Ierland staat op het punt iets groots te verwezenlijken; Gesprek met Nobelprijswinnaar Seamus Heaney

“Ik denk dat de Zweedse academie bewust een link tussen mijn werk en het vredesproces in Noord-Ierland heeft willen leggen,” zegt Seamus Heaney. Vorige week kreeg hij de Nobelprijs voor literatuur. De Ierse dichter bespeurt in zijn land een nieuw zelfbewustzijn, niet alleen in de literatuur, maar ook in de politiek, het voetbal en de film. Toch gaat zijn eigen werk steeds minder over Ierse kwesties.

Seamus Heaney: The Redress of Poetry. Oxford Lectures. Uitg. Faber & Faber. Prijs ƒ 47,-. Vereffeningen. Vert. Peter Nijmeijer. Uitg. Meulenhoff. ƒ 19,90. Sweeney's waanzin. Epische vertelling. Vert. J. Eijkelboom. Uitg. Meulenhoff, ƒ 29,90.

Dublin, donderdag 5 oktober 1995. Vergeet O.J. Simpson. De voorpagina's van de avondkranten schreeuwen het uit: 'Seamus Heaney Nobel Prize Winner'. De run op de boekhandels begint. Binnen een paar uur zijn alle bundels van Heaney uitverkocht, voor de laatkomers ligt er hier en daar nog een studie over zijn werk op de eng lege planken van de poëzie-secties. Nog een paar uur later heeft Ierland de Nobelprijs gewonnen, en niet Heaney. Het Ierse Journaal opent met acht minuten over Heaney. Broer Hugh weet: 'Deze prijs zal hem niet veranderen.' Het journaal moet het verder met archiefbeelden van de dichter doen, want Heaney zelf is op vakantie op een van de Griekse eilanden en onvindbaar. Het journaal meldt gniffelend dat hij waarschijnlijk de enige Ier is die het nieuws nog niet heeft gehoord.

De Nobelprijs houdt de Ieren tot en met maandag in haar ban. Vrijdagochtend besteedt de Irish Times de halve voorpagina aan het dan al oude nieuws (en twee pagina's binnenin). Het Noordierse Irish News zelfs de hele voorpagina. Het gevecht om de eer is begonnen: de dichter is tenslotte in Noord-Ierland geboren, maar woont al twintig jaar in Dublin. Vrijdagmiddag wordt Heaney door de Griekse politie opgespoord en per helikopter naar Athene gevlogen, waar hij net genoeg munten weet te bemachtigen (en kennelijk geen telefoonkaart) om de Zweedse Academie kort te bellen en de prijs te aanvaarden. De Ierse natie wacht op haar 'wandering poet'.

Zaterdag vliegt hij naar huis, wordt nog net niet live op tv door de Ierse minister-president John Bruton op het vliegveld verwelkomd, signeert diens al te duidelijk verfomfaaide exemplaar van zijn essaybundel The Redress of Poetry, omhelst zijn kinderen en snelt in een limousine naar het presidentiële paleis, waar hij door president Mary Robinson (een persoonlijke vriendin) wordt toegesproken. Niet Heaney heeft de prijs gewonnen maar Ierland. De Ieren vieren deze Nobelprijs uitbundiger dan die van Samuel Beckett in 1969. Heaney is een van hen, terwijl ze Beckett hooguit als een bewonderenswaardige balling beschouwden.

Wanneer ik Heaney een paar dagen later spreek in zijn huis bij Sandymount strand in Dublin, bekend van hoofdstuk 3 uit James Joyce' Ulysses en vraag of hij de prijs met zijn land wil delen, haalt hij zijn schouders op: “Het valt niet te ontkennen dat de prijs aan mij wordt toegekend op een moment dat Ierland op het punt staat iets groots te verwezenlijken. De grote veranderingen in onze maatschappij, de grote inhaalrace op het gebied van de moraal en de sociale wetgeving, zelfs het vredesproces in Ulster, dat nu een beetje in het slop dreigt te raken. Ik ben realistisch genoeg om te beseffen dat de toekenning daar iets mee te maken kan hebben.”

Bescheiden als altijd wijst Heaney op het feit dat zijn werk maar het topje van een ijsberg vormt. Hij voelt zich 'very much a part' van een positief klimaat dat niet alleen in de Ierse poëzie en de literatuur, maar ook in bijvoorbeeld de sportwereld en de muziek zijn sporen nalaat. “Ik weet niet in hoeverre je poëzie in verband mag brengen met voetbal of film, maar op cultureel gebied bestaat er in ons land op dit moment een zelfbewustzijn en zelfvertrouwen die nieuw voor ons zijn. Voor het eerst heb ik het idee dat we onze identiteit, die we jarenlang hebben proberen in te vullen, nu eindelijk gevonden hebben. Al hoop ik wel dat we nu niet in het tegenovergestelde vervallen en rigide aan die invulling blijven vasthouden.”

Meerduidig

Ook in Ierland wordt er van verschillende kanten gewezen op het feit dat Heaney de prijs werd toegekend als een soort erkenning van het belang van het vredesproces in Noord-Ierland. In zekere zin (en dat geldt zowel voor zijn leven als zijn werk) leeft Heaney aan beide kanten van de grens in Ierland. Door Heaney te bekronen discrimineert Zweden geen van beide Ierlanden, zo luidt de mening hier. De dichter zelf heeft daar geen moeite mee: “Yeats kreeg de prijs in 1923, een jaar na de onafhankelijkheidsverklaring van de republiek. En Nadine Gordimer kreeg de prijs toen er in Zuid-Afrika een proces in gang werd gezet dat eindigde met de vrijlating van Mandela. Wanneer ik nu het persbericht van de Zweedse Academie teruglees, dan denk ik dat ze bewust een link tussen mijn werk en het vredesproces hebben willen leggen.” In dat persbericht wordt nadrukkelijk gewezen op het feit dat hij in zijn poëzie veelvuldig op het Noordierse vraagstuk ingaat. Een frase die met een grote korrel zout genomen moet worden. In eigen land wordt Heaney zelfs verweten dat hij te ambivalent staat tegenover de 'Troubles'. Die verwijten deren hem wel, maar hij legt ze uit noodzaak naast zich neer. Heaney is altijd een fervent tegenstander van een eenduidig engagement geweest. Het belangrijkste motief in zijn werk is juist de noodzaak van twee- of meerduidigheid. Een behoefte om altijd over de grens te kijken om te zien 'how the other half lives'.

Die voorkeur voor tweeduidigheid gaat, zoals vele thema's in Heaney's werk, terug tot zijn jeugd op de boerderij van zijn ouders in het gehucht Mossbawn, Co. Derry, waar hij in 1939 als eerste van negen kinderen werd geboren. Nu nog vormt zijn boerse achtergrond een dankbare voedingsbodem voor zijn poëzie, en zijn levensvisie.

In zijn jeugd verschool Heaney zich bij voorkeur in een oude holle boom aan het eind van de velden die bij de boerderij hoorden. Heaney: “Zo kon ik, vanuit het hart van een ander leven, uitkijken over wat er allemaal voorviel op het vertrouwde erf. Alsof alles zich daar ineens achter een scherm van vreemdheid bevond.” Een metafoor voor de poëzie die hij later zou schrijven, een poëzie die zich bij voorkeur beweegt tussen het vertrouwde en het vreemde, zich altijd in de buurt van een grens tussen twee werkelijkheden ophoudt. Ook zijn eeuwige hameren op dualiteit, op het niet kunnen kiezen tussen twee of meer opties, is iets waarmee hij al jong zeer vertrouwd moet zijn geweest. Mossbawn bevond zich op de grens van de Engelse en Ierse invloedssferen (het woord zelf is trouwens een versmelting van een Engels woord moss en het Ierse woord bawn). Protestanten en katholieken woonden er door elkaar. Vlak naast een uitgestrekt Engels landgoed met gecultiveerde tuinen en velden lag een onontgonnen moeras. Heaney's eerste bundel Death of a Naturalist uit 1966, is dan ook een opvallende combinatie van een Ierse inhoud (het toen nog vreedzame leven op het Noordierse plattegrond van zijn jeugd) en een strakke Engelse vorm.

Ruwe achtergrond

Een soortgelijke tegenstelling doet zich voor in zijn essays en in de colleges die hij als hoogleraar gedurende een semester per jaar aan Harvard University geeft. Heaney zegt wel te varen bij die ogenschijnlijke tegenstelling tussen de academische wereld en zijn ruwe Ierse achtergrond. “Het streven naar civilisatie is de regel, ook bij mij, maar ik waak ervoor mijn achtergrond te verloochenen. Die zorgt ervoor mijn motieven zuiver te houden.” Bovendien vormt die Ierse achtergrond 'een gezond tegenwicht' tegen zijn recente voorkeur voor het schrijven van abstracte, metafysische gedichten.

Ook in meest recente publikatie, het vorige maand verschenen The Redress of Poetry (een selectie uit de colleges die hij tussen 1989 en 1994 als Professor of Poetry in Oxford gaf) schrijft hij het liefst over bondgenoten die zich op de een of andere wijze met grenservaringen bezighielden. Elizabeth Bishop en de Schotse dichter Hugh MacDiarmad bijvoorbeeld, of Eileen O'Connelis 'Lament for Art O'Leary', dat door lezers die niets van de Ierse politieke achtergrond afweten ook als een gepassioneerde liefdesverklaring gelezen kan worden.

De gedichten uit de 48-delige cyclus Vereffeningen (uit zijn meest recente dichtbundel Seeing Things, 1991) gaan eveneens bijna allemaal over meerduidige ervaringen. Ze lijken gebaseerd op een ervaring van Heaney zelf, maar maken tegelijkertijd de indruk er volkomen los van te staan. Heaney introduceert een lichtvoetige metafysica om de lezers een klein beetje te vervreemden van een achtergrond die hen (als zij zijn vroegere werk gelezen hebben) ergens vertrouwd voorkomt. Een typerend voorbeeld is een gedicht over de monniken van Clonmacnoise, die op de oever van de Shannon in de zesde eeuw een klooster stichtten. In The Redress of Poetry beschrijft hij het gedicht als volgt: 'Het vertelt het verhaal van een verschijning die zich in de Middeleeuwen aan de verzamelde congregatie van het klooster voordeed. Uit een visionaire boot in de lucht kwam een man langs een touwladder naar beneden klimmen, maar kon niet blijven omdat hij dan zou verdrinken. (-) het gedicht gaat over de manier waarop het bewustzijn in twee verschillende en tegengestelde dimensies van de realiteit kan bestaan en toch nog een manier vindt om die twee met elkaar te verbinden.' Op een andere plek in de essaybundel brengt Heaney hetzelfde gedicht ook nog eens in verband met de situatie in Ulster. 'Ik wilde ermee aantonen dat in ieder van ons kennisordes bestaan die we het praktische en het poëtische zouden kunnen noemen (-) en dat de grens ertussen overschreden kan worden.' Alleen wanneer zo'n grensoverschrijding in een gedicht wordt verwezenlijkt, heeft het zin om over een politieke situatie te schrijven.

Zelf heeft hij dat het meest overtuigend gedaan in de bundel North (1975), in een poëzie die hij 'don't-open-your-legs'-achtige gedichten noemt: kale, tot in de grond reikende gedichten over de cultuurhistorische achtergronden van Ierland. Ook de ritueel vermoorde, goed geconserveerde veenlijken die een grote rol in North spelen, vormen via een omweg een commentaar op de Ierse geschiedenis.

De meeste gedichten van deze bundel schreef hij in de tijd dat hij Noord-Ierland voor het eerst verliet. In 1972, toen de Troubles in Belfast al een paar jaar aan de gang waren, werd hij uitgenodigd een jaar les te geven aan de universiteit van Berkeley. De ervaring betekende zo'n bevrijding voor hem (in meer dan één opzicht) dat hij na afloop ervan besloot om freelance schrijver te worden en naar de republiek Ierland te verhuizen. Heaney: “Het betekende ook dat ik me steeds meer ging verzetten tegen een innerlijke stem die me voorhield op de een of andere manier op de Ierse problemen te reageren in mijn werk.”

Heaney werd daarbij geholpen door de figuur van Sweeney, een volgens een oud-Iers epos op het slagveld krankzinnig geworden koning, die door de vrome priester Ronan vervloekt werd en na allerlei anarchistische omzwervingen door een andere priester bekeerd werd tot het katholicisme. Pikant detail is dat de van oorsprong uit Noord-Ierland afkomstige Sweeney zich na zijn omzwervingen in het zuiden van het land vestigt. Net als Heaney die zijn naam op die van Sweeney liet rijmen door het epos zelf uit het Gaelic te vertalen.

Processies

Heaney gebruikte de figuur van Sweeney ook als een soort breekijzer voor zijn eigen werk. In Station Island komt een afdeling, 'Sweeney Redivivus', voor waarin hij de heidense en anarchistische Sweeney-figuur als een alter ego gebruikt. Sweeney leert hem om op een onbevangen manier tegen zijn Iersheid aan te kijken. Nog verder gaat hij in de titelcyclus van de bundel, een reeks van twaalf lange gedichten die als de staties van een omgekeerde bekering fungeren. In het eerste gedicht raadt een zigeuner, die niet toevallig Simon Sweeney heet, Heaney aan zich verre van processies te houden. Aan het eind laat hij zijn voorganger James Joyce hem de raad geven 'de voorgeschreven mythen van de Iersheid' naast zich neer te leggen. Heaney's eigen bekering is in Station Island (overigens een bestaand pelgrimsoord in Ierland) omgekeerd aan die van Sweeney: hij legt de plicht om over Ierland en het verleden te schrijven naast zich neer.

Dat is meteen de reden waarom Heaney niet bang is dat de toekenning van de Nobelprijs op zo'n relatief jonge leeftijd een last voor hem zal blijken. In de eerste plaats heeft hij geleerd, nu de noodzaak om over Ierse onderwerpen te schrijven is weggevallen, meer te vertrouwen op zijn impulsen en verbeeldingskracht. Maar er zijn ook praktische en aardse redenen: “In Harvard heb ik al van vorige laureaten als Joseph Brodsky en Derek Walcott geleerd dat er leven is na de Nobelprijs. Vooral Brodsky straalt een energie uit die misschien nog wel groter is dan voor de toekenning. Hij staat nu veel vrijer tegenover zijn werk. Maar iets in mij zegt me wel dat ik de volgende zes maanden kan afschrijven. Gelukkig heb ik net The Redress of Poetry gepubliceerd en het manuscript voor mijn volgende dichtbundel al ingeleverd.”

Uit: Vereffeningen. Vertaling Peter Nijmeijer

Toen de monniken van Clonmacnoise, zo staat er

In de annalen, aan het bidden waren in het oratorium

Verscheen er boven hen een schip in de lucht.

Erachter sleepte zich het anker zo diep voort

Dat het aan het altaarhek bleef haken

En toen, terwijl de grote romp schokkend tot stilstand kwam

Klauterde een bemanningslid langs het touw naar beneden

En rukte om het los te wrikken. Maar tevergeefs.

'Deze man kan ons leven hier niet verdragen

En verdrinkt,' zei de abt, 'tenzij we hem helpen.' Dus

Hielpen ze hem, voer het bevrijde schip weg en klom de man

Terug uit het wonderbaarlijke zoals hij het gekend had.

SEAMUS HEANEY

----------------

Een sofa in de jaren veertig

Ongepubliceerd. Vertaling Jan Eijkelboom

1

Wij allemaal op een sofa in de rij, knielend

achter elkaar, van de oudste naar de jongste

ellebogen als zuigerstangen, want dit was een trein

en tussen de haardwand en de slaapkamerdeur

waren snelheid en afstand niet te schatten.

Eerst rangeerden we, dan floten we, dan

controleerde iemand het onzichtbare

bij wijze van kaartjes en knipte dat ernstig

terwijl wagon na wagon onder ons

sneller bewoog, tsjoeke-tsjoek, de sofapoten

duizelig werden en de onbereikbaren ver weg

op de keukenvloer begonnen te wuiven.

2

Spooktrein? Doodsgondel? Door de bewerkte, gebogen

uiteinden, zwart kunstleer en de lijkbaar-achtige

hoekigheid, leek het of de sofa was gaan

drijven. De ballerina-zwenkwieltjes, de vloeiende

ruggesteun met nestels, gaven haar het air

van overleefde praal.

Als visite haar verdroeg, met rechte rug, als

ze gereserveerd op afstand bleef, als

de tegenvallende cadeautjes erop verschenen

op kerstmorgen, bleef ze zichzelf, op de hemel

gericht wellicht, aan de aarde geklonken, dat zeker

tussen dingen die mee kunnen tellen of die je laten zakken.

3

Wij gingen de geschiedenis en de onwetendheid in

onder de radioplank. Yippee-yi-yay zongen de

'Riders of the Range'. Radio Niewsdienst

zei de absolute spreker. Tussen hem en ons

gaapte een wijde kloof waar de uitspraak

tiranniek regeerde. De antenne dook van

een boomtop neer door een gat dat was geboord

in de raamlijst. Als hij bewoog in de wind

joeg en zwaaide de heerschappij van de taal

en haar bevordering in ons als netten in water

of de abstracte, eenzame curve van treinen

toen wij de geschiedenis en de onwetendheid ingingen.

4

Uit alle macht bezetten wij onze plaatsen

klaar voor het gebrek aan comfort.

Toen al loonde Standvastigheid.

Aan de voorkant, op de gestoffeerde leuning

helde iemand opzij, machinist of stoker

en veegde zijn voorhoofd af met het air

van iemand die het zwaar heeft gehad. Wij waren

leek het, het laatste waar hij aan dacht; wij voelden

een tunnel aankomen waar we doorheen zouden

stromen als verlichte wagons door velden 's nachts.

Het enige wat we moesten doen was zitten, blik vooruit

en vervoerd worden, en locomotiefgeluiden maken.

SEAMUS HEANEY