Faillissement is populair als 'instrument' voor geruisloos ontslag

Jaarlijks gaan in Nederland 6000 bedrijven en personen failliet. Voor bedrijven is faillissement niet langer een schande, maar een handige manier om 'door te starten' - met een gesaneerde financiële basis en een meestal drastisch ingekrompen personeelsbestand. Schuldeisers en ontslagen werknemers hebben het nakijken. “Je laat de curator het vuile werk opknappen en je zit als nieuwe eigenaar in een werkgeverswalhalla.”

Failliet gaan is in Nederland geen schande meer. Wat vroeger als een on uitwisbare vlek op het ondernemersblazoen gold, is tegenwoordig een handige bedrijfspraktijk. Doorstarters worden ze genoemd, deze ondernemers die een faillissement gebruiken om het bedrijf een nieuwe start te geven. In ruil voor wat negatieve publiciteit krijgen ze een gesaneerde financiële basis en een drastisch ingekrompen personeelsbestand terug. Kleine en grote schuldeisers, zoals leveranciers, hebben het nakijken; werknemers die buiten de boot vallen, rest slechts de gang naar de sociale dienst.

“Een faillissement is niet langer een beladen term”, zegt mr. S. de Ranitz, faillissementsspecialist bij het advocatenkantoor De Brauw Blackstone Westbroek. “Het is een instrument dat je kunt gebruiken.”

Aan voorbeelden van faillissement als nieuwe start is geen gebrek. Amper twee weken nadat tapijtfabrikant Van Besouw in juli op de fles was gegaan, werd de tapijtdivisie verkocht. Nieuwe eigenaar: de huidige directeur van deze divisie, ir. F.G.M. van de Ven, samen met enkele particuliere beleggers. Van de Ven kocht onder andere het recht om tapijten te blijven verkopen onder de merknaam Van Besouw. Minder gewilde produkten als het kamerbreed tapijt en vliegtuigtapijt bleven in de failliete boedel achter. Van de honderd werknemers bij de tapijtdivisie, konden zeventig mensen weer in dienst komen, dertig bleven op straat staan. Tien personeelsleden moesten genoegen nemen met een tijdelijk contract.

Op het eerste gezicht komt deze ontknoping vreemd over. Het bedrijf gaat failliet en de voormalige managers kopen uit de boedel de lucratieve zaken en nemen ook een deel van het personeel weer in dienst. De crediteuren van Van Besouw blijven met een aantal onbetaalde rekeningen achter en de samenleving mag de werkloze werknemers verder betalen. Is deze gang van zaken uitzonderlijk? “Zo gaat het aan de lopende band”, zegt mr. B. Knüppe (Van Anken Knüppe Damstra). “In meer dan de helft van het aantal faillissementen vindt een of andere vorm van doorstart plaats.”

Jaarlijks gaan er in Nederland ruim 6000 bedrijven en privé personen failliet. Die laten gezamenlijk een onbetaalde schuld achter van bijna vier miljard gulden, zo heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) becijferd. Doordat de banken in veel gevallen machines en andere bezittingen in onderpand hebben, weten zij een deel van hun kredieten nog wel terug te krijgen. Dat is anders met bedrijven die bijvoorbeeld wel goederen hebben geleverd, maar nooit betaald hebben gekregen. Deze overige crediteuren zien volgens het CBS niet meer terug dan 2,5 procent van hun vorderingen. Niet alleen leveranciers zijn de dupe van faillissementen. Ook het personeel staat in zulke situaties van de ene op de andere dag op straat. De curator, die door de rechtbank is aangesteld om de boedel af te wikkelen en de schuldeisers zo mogelijk te betalen, heeft de taak om alle werknemers met korte opzegtermijnen te ontslaan. Hoewel de curator bij zijn pogingen om (delen van) de onderneming te verkopen, wel oog heeft voor het belang van de werkgelegenheid, is het behoud van banen voor hem geen concrete wettelijke maatstaf. Minister Sorgdrager (justitie) liet onlangs in de beantwoording van Kamervragen expliciet weten dat een curator geen wettelijke taak heeft om zoveel mogelijk werkgelegenheid te behouden. Pogingen van onder andere de Industriebond FNV, om in de faillissementswet een prominentere plaats in te ruimen voor werkgelegenheid, hebben nog niet tot tastbaar resultaat geleid.

De vakbonden voelen zich steeds vaker in een machteloze situatie gemanoeuvreerd. Het faillissement nieuwe stijl pakt steeds vaker uit als een gewone reorganisatie. Nu de overheid andere vluchtwegen zoals de WW en de WAO heeft afgesloten of ingedamd, lijken ondernemers een nieuwe, maar al druk bewandelde sluiproute te hebben gevonden om overtollig personeel te lozen. De samenleving krijgt de rekening gepresenteerd in de vorm van uitkeringen voor werknemers die niet mee mogen naar het afgeslankte bedrijf. De bonden zien een toenemend gebruik van deze 'truc' om overtollig personeel te lozen zonder dat zij er iets tegen kunnen beginnen. Sterker, elke poging om werkgelegenheid te redden moet door hen in principe gesteund worden. “Vanuit financieel oogpunt is het natuurlijk een prachtconstructie. Wat wij kwalijk vinden, is dat ondernemers op zo'n manier kunnen afkomen van alle werknemers die niet zo goed meer mee kunnen. In de praktijk zie je dat na zo'n faillissement alleen de goudhaantjes weer in dienst mogen komen”, zegt H. Stehmann, districtsbestuurder van de Industriebond FNV in Dordrecht.

Vakbonden hebben begrip voor ondernemingen die in faillissement terechtkomen omdat de concurrentie te sterk is, een grote klant met de noorderzon is vertrokken of de vraag naar de produkten steeds verder is afgenomen. Stehmann: “Die gevallen zijn alleen maar diep- en dieptreurig. En dan staan we er als bond ook achter als zo iemand probeert door te gaan, ook wanneer maar een deel van de werknemers kan blijven”. Steeds vaker zien de vakbonden echter voorbeelden van faillissementen waar van pech geen sprake is geweest. “Bij sommige bedrijven is duidelijk sprake van kwade trouw. Dan kom je op maandag langs omdat het faillissement dreigt en dan is donderdag alles al in kannen en kruiken. Persoonlijk vind ik dat er in die gevallen, als er echt sprake is van pure opzet, gewoon sprake is van fraude”, aldus Stehmann.

Waarom is dit leven na de dood, zoals advocaat-curator Knüppe het noemt, zo populair? “Negen van de tien bedrijven met grote financiële problemen heeft te veel en te duur personeel. Het is ongelooflijk moeilijk en kostbaar om te saneren door personeel te laten afvloeien of te ontslaan.” Het praktijkvoorbeeld Fokker spreekt boekdelen. De vorig jaar aangekondigde reorganisatie die zo'n 1700 banen kost, leidt tot een reorganisatievoorziening ten laste van het resultaat van 350 miljoen gulden, zodat de verliezen nog groter worden dan zij al zijn.

Bedrijven die zulke voorzieningen niet kunnen of willen betalen, kiezen steeds vaker voor een faillissement. Knüppe: “Je laat de curator het vuile werk opknappen en je zit als nieuwe eigenaar in een werkgeverswalhalla.” Tien tot vijftien jaar geleden waren het altijd dezelfde sectoren, zoals de bouw, die een slechte reputatie hadden omdat er zoveel faillissementen plaatsvonden. Nu is het ook elders business as usual. Respectabele en zeer winstgevende bedrijven vinden het geen enkel probleem meer om dochterbedrijven op de fles te laten gaan. Twee weken geleden trok bijvoorbeeld het industriële concern Koninklijke Begemann zijn handen af van twee dochters. Het was de tweede keer dat Begemann dat deed. Twee jaar geleden verdwenen ook al twee dochterbedrijven in surséance. ING staakte vorig jaar de financiering van haar herverzekeringsbedrijf in Londen, omdat de verwachte schadeclaims te groot waren geworden. En zelfs de Koninklijke Shell heeft wel eens een dochter laten failleren, zo valt onder goed ingevoerde juristen te beluisteren.

Het grootste en bekendste voorbeeld is DAF, de vrachtwagenfabrikant die begin 1993 bankroet ging en drie weken later uit de as herrees. De aandeelhouders en het management waren grotendeels dezelfde, maar 2.500 werknemers die bij het oude DAF nog wel op de loonlijst stonden, waren er bij de nieuwe Daf Trucks niet meer bij. Deze nieuwe Daf maakte in het afgelopen halfjaar bijna 73 miljoen gulden netto winst.

Een recenter spraakmakend voorbeeld is de relatief kleine computerhandel Manudax, die vorig jaar juli uitstel van betaling moest aanvragen nadat het moederbedrijf, Koninklijke Borsumij Wehry, de interne financieringslijnen had gekapt. Een week later kocht Borsumij de belangrijkste bezittingen uit het faillissement weer terug.

Curator mr. E. Bogaerts, die deze omstreden transacties met Borsumij sloot, stelde vervolgens een onderzoek in naar de achtergronden van het debâcle. Zijn conclusies logen er niet om. Borsumij had Manudax met opzet in een faillissement gelokt om een snelle en goedkope reorganisatie door te voeren. Bogaerts besloot vervolgens tot de zeer ongebruikelijke stap om verschillende managers van Borsumij, waaronder de topmannen Van der Graaf en Noordam, persoonlijk aansprakelijk te stellen voor de schade van het faillissement. Het gaat om ongeveer negen miljoen gulden.

Gevallen als Manudax komen jaarlijks enkele tientallen malen voor, zegt De Ranitz. Nee, namen wil hij niet geven. Zijn klanten hebben recht op hun privacy. Duidelijk is wel dat hij als adviseur van grote en middelgrote bedrijven nauw betrokken is bij strategieën om door dit soort 'technische' faillissementen, zoals zij onder curatoren bekend staan, geruisloze reorganisaties door te voeren.

De Ranitz schetst op een schoolbord op zijn kantoor, ver boven het lawaai van het verkeer en het bouwgeweld in de Rotterdamse binnenstad, de contouren van een technisch faillissement. De eigenaar van een bedrijf met verschillende dochters ziet het bij een van hen fout gaan. Een reorganisatie lijkt succesvol, het management wordt gewijzigd, personeel wordt ontslagen. Al snel blijkt het winstherstel van korte duur. Rode cijfers keren terug. Wat nu? De advocaat weet raad. Alle bezittingen van de dochter, zoals voorraden, machines of debiteurenbestanden, komen in onderpand bij de bank in ruil voor het krediet. Vervolgens laat het moederbedrijf de dochter wegens oplopende verliezen vallen. Het bedrijf moet uitstel van betaling aanvragen. De door de rechtbank benoemde bewindvoerder treft bij zijn eerste bezoek wel de nodige bezittingen aan, maar die blijken al toe te behoren aan de bank. Zoals een goed bewindvoerder betaamt, probeert hij zoveel mogelijk van de boedel te redden. Dat wordt hem in deze situatie wel heel gemakkelijk gemaakt. De eerste belangstellende die bij de bewindvoerder op de stoep staat blijkt direct een schot in de roos. Een vertegenwoordiger van het moederbedrijf dient zich aan als koper: hij betaalt meer dan de machines en andere bezittingen bij gedwongen verkoop (executiewaarde) opleveren èn hij wil zelfs een deel van het personeel weer in dienst nemen. Gretig gaat de bewindvoerder op het voorstel in. “Zelfs als hij merkt dat het voorstel een façade is, heeft hij geen keus”, legt Knüppe uit. Een goed bod levert geld voor crediteuren op. Als de curator dat niet accepteert, zal de rechter-commissaris, die hem namens de rechtbank controleert, ingrijpen. “Soms zit je daar met bloedend hart, als je het gevoel hebt dat je belazerd wordt.” Maar ja, werk voor een deel van het personeel en geld voor de crediteuren, wat wil een curator nog meer?

Het moederbedrijf en de bank spinnen garen bij de uitkomst: de opbrengst van de verkochte bezittingen vloeit rechtstreeks naar de bank om het krediet af te lossen en de moeder is op een heel goedkope manier van overtollig personeel af. Zij betaalt geen duur sociaal plan. Dat hoeft niet. De bewindvoerder laat immers door de rechtbank de surseance in faillissement omzetten, en in faillissement geldt geen enkele bescherming van de werknemersbelangen die onder normale omstandigheden wel geëerbiedigd moeten worden. Wie een bedrijf uit surséance overneemt, is verplicht al het personeel in dienst te nemen. Wie uit faillissement koopt, is van die verplichting ontslagen.

De bank van het betrokken bedrijf is altijd bij deze constructie betrokken, vertelt De Ranitz. De bank ziet tenslotte van dag tot dag het betalingsverkeer, krijgt de jaarstukken en weet dus hoe de vlag erbij hangt. “Een technisch faillissement is voor haar meestal geen verrassing.” De deelname aan dit opzetje vindt De Ranitz niet zonder meer onrechtmatig, tenzij de bank bewust andere schuldeisers benadeelt.

Naast deze pure technische faillissementen zijn er nog legio gevallen die er wel op lijken, maar het in de ogen van juristen toch net niet zijn. Zo is het eerder beschreven geval van de voortzetting van de dochters van Van Besouw een typische doorstarter: het afgeslankt voortzetten van activiteiten. Zulke doorstarters zijn talrijk. “Meer dan de helft van de faillissementen worden doorstarters”, meent Knüppe. Veelal worden de activiteiten door de oude managers voortgezet met nieuwe geldschieters. “Ook worden soms de activiteiten door nieuwe managers voortgezet met steun van de oude geldschieters. Het is lucratief voor de oude financiers, dus iedereen streeft ernaar.”

In het razendsnelle een-tweetje tussen bank en bedrijf bij een puur technisch faillissement en bij veel doorstarters hebben de vakbonden het nakijken. Zij missen de juridische expertise, zo erkent De Ranitz, om deze omstandigheden te herkennen als wat zij zijn: doorgestoken kaart. “Mag je verwachten dat zij zo alert reageren”, vraagt hij retorisch. “Dat zij dit alles doorzien? Zij hebben geen gespecialiseerde adviseur in huis.”

Voor wetgeving tegen de sluipweg van technische faillissementen voelt hij niets. “Het parlement heeft van de problemen bij faillissementen niets begrepen. De faillissementswet dateert uit de vorige eeuw. Alles dat nu speelt, is daarin niet terug te vinden. Laat het aan de rechters over. De Hoge Raad werkt graag mee aan een snelle rechtsgang en geeft duidelijke uitspraken.” Niet alleen werknemers en Tweede-Kamerleden moeten het bezuren, ook de curatoren zelf. Zij hebben vaak niet eens door dat hier een stukje theater wordt opgevoerd. De Ranitz vertelt dat hij nog niet zo lang geleden een praktijkgeval behandelde in een 'bijscholingsklasje' voor advocaten die regelmatig als curator optreden en dat een van de aanwezigen de schellen van de ogen vielen. Opeens herkende hij het praktijkgeval waarin hij zelf curator was geweest: geen bankroet waarvan er dertien in een dozijn gaan, zoals hij toen dacht, maar een zorgvuldig geregisseerd technisch faillissement.

Daarom helpt het wel om in dit soort zaken van beide kanten praktijkervaring op te doen, zo zeggen Knüppe en De Ranitz: als adviseur van bedrijven die zulke faillissementen forceren en als de curator die erop moet toezien dat de belangen van crediteuren niet geschaad worden. Beide zijn ook nauw betrokken bij de vier jaar geleden opgerichte vereniging van advocaten die zich gespecialiseerd hebben in de behandeling van faillissementen en het juridisch advieswerk daaromheen. Knüppe was een van de oprichters, De Ranitz is sinds kort de voorzitter. Deze vereniging, Insolad genaamd, een afkorting van Insolventie advocatuur, telt inmiddels zo'n 150 leden, waaronder de meeste topcuratoren.

Met hun dubbelrol als curator enerzijds en adviseur anderszijs hebben De Ranitz en Knüppe geen moeite. De Ranitz: “Zo is het spel, je moet aan beide kanten kunnen optreden.”