Europese integratie snakt naar nieuwe politieke impuls

Het verenigd Europa heeft het einde van een lange weg bereikt. De machinerie van de integratie vertoont uitputtingsverschijnselen die op het oog herinneren aan eerdere, en overwonnen, impasses, maar die in werkelijkheid een diepere oorzaak hebben.

Het verenigd Europa was oorspronkelijk een politiek idee. De scheidslijnen tussen Duitsland en Frankrijk die tot drie oorlogen hadden geleid dienden te worden weggenomen. De toestand van na de Tweede Wereldoorlog leek daarvoor geschikt: de Franse hegemonie was definitief gebroken, Duitsland was verzwakt en gespleten, de Europese orde was met Amerikaans geld hersteld, aan de Elbe stond de zwaarbewapende Sovjet-Unie.

Maar ondanks al die 'gunstige' voorwaarden mislukte de eerste poging, de oprichting van een Europese Defensie Gemeenschap. Die Gemeenschap zou in hedendaagse termen nog niet bijzonder 'politiek' zijn geweest: de EDG zou niet meer zijn geworden dan een poging de Duitse herbewapening niet alleen in Atlantische, maar ook rechtstreeks in Europese bodem te verankeren. De EDG bleek evenwel toch een stap te ver.

Zo ontstond de idee de economische weg te bewandelen. Er was enige ervaring opgedaan met de Kolen- en Staal-Gemeenschap. Een goederen, diensten, kapitaal en arbeid omvattende Europese markt zonder grenzen beloofde zich tot een geloofwaardig station te kunnen ontwikkelen langs de weg naar een werkelijk verenigd Europa.

De 'dynamiek van de markt' zou een onweerstaanbare kracht blijken te zijn die de Europeanen tot elkaar en de welvaart naar de uiterste hoeken van de Gemeenschap zou brengen. Schaalvoordelen zouden kunnen worden behaald in landbouw, industrie en dienstensector die de Europese economie op voet van gelijkwaardigheid zou brengen met de toen nog unieke Amerikaanse. Tegelijkertijd zou een sociaal platform worden gebouwd dat de aantrekkingskracht van de anti-marktideologie van het internationale communisme op de Europese arbeiders zou neutraliseren.

Als straks in 1999 de Europese Gemeenschap haar veertigste verjaardag viert, moet de route van de economische eenwording praktisch tot het einde zijn afgelegd. Althans door die lidstaten van de inmiddels ontstane Europese Unie die kunnen en willen overgaan tot de schepping van de Economische en Monetaire Unie (EMU), zichtbaar in een Europese centrale bank en een Europese munt. Maar het is juist de te verwachten geografische beperktheid van de EMU die moet worden beschouwd als een bewijs van het falen van de gevolgde methode.

De founding fathers voorzagen een geïntegreerde en sociale economie, althans in de landen die zich tot eenheid hadden verbonden. Nu zal zelfs een van de grondleggers van de Gemeenschap, Italië, zo goed als zeker niet van de partij zijn. De economische eenwording heeft wel de ene markt opgeleverd, maar die markt blijft onderhevig aan sociale en monetaire middelpuntvliedende krachten.

Van de uitweg van de tijdelijkheid - landen in een buitenspelpositie kunnen zich later bij de EMU aansluiten - moet nog worden aangetoond dat hij de oplossing van het probleem van de (voorlopig?) gemiste convergentie is. Tot het zover is, staat buiten kijf dat het sociaal-economisch naar elkaar toegroeien niet heeft gebracht wat er van werd verwacht, een automatisch opheffen van de politieke en sociale slagbomen. Sterker, zelfs het aanbrengen van het sluitstuk van de economische integratie, de EMU, blijkt veel meer een kwestie van politieke wil dan van economische vanzelfsprekendheid. De landen die niet aan de in Maastricht geformuleerde voorwaarden voldoen, doen dat niet omdàt zij andere politieke en sociale prioriteiten hebben, ook al zullen zij dat niet hardop toegeven.

Zo is Europa, al doende, teruggekeerd naar het primaat van de politiek. Want ook de in Maastricht voorbereide beslissing om desnoods met een beperkte groep landen verder te gaan is op zichzelf al een door de politiek bepaalde afwijking van de stelling van de automatische convergentie die sinds haar ontstaan de grondslag van de Europese Gemeenschap is geweest. De convergentie is maar beperkt geslaagd en daaruit trekt de politiek haar consequenties.

De vraag is dan of dit de laatste wijsheid moet zijn, zij het een wijsheid die overschaduwd wordt door opting-out-clausules en de belofte dat springen op een rijdende trein is toegestaan. Als de politiek toch in de plaats komt van een verondersteld economisch automatisme, zou zij ook, eigengereid als zij kan zijn, tot andere conclusies kunnen komen. Daarbij zou de ervaring van bijna vier decennia economische integratie in acht kunnen worden genomen.

Er bestaat een consensus dat de markt in bepaalde opzichten aan de verwachtingen heeft voldaan. Er zijn belangrijke schaalvoordelen behaald en er is een Europese economie ontstaan die als zodanig in de wereld wordt erkend. (De onderhandelingen over mondiale handelsverruiming worden bijvoorbeeld op grond van een Europees mandaat gevoerd ook al werpen nationale belangen obstakels op).

Maar hoewel de welvaart in het hele gebied van de Europese Unie aanzienlijk is toegenomen, zeker ook in de minder welvarende landen en regio's, heeft noch de markt noch het Europese budgettaire overhevelingsmechanisme die welvaart gespreid in de mate die was voorzien.

De problemen die de totstandkoming binnen de voorgenomen termijn van de EMU in het hele gebied van de EU verijdelen, hoe verscheiden ook, zijn nagenoeg alle te herleiden tot die nog steeds ongelijke verdeling van de rijkdom en van de economische kracht die rijkdom genereert. Paradoxaal genoeg zal een inspanning van de achterblijvers om alsnog aansluiting te krijgen bij de EMU de verdeling van de welvaart voorlopig eerder ongunstig dan gunstig beïnvloeden, zelfs als de voorlopers de pijn ook verder helpen verzachten.

Het is daarom niet uitgesloten dat de totstandkoming van een beperkte EMU tot onaangename consequenties zal leiden, tot het uiteentrekken of uiteenvallen van de ene markt. Waarom zou de automatische convergentie die de afgelopen decennia niet vanzelfsprekend en allesomvattend is gebleken, dat wel zijn als straks het dak van de EMU slechts boven een deel van de Europese markt is aangebracht en de verschillende snelheden chronisch zouden blijken te zijn?

Dan zou het de moeite waard kunnen worden om de EMU en de EU toch maar te laten samenvallen, zelfs als niet in alle lidstaten aan alle Maastrichtse voorwaarden zal zijn voldaan. Al was het maar om althans de Europese markt te behouden als beslissende gangmaker van de Europese economie. Maar dat zou een politiek besluit vergen.

    • J.H. Sampiemon