Blijven boeten voor Mauthausen; Christoph Ransmayr over een barbaars Oostenrijk

Christoph Ransmayr: Morbus Kitahara. Uitg. S. Fischer, 440 blz. Prijs ƒ 61,60.

Zeven jaar geleden publiceerde de toen 34-jarige Oostenrijkse schrijver Christoph Ransmayr zijn roman Die Letzte Welt. Het was een hoog grijpend boek, een parafrase op Ovidius' Metamorfosen, voorzien van een bijna dertig pagina's tellend 'Ovidius-repertoire'. Het was ook een boek dat zich op verschillende niveaus liet lezen en voor verschillende interpretaties vatbaar was. Zong Ransmayr er een loflied in op de kunst, die de mens kan veranderen en behoeden voor gruwelijke Ovidiaanse metamorfosen? Of moet men het boek lezen als een ondergangsscenario voor Oostenrijk dat een toekomst van verstening en verloedering tegemoet gaat in de trant van Ransmayrs plaats van handeling: het stadje Tomi aan de Zwarte Zee, zoals de feestredenaar van de Frankfurter Buchmesse van dit jaar, Robert Menasse, in zijn essay Das Land ohne Eigenschaften schreef?

Ransmayr zou zelf vast niet graag uitkomst geven. Zijn boek, waarvan het enorme succes (honderdduizenden exemplaren verkocht, vertalingen in meer dan twintig talen, literaire prijzen) hem totaal verraste, schreef hij zeker niet als roman à thèse, maar zoals alle schrijvers van belang confronteerde hij zijn lezer wel met een door hem geschapen wereld, waarin morele keuzen worden gemaakt, kritiek wordt geleverd, een (ten dele utopische?) werkelijkheid wordt geschetst achter, naast, tegenover de banale realiteit. Ransmayer beschouwt zich niet als een sterk analyticus en evenmin als een goede prediker, zoals hij mij een paar jaar geleden in een interview zei. Hij wil vertellen in concrete beelden en in een taal die zuiver en persoonlijk is.

Zijn nu net verschenen 440 bladzijden tellende roman Morbus Kitahara, de vrucht van zeven jaar ongestoorde en intensieve arbeid, vertoont al deze kwaliteiten. Het is een meesterwerk, in de eerste plaats door de taal. Met zoveel creativiteit, souplesse, spanning en schoonheid heeft in geen jaren een Duitse schrijver de pen gevoerd. Elke alinea, elke beschrijving schittert als een juweel. Hoewel het boek spannend is en tot doorlezen noodt wil men steeds terugbladeren om passages nogmaals te proeven. Weldadig werkt dat Ransmayr zich nooit door zijn verbluffende talent laat meeslepen, nooit breed uitpakt en zwelgt in prachtige uitweidingen. Morbus Kitahara is met grote economie geschreven. Eén alinea als voorbeeld: 'Jetzt erst liess der Fahrer, liess Bering das Steuer los, wollte aussteigen um dem Herrn Platz zu machen. Aber Ambras blockierte mit seinem Kettenhand die spaltbreit geöffnete Tür, fasste ihn mit der anderen Hand an der Schulter und drückte ihn auf die Polsterbank zurück: 'Platz'.'

Deze passage bevat bovendien essentiële aspecten van Ransmayrs inventieve vertelling. Bering is de jonge smid in het gehucht Moor aan een Oostenrijks meer, die de onderdanige mecanicien, chauffeur en lijfwacht wordt van de plaatselijke machthebber Ambras, de opzichter van de steengroeve waar praktisch de hele bevolking werkt. Ambras overleefde ondanks gruwelijke martelingen een concentratiekamp en heeft de bijnaam 'hondekoning' omdat hij zijn vervallen, eens elegante villa aan het meer met een meute bijterige honden deelt. Ambras leeft een eenzaam bestaan, hij wordt gehaat in Moor, met mensen (zie geciteerde alinea) gaat hij om als met honden.

Gedenktekens

Ransmayr baseert zijn roman op een geniale historische speculatie, die een heel aantal morele en menselijke problemen van onze tijd opwoelt. Moor en het hele bergland in de omgeving is na de Wereldoorlog tot 'boetegebied' verklaard. Industrieën zijn ontmanteld; de spoorrails weggebroken; men moet zich met primitieve landbouw in leven houden; van de blokken steen uit de groeve worden gedenktekens gemaakt die aan de misdaden herinneren die de bevolking tijdens de oorlog heeft begaan; nu, 25 jaar na de 'Vrede van Oraniënburg', wordt het gebied nog steeds bezet gehouden door de troepen van de overwinnaars die de misdaden blijven inpeperen en openbare boetedoeningen belonen. Morbus Kitahara schetst een enclave in Europa die geen Marshallplan en Wirtschaftswunder heeft gekend, maar het resultaat is van het realiseren van het voorstel van Roosevelts minister Henry Morgenthau, die in 1944 het Duitse gevaar voorgoed wilde uitbannen door het Derde Rijk te demilitariseren, op te delen, te de-industrialiseren en te reduceren tot een landbouwnatie.

Deze wraakoefening, deze gedwongen boetedoening en 'verwerking van het misdadige verleden' voorkomen misschien wel dat het berg- en merengebied (men herkent de streek waar Ransmayr opgroeide, het Salzkammergut, de Traunsee, het concentratiekamp Mauthausen met zijn dependance de steengroeve Ebensee) de voze toeristenidylle wordt die het geworden is, zij scheppen geen betere mensen. Er is eerder sprake van een rebarbarisering. Haat, rancune en geweld regeren. Onder de dictatuur der bezetters terroriseren groepen kaalgeschoren neonazistische rovers en moordenaars het land. Het 'boeteregime' ontmenselijkt al net zo erg als dat waarvoor geboet moet worden deed.

Ook de uitvoerders ontkomen hier niet aan. Ambras' verleden laat hem niet los, hij blijft een beschadigd man, is een hardvochtige heerser. De na de oorlog geboren Bering kan het in hem opwellende geweld vaak niet de baas en doodt dan ongeremd. Net als de smokkelaarster Lily, het enige sociale contact van de opzichter en zijn knecht, die als ze daarvoor in de stemming is kale neonazi's van grote afstand neerschiet.

Het is opnieuw een wereld van harde en scherpe kanten die Ransmayr in Morbus Kitahara neerzet. Steen en ijs en de sintels van de industriële samenleving: oud ijzer, roest, gezonken schepen, autowrakken, overwoekerde rails vormen het decor van zijn vertelling. Maar net als in Die Letzte Welt zijn er tekenen van hoop. Er zingen vogels in het boek. Bering met zijn uitzonderlijk scherp gehoor kan vogelgeluiden nadoen, kakelde als baby als een kip en smeedt de enige auto in het gebied, de Studebaker van Ambras, om tot een rijdende vogel met snavels en klauwen. (De volksmond noemt het voertuig 'de Kraai'). Er zijn ook passages van grote tederheid, die de mogelijkheid van menselijker verhoudingen aanduiden. Bijvoorbeeld als Lily en Bering de sinds het martelen in het nazikamp steeds pijnlijke schouders van Ambras met olie insmeren en masseren of als zij samen Berings vader, wiens geest door zijn oorlogsverleden is ingehaald waardoor hij denkt in de Noordafrikaanse woestijn de vijand te bevechten, vastgebonden op een paard door het hooggebergte smokkelen naar een verzorgingstehuis in de normale wereld van de vallei.

Het boek, dat zijn titel ontleend aan een oogziekte die de blik bewolkt, eindigt in resignatie tegenover het inzicht dat de mens zijn verleden niet kan ontlopen en slachtoffers tenslotte toch ten gronde gaan aan wat zij geleden hebben. Op een eiland in Brazilië, het hele boek door de utopische bestemming, doodt Bering opnieuw; daarna sleurt de door herinneringen overweldigde Ambras hem mee in de afgrond. Een op het eiland als een veenbrand woekerend vuur verkoolt de lijken. Ransmayr had deze afloop aan het begin van zijn roman al aangekondigd. De eerste zin van zijn fascinerende boek luidt: 'Zwei Tote lagen schwarz im Januar Brasiliens'.

    • André Spoor