-democraat. Misschien is het idee van de Europese stad inderdaad achterhaald door de economische verhoudingen die op zichzelf staande winkel-, sport- en vrijetijdscentra dicteren. Ik zie ook wel de tendens in onze samenleving tot een toenemend individualisme en tot steeds autistischere gebouwen. Maar die beschouw ik als fataal. Wanneer het individu zichzelf niet meer ziet als deel van een gemeenschap, dan is dat het einde van de politiek en van de Europese stad.”

    • Bernard Hulsman