Nuis moet ook zelf het pantser rondom cultuur doorbreken

'Pantser of ruggegraat' heet de jongste notitie van staatssecretaris Nuis over het cultuurbeleid.

Verschanst de cultuur zich, of treedt zij in open dialoog met de rest van de samenleving? Nuis kiest terecht voor de laatste optie, vindt Pim van Klink, maar laat hij dan ook het goede voorbeeld geven.

Het is even wennen of misschien zelfs wel slikken voor de spraakmakende culturele elite om beeldend-kunstgoeroe Rudi Fuchs bij het honderdjarige verjaardagsfeestje van zijn Stedelijk Museum de herwaardering van de publieke belangstelling voor kunstuitingen te horen propageren. Nog verwarrender is het voor diezelfde elite als een theaterspektakel, over een voetballer in een voetbalstadion opgevoerd, leidt tot meer dan lovende kritieken van 's lands meest gevreesde toneelrecensenten.

Het lijkt op een Umwertung aller Werte, maar het is een logische stap in een proces dat zijn oorsprong vindt in het begin van de jaren tachtig. De cultuurparticipatie in die periode laat zich goed beschrijven door de opvattingen van de Franse socioloog Bourdieu. Hij stelde dat cultuurconsumptie in tijden van allerlei maatschappelijke nivelleringstendensen het middel bij uitstek is voor sociale distinctie. Met andere woorden, als je je niet meer door je opleiding of inkomen kunt onderscheiden van de massa, dan lukt dat nog wel door een onbegrijpelijk toneelstuk of atonaal concert te bezoeken.

Een kring van belanghebbenden vond elkaar in deze isolationistische beweging en in eendrachtige samenwerking waren recensenten, makers, adviseurs, beleidsmakers en tussenpersonen, jarenlang in staat om de rest van de samenleving te laten geloven dat slechts de door hen goedgekeurde activiteiten het officiële cultuurstempel mochten dragen. Het sprak vanzelf dat zeer weinigen deze officiële kunst apprecieerden, want hoe moesten de uitverkorenen zich anders van de massa onderscheiden.

Deze Bourdieu-these verklaart moeiteloos een aantal ontwikkelingen in de cultuursector van de afgelopen periode, waaronder de gestaag dalende officiële bezoekstatistieken. Lastige bijkomstigheid voor de culturele afscheidingsbeweging is, dat in haar visie juist de groepen waarvan zij zich wil onderscheiden, de rekening moeten betalen.

Terwijl de kring om deze zogenoemde kunstkunst steeds kleiner werd, ontstond daarnaast een ander circuit aan cultuuruitingen dat niet als zodanig erkend en geregistreerd werd. De roep om een bredere registratie, meer recht doend aan de werkelijke plek van cultuur in de samenleving, werd luider, maar pas in 1992 werd een eerste verantwoorde poging in die richting gedaan.

Het CBS en de gemeente Groningen hebben in dat jaar gezamenlijk een onderzoek uitgevoerd naar het werkelijke aanbod en bezoek aan podiumkunst-activiteiten in de maand oktober in die stad. Hieruit bleek wat allang vermoed werd. Naast het reguliere, door het CBS gemonitorde, circuit bestaat een minstens zo groot niet-regulier circuit.

Ter illustratie: in de stad Groningen werden in oktober 1992 100 reguliere podiumkunst-voorstellingen gehouden met 34.930 bezoeken tegen 269 voorstellingen in het niet-reguliere circuit met 32.450 bezoeken. Ruim een derde van deze laatste voorstellingen werd door podiumkunste-

naars uitgevoerd die daar hun inkomen aan ontlenen.

Opmerkelijk is bovendien dat het publiek van de niet-reguliere sector niet overeenkomt met het profiel van de kunstminnaar, zoals dat meestal in de onderzoeken naar voren komt. Dit publiek wordt niet gekenmerkt door een sterke ondervertegenwoordiging van jongeren, lager opgeleiden, bejaarden en mannen. Het lijkt alsof er twee podiumkunst-sectoren in Nederland bestaan die verschillen in de aard van het aanbod en de samenstelling van het publiek. Eén sector wordt in extenso bestudeerd door wetenschappers, statistici en beleidmakers, terwijl de andere sector als het ware onzichtbaar floreert.

Staatssecretaris Nuis heeft met zijn onlangs verschenen 'Uitgangspuntennotitie' het startsein gegeven voor het traject dat moet leiden tot een nieuwe cultuurnota voor de periode 1997-2000. Uit de titel van zijn notitie, Pantser of ruggegraat, blijkt al dat hij zich zeer bewust is van de cruciale fase waarin de positionering van cultuur in de samenleving zich bevindt: verschanst de cultuursector zich achter een pantser tegen de boze buitenwereld of gaat zij met rechte rug een open, constructieve, dialoog aan met de rest van de samenleving? Nuis' voorkeur gaat uit naar de laatste optie. De hamvraag is dan hoe een beleidsinstrumentarium gecreëerd kan worden dat past bij de ruggegraatsoptie.

De gemeente Groningen heeft een poging in die richting gedaan door haar beleid voor de komende vier jaren te baseren op een breder cultuurbegrip. Dat het hierbij niet om een louter academische definitiekwestie gaat, moge uit de volgende twee toelichtingen blijken. Allereerst het allochtonenvraagstuk. De culturele beleidsmakers breken zich het hoofd hoe de nieuwe Nederlanders deelgenoot te maken van de cultuur. In de kern komen alle pogingen neer op de vraag: hoe krijgen we de allochtonen in onze musea, in onze theaters en concertzalen? Ondanks de spaarzame successen blijft de cultuurparticipatie van allochtonen in deze benadering op een laag peil.

Als we daarentegen aansluiten bij het cultuurbegrip van allochtone bevolkingsgroepen, dan blijkt de participatie helemaal niet laag te zijn. Bijeenkomsten waar de eigen allochtone cultuur beleefd wordt, komen veel voor en worden goed bezocht. Nederlandse beleidsmakers hebben dat weggestopt onder het kopje 'welzijn', waardoor er een beleidsmatig probleem is gecreëerd waar de doelgroep part noch deel aan heeft.

Als we de komende tijd in Nederland uitgaan van een breder cultuurbegrip en enige beleidsmatige en financiële herschikkingen tussen 'cultuur' en 'welzijn' aanbrengen, dan hoeven cultuurinstituten geen geforceerde allochtonenprojecten meer te initiëren.

Een ander voorbeeld levert de jongerencultuur. Het is nog niet zo lang geleden dat popmuziek door de cultuurelite te vuur en te zwaard bestreden werd en geen toegang had tot het officiële beleid en de daarbij behorende geldstromen. Inmiddels is de popmuziek salonfähig en een belangrijke inspiratiebron voor beeldend kunstenaars, filmers en schrijvers geworden.

Bij de nieuwste loot aan de stam van de jongerencultuur, de housemuziek en alles wat daarmee annex is, dreigt zich eenzelfde verkettering voor te doen als in de beginfase van de pop. Het zou de verantwoordelijke bestuurders niet missstaan als zij zich niet voor de tweede maal aan dezelfde steen zouden stoten en de house zouden erkennen als belangrijke cultuuruiting van jongeren in deze tijd. Dat betekent vooral nìet dat er subsidiestromen in deze richting moeten komen - er wordt al genoeg geld verdiend in dit circuit - maar dat de overheden hun voorzieningen- en vergunningenbeleid hierop moeten afstemmen.

Bij het brede cultuurbegrip hoort ook een andere attitude van bestuurders, beleidsmakers en managers. Niet langer moet het heil gezocht worden in het zich afzetten tegen andere sectoren in de samenleving, maar juist in het aangaan van strategische allianties met 'welzijn', 'onderwijs' en 'sociale zaken en werkgelegenheid'. Ten slotte wil ik pleiten voor een nadere exploratie van het raakvlak tussen cultuur en economische zaken.

Lange tijd vormden cultuur en economie volstrekt gescheiden circuits, maar sinds enige tijd is een voorzichtige vrijage op gang gekomen. Kunst is door het bedrijfsleven ontdekt als glijmiddel en de kunst laat zich daar al dan niet goed voor betalen. De kunst maakt evenwel nog te weinig gebruik van de economische wetmatigheden met het doel er zelf beter van te worden. Beleidsmakers en kunstenaars houden elkaar in een wurgende greep van wederzijdse subsidie-afhankelijkheid, terwijl het economisch instrumentarium veel meer mogelijkheden biedt, zowel aan cultuurmanagers als aan overheden.

Zo zouden overheden bijvoorbeeld kunnen participeren in de aanloopfase van projecten met als doel een rendabele exploitatie. Een andere mogelijkheid is dat de overheid risicodragend kapitaal (mede-)beschikbaar stelt voor potentieel rendabele projecten. De tijd lijkt rijp voor een aantal proefnemingen op dit gebied de komende periode.

Als staatssecretaris Nuis van de cultuursector verwacht dat zij zich met overgave en rechte ruggegraat in de dialoog met de samenleving stort, dan past het hem zelf het goede voorbeeld te geven door met voortvarendheid het pantser waarmee het cultuurbeleid nog steeds is omgeven, te doorbreken.

    • Pim van Klink
    • Cultuur van de Gemeente Groningen