Leiden aan de spoorbaan

De bebouwing aan de oostelijke kant van de spoorlijn tussen Den Haag en Amsterdam, waar het traject langs Leiden voert, heeft altijd tot de merkwaardigste van Nederland behoord. Met altijd bedoel ik de ongeveer vijftig jaar van mijn ervaring op deze paar kilometer. Grote veranderingen hebben zich voltrokken, nooit heb ik er iets moois gezien. Tot op de dag van vandaag staat er een pandje, één verdieping hoog, niet meer dan een meter of vier breed, opgetrokken uit donkerrode baksteen, nog met een soort torentje erop gefrutseld, en dat draagt een vuilwitte gevelsteen met in siercijfers het jaartal: 1906. Als de trein de brug over het water van de Oude Rijn achter zich heeft gelaten en we zijn de terreinen van Werninks betonfabriek gepasseerd komt er een rijtje huizen waar de passagier een blik in de achtertuinen, aanbouwsels, eigengemaakte schuurtjes, dakkapellen en slaapkamers wordt gegund. Allemaal particuliere architectuur, illusies van het Leidse volk, beklijfd in manjaren van zondagsgeknutsel. Ik zal me ervoor wachten, daarover een beetje gemakkelijke ironie ten beste te geven.

Nu wordt dat allemaal dichtgetimmerd, de bewoners verhuizen naar de nieuwe buitenwijken waar niets valt te knutselen. Langs de oostkant van de spoorlijn groeit voorspoedig de nieuwe gevelrij: een grote 'woonflat', kantoren, de brede straat die het centrum met het nieuwe station verbindt, een hotel, meer kantoren, een gesloten front van grijze rechthoeken. Het is niet groot, niet klein, niet traditioneel of modern, het heeft op een of andere manier dezelfde kneuterige kaalheid die het kenmerk was van wat er heeft gestaan, met één verschil: het is ontdaan van alle illusies, iedere particuliere hoop, de kleine poëzie van de eigen maaksels.

Overal in de industriële wereld bouwen mensen als bezetenen. In de Volkskrant van vorige week zaterdag staat een interessant artikel van Toine Berbers, Wedren naar de wolken. Het gaat over het Aziatisch streven om het hoogste gebouw ter wereld in je stad te krijgen. In Kuala Lumpur komen de Petronas Torens, een tweeling van 446 meter, volgend jaar voltooid. Maar als er niets tussenkomt is in 1998 de Nina Toren in Hongkong klaar: 500 meter. En de Japanners spelen met het idee om in Tokio de Millenium Toren te bouwen, de voorlopige genadeklap van 700 meter. De eerzucht van een werelddeel? Gevolg van het even oude als simpele denkbeeld dat wie het hoogst bouwt ook de baas is?

Deze week ben ik op de hoogste verdieping van de Rembrandt Toren in Amsterdam geweest, tot mijn plezier en tevredenheid. Plezier omdat het altijd mooi is, je ergens hoog boven de aarde te bevinden, en tevredenheid omdat ik het een mooi gebouw vind: traditioneel, zeker, maar in geen enkel opzicht kinderachtig en de hemel zij dank gespeend van krampachtig streven naar originaliteit, ludiek-zijn, al dat pogen waardoor je met gekromde tenen gaat lopen. “Weet u,” zei mijn begeleider trots, “dat je hier bij heel helder weer de skyline van Rotterdam kunt zien, en zeker de toren van de Nationale Nederlanden?” Dat was een vreedzame opmerking want daarmee sloot hij iedere interstedelijke wedijver uit. In historisch opzicht is het een groots moment. Graag was ik de eerste geweest die op zo'n heldere dag het bijna niet kon geloven, en toen had geroepen: Kijk, dat moet Rotterdam zijn! Tien jaar geleden had niemand het voor mogelijk gehouden dat Amsterdammers en Rotterdammers naar elkaars wolkenkrabbertjes zouden kunnen kijken.

Ik gebruik het verkleinwoord in de hoop dat dit nog maar het begin is. Op initiatief van het Ministerie van VROM wordt de komende maanden een reeks 'gesprekken' gehouden over de toekomst van het Groene Hart van Zuid Holland. Deze gesprekken heten Groene-Hartgesprekken. In deze krant stond maandag daarover een voorbeschouwing van Dick van Eijk. Wordt het hier verder volgebouwd, ja of nee? Als we in de industriële wereld om ons heen kijken, en we weten in welke situatie Nederland is, en we beseffen waarmee de gemeenten in dit gebied, de Spoorwegen en de autowegenbouwers nu bezig zijn dan moeten we tot de slotsom komen dat hier geen vraag kan worden gesteld die met ja of nee kan worden beantwoord. Het is: ja, maar hoe? De weilanden zullen verdwijnen, er komen nieuwe steden, de oude steden zullen zich verder uitbreiden en als we niet opletten, in de vaart van het postmoderne leven daarbij ook hun kernen hervormen. Dat alles is deel van een groot randstedelijk, of zelfs nationaal complex. Mij dunkt dat er op het ogenblik een paar 'modellen' in wording zijn die kunnen leren hoe het verder niet moet. Het gevelfront van Leiden aan de spoorbaan is er één van.

    • H.J.A. Hofland