Dubbel, ja, het is een heel dubbel gevoel; De serie 30 Minuten en de echtheid van schijntelevisie

In het schemergebied tussen echte televisie en geregisseerde emotie, ligt een uitgelezen kans voor televisiemakers met gevoel voor dubbelzinnigheid. In de tv-serie 30 Minuten spelen Arjan Ederveen en regisseur Pieter Kramer met de grenzen van het genre van de documentaire. De opzet is akelig serieus. “Het invalidenkarretje van het geestelijk gehandicapte hondje Fanneke rijdt echt door de troosteloze nieuwbouwwijk.”

30 Minuten. Regie: Pieter Kramer. Geschreven en gespeeld door Arjan Ederveen. Nederland 3, maandag 20.29-21.00 uur. Tot en met 13 november.

Op dinsdag 3 oktober begon het Acht Uur Journaal natuurlijk met de zaak O.J. Simpson. Kort daarvoor had de jury uitspraak gedaan en de halve wereld had live meegekeken. Joop van Zijl blikte op de gebeurtenissen terug: 'Het was buitengewoon spannend, de camera was er bij en in die zin was het èchte televisie.' Hij keek er vriendelijk en vergenoegd bij, alsof hij blij was zijn Journaal (dat van zichzelf toch ook al een vorm van behoorlijk echte televisie is) nu eens te mogen openen met èchte echte televisie.

Tele is ver en visie is kijken. Een televisie is een verrekijker. En echte televisie is nog steeds verrekijken naar iets dat op hetzelfde moment elders gebeurt. Het was alsof Joop van Zijl zich die avond weer even het grote wonder van televisie had gerealiseerd: wij zitten hier op de bank en kunnen zien en horen hoe daar, in de rechtszaal, op precies hetzelfde moment de jury het 'not guilty' uitspreekt.

Er is altijd grote behoefte aan echte televisie. Dat komt vermoedelijk doordat zoveel televisie inmiddels namaaktelevisie is: van te voren opgenomen, samengevat, ingeblikt, van commentaar voorzien en tot in de details geregisseerd. Daar zijn natuurlijk allerlei goede redenen voor, maar jammer is het wel van dat verloren gegane besef van gelijktijdigheid. De televisiemakers doen erg hun best de illusie van realiteit op te wekken, maar daar trappen wij, geoefende tv-kijkers, niet meer in. François Boulangé kan voor de reclame nog zo enthousiast aankondigen dat er 'vandaag' maar liefst 2350 gulden in de jackpot van Lingo zit en dat we 'straks' zullen zien hoe de kandidaten het gaan doen, maar wij kunnen aan zijn hoofd al wel aflezen dat hij deze aankondiging drie weken geleden vlak na de lunch tijdens de opnamedag insprak. En als we hem vervolgens, na de reclame, heel lang met de kandidaten zien babbelen, weten we ook al meteen dat het vandaag weer niks zal worden in de finale. Want de regie moet een programma van 25 minuten maken. Wordt er niet geknipt in de kennismakingsgesprekjes, dan weten wij al, voordat het spel begonnen is, dat de kandidaten vroeg zullen sneuvelen. En zo beroven de harde wetten van de namaaktelevisie ons in de huiskamer van veel puzzelspanning.

Hoe nu het verlangen naar echte televisie te bevredigen, zonder de hele dag de camera in de aanslag te moeten houden? Daar is iets op gevonden: door de werkelijkheid te ensceneren. En door onderwerpen te kiezen die zo 'echt' zijn dat ze onder het felle licht van de camera's niet verbleken. Emoties dus. Deze uitvinding heeft geleid tot een vloed van emotionele probleemprogramma's, in de vorm van shows (voor het meer smartlapperige sentiment) en documentaires en trage praatprogramma's (voor het wat serieuzere werk).

Dolgelukkig

Het geheim van All you need is love is dat, bij alle enscenering, de gevoelens van de betrokkenen oprecht zijn. Een wat oudere man kiest de studio en het bijbehorende miljoenenpubliek uit als de ideale plek om zijn wat jongere vrouw te beloven dat hij naar de dokter zal gaan om zich te laten ontsteriliseren - zodat, zoals hij het zelf uitdrukte, 'opa weer vader kan worden'. Dan kunnen we thuis wel bedenken dat het programma hier aardig zijn eigen parodie begint te naderen, maar we zien wel dat zijn vrouw hem dolgelukkig om de hals vliegt. Mooi is dat. Echte emotie.

Ander voorbeeld. Halverwege de veel besproken documentaire Dood op verzoek zagen we de dienstdoende euthanasie-arts peinzend voor zijn tuindeuren staan. De mededeling van dit shot was duidelijk: dokter denkt na over groot probleem, dokter gaat niet over één nacht ijs, dokter heeft het er zelf ook moeilijk mee. Dit leek dus ook een geval van echte emotie, maar het merkwaardige was dat dit beeld vanuit de tuin van de dokter geschoten was. Of er heeft dagenlang een cameraploeg in het natte gras gelegen, wachtend op dat ene moment waarop de gekwelde dokter voor zijn tuindeuren verscheen, of de regisseur heeft het in scène gezet. 'Dokter, het is mooi herfstweer, gaat u zo even in de serre staan piekeren, dan loop ik even met de jongens naar buiten, voor het contemplatieve plaatje.' Op dat moment werd de integere documentaire een speelfilm en, gezien het gevoelige onderwerp, ook meteen zijn eigen parodie.

Zulke momenten, waar genres ontsporen, waar echt overgaat in namaak en omgekeerd, zijn ideale momenten voor theater - en vooral voor theater dat zich van zijn eigen schijn bewust is. Hier, in het schemergebied tussen echte televisie en geregisseerde emotie, ligt ook een uitgelezen kans voor televisiemakers met gevoel voor dubbelzinnigheid. Als de werkelijkheid alleen ervaren kan worden wanneer zij de gedaante van televisie aanneemt ('het leek wel een film'), dan hoeft een tv-maker niet veel te doen om de suggestie van werkelijkheid te wekken ('het leek net echt'). Van Kooten en De Bie, Jiskefet, Kreatief met Kurk: de makers hoefden zich niet door de echte werkelijkheid te laten inspireren, maar konden volstaan met de werkelijkheid van echte televisie. De mannen van Jiskefet zijn wel eens gecomplimenteerd met hun parodie op een tv-programma waarvan ze zelf niet eens wisten dat het bestond.

De meest intrigerende variant van wat ik nu maar even schijntelevisie noem is tegenwoordig op maandagavond te zien, in de zevendelige serie 30 Minuten. Daarin spelen Arjan Ederveen en regisseur Pieter Kramer met de grenzen van het genre van de documentaire, in het bijzonder de probleemdocumentaire. Het gaat om gefingeerde problemen, maar ze liggen akelig dicht tegen de werkelijkheid aan. Junk Piet probeert een nieuw bestaan op te bouwen als kinderboekenschrijver. Een vrouw van een jaar of 70 worstelt nog steeds met haar verleden als moffenhoer (in de uitzending van komende maandag). Boer Tjalling uit Onstwedde ontdekt dat hij geboren is in een verkeerd lichaam. We zien hem worstelen met zijn 'transraciaal identiteitssyndroom' en zien hem langzaam overgaan in de Zaïrese Surmakrijger die hij in diepste wezen is. 'Tis toch ook 'n gevoel van thuiskoom'n', zegt Tjalling, terwijl hij op zijn erf een shagje staat te rollen. 'Ik weet van mezelf da'k'n Surma ben.'

Komudrama

Grote problemen dus, en echte emoties, maar uit het geval van Tjalling blijkt ook dat er veel te lachen valt. Komudrama, docudrama, semi-realisme, quasi-realisme: dat zijn een paar van de termen waarmee 30 Minuten al is omschreven. De opzet is telkens akelig serieus. Montage, muziek, achtergrondgeluid en licht zijn 'net echt'. We zien de spuit van de junk er echt in gaan. In de operatiekamer van de dierenkliniek wordt echt gesneden. En het invalidenkarretje van het geestelijk gehandicapte hondje Fanneke rijdt echt door de troosteloze nieuwbouwwijk. Het spel is briljant, niet alleen van Ederveen zelf in al zijn zeer verschillende rollen, maar ook dat van de gastspelers. Albert Mol vervult een glansrol als dementerende bedlegerige oude moeder, druk doende met het bijknippen van haar koffiepunten (aanstaande maandag).

Het is nog niet eens zo eenvoudig om vast te stellen waarin, bij al deze realistische ingrediënten, de humor schuilt. Het gegeven is soms absurd, maar soms ook alleen maar droevig, zodat er onder elke lach iets blijft schrijnen. Het is altijd mooi om naar de oogopslag en de mimiek van Ederveen te kijken, maar al zijn personages hebben ook iets van lichte waanzin en gevaarlijke gekte over zich. De taal is die van het praatprogramma, soms met humoristische overdrijving ('We hebben heel goed gewerkt aan het verwerken van ons verwerkingsproces'), maar meestal pijnlijk juist getroffen ('Dubbel, ja, het is een heel dubbel gevoel'). Hoogtepunt van deze imitatiedrang is wel het moment waarop het gaat over de begrafenis van het ge-euthanaseerde hondje Fanny. Dan blikken Ger en Baukje, de baas en bazin, schijnheilig de camera in en zeggen tegen de makers: 'We wilden jullie er ook niet bij hebben'. Zelfs in nep-documentaires bestaat dus nog stil verdriet.

Om gemakkelijke humor of goedkope parodie is het Kramer en Ederveen niet te doen geweest. Ze hebben juist documentaires willen maken die voortdurend zweven tussen echt en namaak, zonder moraal, en vooral zonder voorgeprogrammeerde gevoelens. Aan een 'duiding' zal ik mij niet wagen, al nodigt hun programma nog zo uit tot beschouwingen over ons door de televisie vertekende wereldbeeld. Ik denk dat Kramer graag televisie maakt en graag speelt met de genres en clichés van het medium, zoals Ederveen graag rollen speelt, liefst van licht ontspoorde types. In alle afleveringen zit eenzelfde moment van ontreddering, waarop de hoofdpersoon zijn of haar probleem eruit gooit, steevast in dezelfde radeloze bewoordingen: 'Ik merkte wel dat er wat was, maar wat er was wist ik niet. Maar ik wist wel dat er wat was. Er was iets, maar wat er was wist ik niet.' Dat geldt ook voor de kijker naar 30 Minuten. Geen echte televisie, geen 'reality tv', maar hoogstverwarrende levensechte schijntelevisie.

    • Guus Middag