Nederland verwaarloost zijn toptalenten

ROTTERDAM, 13 OKT. Er is één pijnlijke vraag die wetenschappelijk Nederland bezighoudt na de toekenning van de Nobelprijs voor scheikunde aan de Nederlander Paul Crutzen. Waarom geen Nobelprijs voor Nederlands onderzoek aan een Nederlandse universiteit?

Crutzen had Nederland al in 1960 verlaten en is nu directeur van het Max Planck-instituut in het Duitse Mainz. De natuurkundige S. van der Meer, die in 1984 de Nobelprijs ontving voor zijn technische verbetering van de deeltjesversneller, woont en werkte in Genève. De laatste keer dat de prijs naar Nederlands onderzoek in eigen land ging, was toen in 1953 F. Zernike aan de Universiteit van Groningen de Nobelprijs kreeg voor de uitvinding van de fasecontrast-microscoop. Is er in Nederland te weinig talent? Te weinig geld voor wetenschappelijk onderzoek? En wat is er veranderd sinds de tweede wereldoorlog? Tot 1940 ontvingen namelijk acht Nederlanders de Nobelprijs voor natuurwetenschappen.

“Wat iedereen aan het denken zou moeten zetten”, zegt B. Willink, die in 1988 promoveerde op het wetenschappelijk klimaat in Nederland, “is dat Crutzen directeur is van het Max Planck-instituut. Nederland heeft zoiets niet. Er zijn wel wat onderzoeksscholen maar het zal nog jaren duren voor dat internationale kwaliteit oplevert.”

Ook voor T. van Raan, directeur van het Centrum voor Wetenschaps- en Technologiestudies in Leiden, is het een raadsel dat, hoewel in Nederland veel talent aanwezig is, doorbraken naar de echte top uitblijven. Volgens hem is het een kwestie van toeval, pech en verwaarlozing van toptalent. “De VS zijn wetenschappelijk gezien twintig keer zo groot als Nederland, Duitsland vier of vijf keer. Het is dus logisch dat daar de meeste prijzen naar toe gaan. Maar dat neemt niet weg dat Nederland statistisch gezien wel weer eens aan de beurt zou moeten komen.” Nederland verwaarloost volgens Van Raan het wetenschappelijk talent. Het probleem is niet zozeer dat er te weinig geld is voor onderzoek, als wel dat de wijze van verdelen ervoor zorgt dat het op de verkeerde plaatsen terechtkomt. “De eerste geldstroom, het geld dat direct van Den Haag naar de universiteiten gaat, is nergens zo groot als in Nederland. Dat geld wordt verdeeld door lokale raden. Daarbij is de democratisering te ver doorgeschoten, zodat het meeste geld terechtkomt bij de middelmaat.” In landen als Frankrijk en Duitsland hebben nationale instituten veel meer invloed op de besteding van het geld.

S. van der Meer kreeg zijn Nobelprijs voor zijn bijdrage aan de ontwikkeling van een technische installatie die te groot is voor Nederland. Dat hij in het buitenland werkte is dus logsich. Na hem hadden echter volgens Van Raan in 1979 de wel in Nederland werkzame fysici G. 't Hooft en M. Veltman zeker de Nobelprijs moeten krijgen voor hun wiskundige onderbouwing van een baanbrekende theorie van Weinberg, Glashow en Salam, die het aantal fysische wisselwerkingen in het heelal terugbracht van vier naar drie. “Zo'n theorie is een prachtig stuk werk, maar zonder wiskundige onderbouwing is het niets.” De Nobelprijs ging in 1979 naar de drie genoemde geleerden. De Nederlanders vielen buiten de boot door de regel van het Nobelcomité dat voor één ontwikkeling ten hoogste drie wetenschappers worden gelauwerd. Dit is volgens Van Raan een litteken voor de natuurwetenschappelijke gemeenschap in Nederland en voor de betrokkenen zelf. “Het geeft wel aan hoe dicht bij we er geweest zijn. Dat was puur Nederlands werk, ontwikkeld aan de Utrechtse Maliesingel en veel fundamenteler dan het werk van Van der Meer.”

Wetenschapsfilosoof B. Willink, die in 1988 promoveerde op een proefschrift over de wetenschappelijke bloeiperiode in het vooroorlogse Nederland, en concludeerde dat Nederland nu een periode van wetenschappelijk verval beleeft. Bij de burgerij noch bij de politiek bestaat belangstelling voor wetenschap en dat draagt bij tot een klimaat waar kwaliteit weinig kans heeft. Willink wijst erop dat Paul Crutzen een HBS-opleiding heeft. Van de acht Nederlandse natuurwetenschappelijke Nobelprijswinnaars voor 1940 hadden er zeven eveneens zo'n opleiding. De in 1863 opgerichte Hogere Burgerschool bood kennelijk wel het goede klimaat voor wetenschappelijke toppers.

De Nobelprijs is een kleine orkaan in het leven van de wetenschapper. Voor de natuurkundige Van der Meer kwam de prijs in 1984 volkomen onverwacht. Van der Meer is wegens een verblijf in het ziekenhuis in zijn woonplaats Genève niet voor commentaar bereikbaar.