'Bosnië won de oorlog tegen de inflatie'

WASHINGTON, 13 OKT. De oorlog tegen de inflatie in Bosnië Herzegovina is gewonnen. Die is praktisch nul, verzekert de president van de centrale bank, Kasim Omicevic. Hij meldt nog meer successen van het economisch front: de begroting heeft een overschot en de Bosnische dinar is stabiel. Dat is een uitzonderlijke situatie, want in de geschiedenis zijn oorlogen doorgaans gefinancierd door de bankbiljettenpers ongebreideld te laten draaien.

Terwijl de soldaten aan het front vochten, voerden Kasim Omicevic en minister van financien Neven Tomic een stille slag om de economie. In een kamer van het Sheraton-hotel in Washington, naast die van de Nederlandse delegatie waarmee ze nauw samenwerken, lichten de twee Bosniërs hun beleid toe. Omicevic, een kettingrokende zestiger die gebruik maakt van een tolk, en de 37-jarige Tomic met het uiterlijk van een zwaargewicht, hebben een week van intensieve contacten met buitenlandse delegaties en vertegenwoordigers van het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank achter de rug. Ze schetsen het beeld van de verwoestingen van de oorlog. “Desondanks hebben we geprobeerd onze economie te organiseren”, zegt Omicivic. “In de eerste acht maanden van dit jaar was de industriële produktie vier keer zo hoog als vorig jaar. Op een laag niveau, dat wel.”

Een vertrouwelijk document van de Wereldbank met voorlopige gegevens lijkt het opmerkelijke verhaal van de Bosnische regering te bevestigen. Onder de tabellen staat met kleine letters vermeld: “Deze cijfers zijn afkomstig van de regering en niet altijd consistent met andere gerapporteerde gegevens.” En veel data van de oorlogsjaren 1991-94 zijn helemaal niet beschikbaar.

De cijfers zijn dramatisch genoeg. Het bruto nationaal produkt in dollars is in 1995 gedaald tot een achtste van wat het in 1990 was. De overheidsuitgaven zijn gezakt van 45 naar 25 procent van het bnp. Het gemiddelde maandsalaris is gedaald van (omgerekend) 400 D-mark in 1991 naar krap veertig D-mark dit jaar. Het jaarinkomen per hoofd van de bevolking zakte van ongeveer 2.000 dollar in 1991 tot 500 dollar dit jaar. Vorig jaar was de situatie overigens nòg dramatischer.

In juli begon de regering ernst te maken met economische stabilisatie en stopte de centrale bank de financiering van begrotingstekorten. Met het perspectief van vrede biedt dit een basis voor toekomstige internationale steun bij de wederopbouw en de hervorming van de oude socialistische economie. Voor de oorlog was slechts vijftien procent van de economie in particuliere handen.

De wijze waarop de steun aan de economie zal plaatsvinden, vormt onderdeel van het vredesoverleg. Er zal een gemeenschappelijke munt komen, met één centrale bank voor de hele republiek, terwijl er twee begrotingen komen, een voor het gebied van de Bosnische Serviërs en een voor de federatie van Bosnische Kroaten en moslims.

Eind deze maand gaan de eerste missies van het IMF en de Wereldbank naar Sarajevo om het dubbelprobleem van wederopbouw en hervorming te bespreken. “We willen een allesomvattend programma onder leiding van het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank, waarbij alle donorlanden betrokken zijn”, zegt minister van financiën Tomic.

Volgens Tomic is voor het hulpprogramma vijf miljard dollar nodig in drie jaar. Daarmee spreekt hij zijn eigen premier Silajdzic tegen. Deze noemde vorige week een bedrag van twaalf miljard dollar. De Wereldbank houdt het vooralsnog op drie miljard dollar.

Ook in oorlogstijd gaat het dagelijks leven door. “We moesten leven en dus moesten we werken”, zegt centrale-bankpresident Omicevic. “De beschikbare landbouwgrond in Bosnië wordt ten volle benut, kleine energiecentrales zorgen voor elektriciteit voor fabriekjes. In Sarajevo zijn de bewoners groentetuintjes begonnen, zelfs in parken en op balkons.” Tekorten werden mondjesmaat aangevuld met importen. “We hebben vrienden in de wereld”, zegt Omicevic, “die Bosnië met geld, zaaigoed, kunstmest, grondstoffen en gereedschap helpen.” Islamitische landen, van Saoedi-Arabië tot Indonesië, hebben volgens hem deze week in de marge van de jaarvergadering van IMF en Wereldbank toezeggingen gedaan voor hulp.

Hoewel een groot deel van de industrie werd ingeschakeld bij de oorlogseconomie, worden bij Tuzla in Noord-Bosnië schoenen gemaakt voor export naar Italië en in Vitez herenkostuums voor de Duitse markt. “Er zijn ook enkele buitenlandse investeringen in de vleesindustrie en de bosbouw”, aldus Tomic. De handelsbalans is in evenwicht, al is dat op een kwart van het niveau van vóór de oorlog. Veel importen bestaan uit humanitaire hulpgoederen die, net als de smokkelhandel, niet in de statistieken zijn opgenomen.

Hoe krijgt een land in oorlog zijn belastingen binnen? “Het belastingstelsel en de douane functioneren”, verzekert Tomic. Maandelijks ontvangt de overheid ongeveer 60 miljoen D-mark, waarmee de overheidsuitgaven gedekt worden. Iedereen heeft ingeleverd, dat wel. Ten behoeve van de militaire uitgaven, ruim de helft van de begroting, heeft het overheidspersoneel zijn salaris opgeofferd. Dat was hun bijdrage aan de Bosnische zaak, zegt Tomic.

Pag.12: 'Strijd tegen inflatie is psychologisch'

Het einde van de geldontwaarding geeft de bevolking vertrouwen, verzekert Tomic. “In het oude Joegoslavië waren periodes van hyperinflatie, de mensen herinneren zich dat. Het is niet alleen om economische, maar vooral om psychologische redenen dat we geen inflatie willen. De mensen zijn zich er daardoor van bewust dat er een overheid is die controle uitoefent en over instrumenten beschikt om de inflatie laag te houden.”

De bankbiljetten van de Bosnische dinar worden in Bosnië zelf gedrukt. De waarde van de dinar is door de centrale bank administratief vastgesteld op 100 voor een Duitse mark en volgens de centrale-bankpresident wijkt de waarde op de zwarte markt daar niet van af. De reserves waarover de centrale bank beschikt worden spaarzaam gebruikt. Onlangs is zes miljoen D-mark aangewend voor de import van voedsel, vertelt Omicevic. Dat voedsel wordt op de markt voor dinars tegen kostprijs verkocht. “We gebruiken onze deviezen alleen voor het hoogst noodzakelijke”, zegt hij, “want zoals alle dingen in Bosnië zijn deviezen schaars.”

Formeel is Bosnië nog geen lid van het IMF en de Wereldbank. Dat kan het ook niet worden zolang het zijn betalingsachterstanden bij deze instellingen niet heeft weggewerkt. Die zijn inmiddels opgelopen tot 400 miljoen dollar aan de Wereldbank en 36 miljoen aan het IMF. Nederland, dat vroeger Joegoslavië in het bestuur van het IMF en de Wereldbank vertegenwoordigde, treedt nu op als zaakwaarnemer van Bosnië en bemiddelt om dit betalingsprobleem zo snel mogelijk op te lossen.

Op persoonlijk initiatief van de Nederlandse bewindvoerder bij de Wereldbank, Evelien Herfkens, en met actieve steun van het Amerikaanse ministerie van financiën, heeft een week geleden een eerste bijeenkomst plaatsgevonden van alle betrokken organisaties en donorlanden over de toekomstige hulp aan Bosnië.

“Nederland speelt een goede rol”, verzekert minister van financiën Tomic. Zo is de Nederlandse regering volgens hem bereid de helft van de 50 miljoen dollar rentelasten waarmee de schuld van Bosnië halfjaarlijks oploopt, tijdelijk met een lening te financieren.

Het betalingsprobleem vraagt om een snelle oplossing. “Als we hulp krijgen en daarmee eerst de achterstanden aan de Wereldbank en het IMF moeten wegwerken, hebben we nog geen cent beschikbaar voor de wederopbouw”, zegt Tomic. “Daarom willen we een totaalpakket, waarin alle elementen, de achterstanden, de wederopbouw en de hervormingen, zijn opgenomen.” Diverse landen hebben tijdens de jaarvergadering van IMF en Wereldbank beklemtoond dat op een creatievere manier dan gebruikelijk naar deze kwestie moet worden gekeken.

Het internationale overleg wordt op het ogenblik vooral beheerst door de vraag wie de leiding van de hulpverlening krijgt. Gezocht wordt naar een formule waarbij de Wereldbank en het IMF de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de economische hulp, en een contactgroep waarin de Europese Unie, de Verenigde Staten, de islamitische landen en de internationale organisaties vertegenwoordigd zijn, toezicht houdt op de politieke uitvoering en naleving van de afspraken. “We kunnen echt een land zijn, dat deel uitmaakt van de internationale markt”, verzekert Tomic.