Procureur-generaal wist niets van fricties

DEN HAAG, 13 OKT. De procureur-generaal bij het Amsterdamse gerechtshof, R. van Randwijck, is pas sinds twee weken op de hoogte van de verdeeldheid over de aanpak van de georganiseerde misdaad binnen zijn ressort. Tot aan de parlementaire enquêtecommissie was hem niet bekend dat er verschillen van inzicht en fricties waren tussen 'Haarlem' en 'Amsterdam'. Beide parketten vallen onder zijn ressort.

“Hoe bedoelt u: verdeeldheid?” vroeg een verraste Van Randwijck aan het commissielid Koekkoek toen die hem over de begeleiding van de politie ondervroeg. “Heel eenvoudig”, zei Koekkoek, “op het parket in Haarlem wordt anders gedacht over het omgaan met informanten dan in Amsterdam. Dat is een verdeeld huis. Hoe kun je als openbaar ministerie leiding geven?” De stammenstrijd, de fricties tussen beide 'huizen' in het ressort was hem niet opgevallen. “Maar meneer Van Randwijck”, zei Van Traa, “het kan toch niet zo zijn dat u verneemt wat er in uw ressort gebeurt via de enquêtecommissie? Dat begrijp ik gewoon niet.” De twisten, de fricties worden hem niet gemeld, verklaarde Van Randwijck. “Ik wil van mijn hoofdofficieren weten welke zaken tot incidenten kunnen leiden.”

De commissie stelde vast dat uit de verhoren is gebleken dat het openbaar ministerie zijn gezag over de politie niet heeft laten gelden. Door dat ontbreken van verantwoordelijkheid nemen bij het OM konden Haarlemse politiemensen naar believen doorgaan met de opsporingsmethoden die tot de parlementaire enquête hebben geleid. Binnen het OM is onvoldoende duidelijk welke officieren verantwoordelijkheid dragen voor bepaalde besluiten, gaf Van Randwijck toe. Juist om die reden is minister Sorgdrager (justitie) nu bezig met een grootscheepse reorganisatie van het openbaar ministerie.

De hoofdofficier van justitie in Amsterdam, J. Vrakking, stond dichter bij de praktijk, liet hij de commissie in het volgende verhoor blijken. Hij gaf toe dat de relatie tussen de Amsterdamse en de Haarlemse 'scholen' binnen het openbaar ministerie “verstoord” is geweest. “Er is nog wat oud zeer”, zei Vrakking. Maar overigens spreken Vrakking en diens Haarlemse collega, hoofdofficier L. de Beaufort, volop met elkaar.

Vrakking zei overigens alleen in zeer uitzonderlijke gevallen akkoord te gaan met het doorleveren van softdrugs, de methode die het Haarlemse deel van het IRT volop hanteerde en waarbij tonnen verdovende middelen met medeweten van politie en justitie in Haarlem in het criminele circuit verdwenen. Zijn procureur-generaal ziet de methode wel als een aanvaardbare manier om criminele organisaties beter in kaart te brengen.

Vrakking zei de commissie dat hij al eind 1993, toen hij hoorde wat het IRT precies deed, had gezegd: “Wie runt wie in deze zaak?” In het voetspoor van de Haarlemse officier van justitie P. Snijders sluit Vrakking niet uit dat criminelen op de hoogte waren van de werkwijze van de politie, en er handig gebruik van hebben gemaakt. “Het begint met het doorlaten van een kleine hoeveelheid drugs, dan een grote, en vervolgens kun je niets meer in beslag nemen omdat de informant anders in gevaar komt.”

Uit het verhoor van Vrakking bleek dat het IRT Noord-Holland/ Utrecht heeft in 1993 in drie zendingen willens en wetens 4,5 miljoen xtc-pillen naar Engeland laten verdwijnen. Het laatste transport bevatte ook cocaïne. De Britse autoriteiten zijn bewust niet op de hoogte gesteld van de zendingen. De informant van het IRT zou anders in gevaar zijn gekomen. Ook toenmalig minister van justitie Hirsch Ballin werd om die reden niet ingelicht.

De eerste twee ladingen kwamen in de straathandel terechtgekomen, de derde werd onderschept door de Engelsen, waarschijnlijk na een tip uit Nederland. De pillen waren zo goed verborgen in een tankwagen verborgen, dat ze alleen dank zij een tip konden worden gevonden, zei Vrakking. De chauffeur van de tankwagen werd daarbij aangehouden en later veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf. Vrakking werd later van deze doorleveringen op de hoogte gesteld zijn officier van justitie J. Wortel.

Eerder zei H. Wooldrik, directeur op het ministerie van justitie, voor de commissie dat het departement aanwijzingen had dat de doorleveringen plaatsvonden, maar dat die onvoldoende waren om te voorkomen dat de transporten doorgingen. Doel van de IRT-actie was een criminele organisatie in kaart te brengen.

De Rotterdamse officier van justitie R. de Groot ontkende gisteren dat bij het zogenoemde Bever-onderzoek dat de politie bewust verdovende middelen op de markt heeft laten komen. Gebleken is dat een kleine 20.000 kilo is verdwenen. Eerder verklaarde de Rotterdamse recherche-chef H. Jansen dat het de bedoeling was geweest de drugs in beslag te nemen, maar dat er in het verkeer problemen ontstonden met het volgen van de partij. Bij de Beverzaak maakte de Rotterdamse politie gebruik van de informatie van de IRT-informant die werd begeleid door de Haarlemse politieman K. Langendoen.

Eerder stelde de commissie-Van Traa vast dat bij de 'overname' van de informant door Rotterdam, in december 1993, is besproken dat er drugs moesten worden doorgelaten om de positie van de informant binnen de criminele organisatie te versterken. Officier De Groot ontkende dat gistermiddag. Een partij drugs zou alleen worden doorgelaten als het leven van de informant in gevaar zou komen bij de inbeslagname van een partij.