Jongen, jij bent van alles de schuld

Soms komt de jongen die ik geweest ben, zestig jaar geleden, mijn kamer binnen en haalt zijn gram: “Wat heb je met mij gedaan? Ik had toch beter verdiend? Is dit het nou?”

Ik zeg: “Vlerk! Het heeft me jaren gekost om je kwijt te raken! Sodemieter op! Hoe durf je! Was naar school gegaan! Maar jij zat gedichten te lezen!”

Hij zegt: “Profiteur! Als ik die gedichten niet had gelezen had jij ze niet uit je hoofd gekend! Zeg Van Vriesland nog eens op! Vooruit! De laatste vier strofen van 'Rive gauche'! De zeventien strofen van 'Avondlijk tweegesprek tussen de dichter en de harmonika'! Wat ben je zonder mij? Helemaal niks! Je hebt me de deur uit geschopt en nooit meer iets onthouden.”

“Rotjongen”, zeg ik, en sla met de vuist op tafel. “Veertien ben je en je hebt nog geen meisje een zoen gegeven. En dan onthoud je na eerste lezing: 'En 'k denk aan jou die mij bent voorgegaan/ En nader mij was dan één mens kon wezen,/ Van onze smartelijke strijd ontdaan/ En tot een eeuwig niet-meer-zijn genezen.' Wat moet jij daarmee! Dat zieke brein van jou! Ben je jaloers op de dichter die langs de Seine-oever liep en aan zijn in waanzin gestorven geliefde dacht?Jawel! Jaloers ben je! Je wilt interessanter verdriet dan het jouwe! Jij komt mij rekenschap vragen? Ik vraag jou rekenschap!”

Hij lacht met die honende hinnik en zegt: “Denk aan de harmonika. 'Altijd, altijd kom ik weer.' Je raakt me niet kwijt.”

“Het is jouw schuld” zeg ik. “Ik wil met scherpe bewondering over de poëzie van Van Vriesland praten, dwaal af in herinneringen, mijmeringen, overtuig niemand. Niemand. Nooit. Ik weet veel meer van hem dan jij. Puistekop! Toen ik je het huis uittrapte had je twee bundels van hem gelezen, Voorwaardelijk uitzicht en Herhalingsoefeningen, en daar begrijp je niets van.”

Hij zegt: 'Eeuwig leeft wat even maar/ Een grond van u heeft aangeboord.'

“Bespottelijke regels!” zeg ik. “Bedoel je dat die poëzie een grond van mij heeft aangeboord? Een grond! En voor eeuwig! Uit 'Avondlijk tweegesprek tussen de dichter en de harmonika'. Over liefde. Daar weet jij niets van. Je ziet er niet naar uit dat je er ooit iets van zal weten. Je hebt gelijk. Die poëzie heeft een grond van me aangeboord. Allemaal paradox, wanhoop om dualisme. Onweer, kortsluiting. Tot in de sonnetten van klassieke beheersing. Waarom lees je dat? Wat moet jij met hartstocht, wijsbegeerte, cynisme? Waarom verpest je mijn leven ermee? Het stikt in die gedichten van de ontleningen en toespelingen. Wat is dat nu voor taal! Retorisch, geaffecteerd, gewrongen, deftig-populair. Vind jij dat mooi? Wat hij over Parijs dicht: 'Haar ranke, dartle vrouwen te beminnen/ Was mijn geschoolde en felle vlees nooit zat'? Zijn geschoolde en felle vlees! Rotjongen, dat windt je op. Als ik lopen kon liet ik je hier zitten, met zijn Verzamelde gedichten en zijn laatste bundeltje Bijbedoelingen en de mooie kleine bloemlezing van Dirk Kroon, Klopsignalen. Jouw vlees wordt vast en zeker nooit geschoold en fel.”

Hij zegt: “Loop maar: mij ontkomt ge niet. Veel gewonnen, meer verloren.'

Ik zeg: “Weer die harmonika. Weg met de dichtkunst. De dichtkunst heeft me verwoest. Ik zat op m'n vijftigste in de auto van een dichter die zeventig was. Hij had zorgen omdat hij verliefd was op een dichteres die de weduwe was van een dichter. We gingen van Amsterdam naar Hilversum om voor de radio over gedichten te praten. Hij schrok van iets, gooide zijn stuur om, raakte in een slip, ik vloog met portier en al de auto uit en kwam na maanden invalide uit het ziekenhuis. Jongen, jij bent van alles de schuld.”

Hij zegt: 'Zo kun je me niet troosten/ Voor al het leed dat ik je gaf.'

“Ellendeling”, zeg ik. “Dat citeer je nu al, wat moet ik zestig jaar later citeren, en jij begrijpt er niets van. Zullen we ons even met elkaar verzoenen? Ik lag in dat ziekenhuis, met mijn benen en mijn linkerarm in rekverband opgetakeld, toen Van Vriesland bij me op bezoek kwam. Hij was negenenzeventig, ziek, brekelijk, mooi in het pak, goed geurend, een deftige oude heer, heel indrukwekkend. Ik lag erbij als op een mop, en ik stonk. Hij vertelde dat de schok van mijn dood (hij deed het niet voor minder) hem ertoe had aangezet gedichten te schrijven. Hij liet ze achter, ik was te zwak om er iets van te begrijpen. Later las ik ze. Eén begint: 'We aten samen, ruim twintig jaar geleden,/ Op de Handschoenenmarkt in Antwerpen.' Dat gedicht ging, geen twijfel aan, over een noenmaal van ons en onze vrouwen. Het sluit wijsgerig: 'Alles bestaat en/ Bestaat voort- Of niets; maar/ Ook dat is alles.' Was het maar een mooi gedicht.”

“Zie je wel?” zegt de jongen. “Je hebt niets zo niet alles aan mij te danken, en dat niets, dat is.”

“Waar hebben jullie het over?” zegt mijn vrouw die binnenkomt, en wij zeggen: “Al die omkeringen! Wij spelen Victor E. van Vriesland.”

    • Alfred Kossmann