Belgrado in Amsterdam

De Tweede Ronde, Wereldnummer. Uigt. Van Oorschot, 192 blz. Prijs ƒ 17,50.

Vergeleken met bijvoorbeeld Engeland en immigrantenland bij uitstek Amerika hebben allochtonen in Nederland verbazend weinig in de literaire pap te brokken. Vandaar misschien dat de roman Hoezo bloedmooi van de Haagse Marokkaan Hans Sahar onlangs zo veel aandacht kreeg van de media. Het tijdschrift De Tweede Ronde, met zijn jarenlange traditie van speciale landennummers, kwam op het even eenvoudige als verrassende idee om een 'wereldnummer' te maken met werk van buitenlanders die in Nederland wonen. Hoe het voelt om met het ene been in de ene cultuur te staan en met het andere in de onze wordt het duidelijkst beschreven door Zoran Djukanovic (Belgrado, 1955) die de plattegronden van zijn geboortestad en Amsterdam in elkaar ziet overvloeien. Van gastredactrice Snezana Bukal verschijnt in het voorjaar bij De Bezige Bij een verhalenbundel. Het kan zijn dat de Nederlandse uitgevers de buitenlanders nu ontdekt hebben als vers terrein voor hun eindeloze jacht op nieuw en liefst jong talent, vooral sinds de instroom van schrijvers uit het voormalige Oostblok. Mario Paric, Nemanja Mitrovic, Monica Savulescu-Voudouris, de al langer bekende Irina Grivnina, Julia Stoilova en Ilja Kolli zijn de Slavische auteurs in dit wereldnummer van wie we waarschijnlijk nog wel meer zullen horen. Als onderdeel van de Nederlandse schrijversvakbond VVL hebben een paar politieke vluchtelingen de Werkgroep Wereldschrijvers opgericht.

'Een kosmisch treuren / en een lied dat daarbij past' dichtte Irina Grivnina (Oezbekistan, 1945) in een van haar drie gedichten die overlopen van de heimwee. Ook de gedichten van andere slaven, Chinezen (Duoduo, Cao Xuân T'u) en de arabieren Nasser Fakhteh en Toama al-Modhiji in De Tweede Ronde zijn dadelijk herkenbaar als ballingenpoëzie. Duoduo: 'Wij gaan overzee, maar waarheen moet die rivier / ten dode opgeschreven dan nog stromen? (-) als er geen doden zijn, komt er geen einde aan de rivier..'

Het Nederlandse 'Light Verse' in dit wereldnummer is toegespitst op het thema, waardoor het aan zeggingskracht won. Gé van den Bovenkamp beschouwt het Zuidhollandse eiland Tiengemeten als buitenland. 'De allermooiste vrouwen van dit land, / verblijven op het eiland Tiengemeten. / Er zijn slechts weinig mannen die dat weten / want zulke feiten halen nooit de krant. // (-) Het mooiste is wanneer ze als Sirenen / tot aan hun dijen in het struikgewas / melancholiek over het water loeien.'

Meer dan vermeldenswaard zijn de verhalen van debutant Theodor Prudon en van Manon Uphoff - die een vijftienjarig meisje laat ontmaagden door een 'oosters aandoende man' - en het groteske 'De huilspiraal' van Hendrik van Teylingen, over het huilen van de zwerfhonden in Paramaribo. Suriname is een 'spokenland': 'Ik geef toe dat de struik onder de achterover hellende halve maan van de tropen, die het erf in een bleek licht hulde, iets van een zacht trillend spook weghad. Iemand met een gerijpt angsttalent zou er de meest uitgelezen griezels in kunnen herkennen: een lepreuze lustmoordenaar, een dolende slavenhouder met onder elke arm een afgehouwen negerkop, de idioot van Poelepantje, de jorka van achter de kleine markt... Bedaard zei ik: 'Het is onze peperstruik, Won'. 'Mijn mars!' fluisterde ze. Mars is Sranantongo voor aars.'

    • Margot Engelen