Op jarige Rijksakademie heten de studenten 'deelnemers'

Tentoonstelling: De betekenis van het tekenen. T/m 5 nov in de Rijksakademie, Sarphatistraat 470, Amsterdam. Wo t/m zo 13-17u. M.m.v. van Bianca Stigter

AMSTERDAM, 13 OKT. De Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, een postacademische opleiding, viert vandaag zijn 125-jarig bestaan. Vanmiddag wordt er een tekeningententoonstelling geopend met werk van 23 jonge oud-studenten. Aan staatssecretaris Nuis van OKW wordt het boek De betekenis van het tekenen aangeboden. Afgezien van een lezingen- en debatprogramma, besteden deze maand nog enkele Amsterdamse musea, met zeer kortlopende tentoonstellingen aandacht aan het jubilerende onderzoeksinsituut. Het Amsterdams Historisch Museum zet de steenkolenhandelaar en collectioneur C.J. Fodor in het zonnetje, een man die door zijn financiële steun de Koninklijke Academie in stand heeft gehouden, de voorloper van de Rijksakademie.

Voor de expositie selecteerde Frank van den Broeck 110 tekeningen: “Niet als kunstenaar maar als bloemlezer heb ik een stand van zaken-tentoonstelling samengesteld over de periode van zeven jaar die ik zelf als begeleider aan de Rijksakademie heb meegemaakt.” Juist het tekenen herinnert aan de diepe wortels van de Rijksakademie, de Stadsteeken-academie, opgericht in 1708.

Andere evenementen, zoals open atelierdagen en de publicatie van een boek over de soms turbulente academie-geschiedenis, zullen later dit jaar opnieuw memoreren dat in 1870 de officiële overdracht van het gebouw een feit was, een pand dat eerst de Koninklijke Academie toebehoorde. In dat jaar werd ook de kunstcollectie van de stad overgedragen aan de Rijksakademie. Het 'Center of Excellence', zoals de Rijksakademie zich nu afficheert, beschikt over 25 part-time kunstenaar-begeleiders, negen technische specialisten en een budget van 4,8 miljoen gulden. Het biedt onderdak aan zo'n 65 gevorderde, binnen- en buitenlandse kunstenaars, werkzaam in eigen ateliers. Vanaf 1986 waren dat 7 Amerikanen, 20 Duitsers, 33 Britten, 4 Hongaren, diverse andere nationaliteiten, en 171 Nederlanders. Jaarlijks ontvangt men 650 aanmeldingen, waarvan er dertig voor een werkperiode van één tot twee jaar worden gehonoreerd.

Wat in 1870 begon als vooruitstrevende instelling waar studie naar de natuur de basis vormde voor het schilderen, beeldhouwen en de grafische technieken en waar meteen al Berlage, Breitner, Toorop, Mondriaan, maar ook Suze Robertson en Thérèse Schwartze de drempel over stapten, veranderde in 1984 in een werkplaats voor kunstenaars-in- wording, vergelijkbaar met de Jan van Eyck-academie in Maastricht en Ateliers '63 in Amsterdam.

Luide protesten en een langdurige bezetting gingen aan die verandering naar vooraf. Directeur J. van Riemsdijk moest tijdens die identiteitscrisis, in 1981, het veld ruimen vanwege weerstanden op de academie en de publicatie van zijn al te openhartige autobiografische notities: '...terwijl ik aan het slampamperen ben, loopt het binnen de Akademie heel soepeltjes (...) Ik heb vaker iets verpest door mijn best te doen dan door nonchalance'. Hij werd opgevolgd door de huidige directeur, organisatiesocioloog Janwillem Schrofer.

“Een man die er zeer veel energie in heeft gepompt”, zegt Hans van Houwelingen (student 1985-1988). “En die energie stimuleerde en enthousiasmeerde de deelnemers. Schrofer stond open voor initiatieven, we mochten zelf docenten aandragen. We deden dingen die nu vanwege het budget en de overgestructureerdheid niet meer voorkomen. Met collega Berend Strik mocht ik vier maanden naar Amerika; musea en galeries bezoeken, kunstenaars ontmoeten en twee maanden in Florida werken. Op de Rijksakademie heb ik geleerd professioneel te zijn.” Aan die postacademische status waren vijftien jaren van onzekerheid vooraf gegaan. De Rijksakademie werd lange tijd hooghartigheid verweten tegenover de circa vijftien andere academies die zich in lesaanbod nauwelijks onderscheidden, maar in financieel opzicht wèl waren achtergesteld. 'Er heerst daar een vijandige mentaliteit ten opzichte van het actuele kunstgebeuren', meenden kunstenaarsgroepen in de jaren zestig. De Bond van Beeldende Kunstenaars sprak van een 'streven naar taak- en invloedsuitbreiding die wij voor het kunstleven in Nederland gevaarlijk achten' en 'een verouderde en bekrompen visie' die 'gediplomeerde kunstenaars' wordt opgedrongen.

Inmiddels is de Rijksakademie, die in 1997 verzelfstandigt, verhuisd naar de ingrijpend verbouwde Cavaleriekazerne aan de Sarphatistraat. Toch zal menige, nu vooraanstaande kunstenaar vooral herinneringen bewaren aan het bastion op de Stadhouderskade. Kees Verwey, Corneille, Karel Appel, Kurt Löb, Willem den Ouden en Constant Nieuwenhuys werden er opgeleid of gaven er les.

“Ik heb er vooral een grote werkdiscipline gekregen”, zegt Marte Röling, studente in de jaren vijftig. “De stilte, de materialen, de etsafdeling; ik realiseer me nu dat ik er zorgeloos en niet schools heb kunnen werken. Aan de lessen in anatomie en cultuur- en kostuumgeschiedenis heb ik veel gehad. Mijn ouders zijn elkaar voor het eerst op de academie-trappen tegengekomen, mijn vader was er hoogleraar en ik heb daar veel van hem geleerd. Als kind kwam ik er al, ik kende de kunstenaars en het was bijna vanzelfsprekend dat ik er ook naartoe zou gaan.”

De Limburgse schilder Pieter Defesche, student in de oorlogsjaren, dankt vooral veel aan de 'modernist en internationale figuur' Heinrich Campendonk. “Hij steunde me in een expressieve manier van werken, zonder de studieuze en historiserende kanten te veronachtzamen.” Het was er zeer koud in de oorlog, herinnert zich Defesche, maar er was ook gevoel van veiligheid omdat studenten gevrijwaard waren van de Arbeitseinsatz. Saamhorigheid kwam er mondjesmaat voor, “hoewel we wel allemaal in de gaarkeuken stonden.”

Defesche heette nog 'student', de huidige Rijksakademie-kunstenaar noemt zich 'deelnemer' (“zo zou ik nooit willen heten”, aldus Marte Röling) die niet met 'docenten', maar in contact met verschillende begeleiders 'zijn eigenheid ontdekt, dat wat artistiek echt van hem is', zoals Schrofer het eens formuleerde. “Door tegenstrijdige visies en confronterende gesprekken met de begeleiders ben ik me bewuster geworden van de inhoud van mijn werk”, aldus Karin Arink (jaargang 1990-1992). “Ik hield aanvankelijk vast aan de vorm. Nu dring ik tot de essentie door van wat ik inhoudelijk met mijn beelden wil zeggen.”

Erzsébet Baerveldt (jaargang 1990-1993), exposant op de tentoonstelling van Frank van den Broeck, dankt aan de Rijksakademie haar concentratie, ontstaan “door de rust, de faciliteiten en de support, die er geboden werden”. “Het instituut zelf is bescheiden, een soort zwijgende achterhoede, men respecteert je zelfstandigheid, je krijgt geen ideeën van anderen over je heen gegutst, waaruit je zelf dan weer iets moet distilleren, zoals op een gewone academie, en daardoor houd je het gevoel alles op eigen kracht te hebben bereikt.”

Ook de Britse Georgina Starr, die nu deelneemt aan de expositie Wild Walls in het Stedelijk Museum in Amsterdam, accentueert het isolement en de concentratie die daarvan het gevolg was. “Als Engelse studenten mij vragen of ik ze de Rijksakademie kan aanraden, zeg ik altijd: als je echt wilt werken en geen behoefte hebt aan sociale contacten, zou ik erheengaan. Soms voelde ik me erg opgesloten in dat grote gebouw. Ik had altijd het idee dat het leven zich ergens anders afspeelde. De Rijksakademie bracht je niet in contact met de Amsterdamse kunstwereld, die erg gesloten is. Ik heb daar pas aan het eind van mijn tweede jaar door toeval mensen uit leren kennen. Nu vind ik het in Amsterdam leuker dan toen ik nog op de academie zat.”

Met de begeleiders had Starr niet veel contact. Ze maakte wel afspraken, maar omdat ze het tijdens haar studie al druk had met exposeren, moest ze die vaak afzeggen. De academie leek niet altijd even gelukkig met die exposities. “Ze hebben volgens mij liever dat studenten pas het werk gaan exposeren als ze de academie hebben verlaten. Dan lijkt het succes van de deelnemers ook een beetje hun verdienste.”

Starr vond niet alle begeleiders even interessant. Sommigen zaten er al heel lang en hadden niet veel meer te vertellen, zegt ze. “Het merkwaardige was dat de leraren die er bijna elke dag waren, door de studenten niet zo werden gewaardeerd, en de leraren die ze wel interessant vonden, zoals Niek Kemps en Marlene Dumas, maar twee keer per maand langs kwamen. Ik had niet zo'n behoefte aan gesprekken. Als ik een begeleider op de gang zag rondhangen, ging ik snel mijn atelier binnen en deed de deur op slot. Dan deed ik net of ik er niet was.”

    • Marianne Vermeijden