ALEXANDER RINNOOY KAN; Poolse landdagen voorbij

Maandag vindt in de Stichting van de Arbeid het najaarsoverleg van kabinet met sociale partners plaats. Conflicten zijn niet te verwachten. Achter de facade van eensgezindheid zijn echter grote tegenstellingen waarneembaar. Werkgeversvoorzitter A. Rinnooy Kan pleit voor een systeemschok in de sociale zekerheid, die de herziening van de WAO uit 1991 in de schaduw stelt. Met de vakbeweging wil hij een groter deel van de sociale zekerheid heroveren op de staat. FNV-voorzitter J. Stekelenburg gaat hier voor een deel in mee, maar trekt strepen in het zand, waar hij voorlopig niet overheen wil gaan.

Alexander Rinnooy Kan: “Mijn voorganger, Cees van Lede, heeft de laatste Poolse landdagen meegemaakt. In zijn tijd waren voor- en najaarsoverleg slopende vechtpartijen, met veel tactiek en strategie, waar na afloop de gewonden werden weggedragen. Ik zit hier nu vier jaar. De verhoudingen zijn flink veranderd. We praten nu alleen nog over zaken waar we het over eens zijn. We hebben an agreement to agree. Het heeft geen zin om zaken op de spits te drijven en al na tien minuten tot de conclusie te komen dat we het maar over één ding eens zijn: dat we het oneens zijn. We willen zicht hebben op resultaat.”

We hoeven komende maandag dus niet op spektakel te rekenen? “Nee. De paradox is dat waar de veranderingen in samenleving en economie spectaculair zijn, institutionele gebeurtenissen als het najaarsoverleg juist bijzonder rustig verlopen. We zijn op weg naar een andere economische orde, maar willen dat transformatieproces op centraal niveau verstandig begeleiden”.

Welke economische orde? Wat voor transformatieproces?

“Oude zekerheden worden door nieuwe vervangen. In de plaats van de oude zekerheid van een door de overheid gegarandeerde uitkering bij ziekte, werkloosheid of arbeidsongeschiktheid komt de nieuwe zekerheid van een grotere weerbaarheid. De oude inkomenszekerheid was een passieve zekerheid, die uitging van een gebrek aan zelfvertrouwen bij mensen en die je werd aangereikt door de overheid. De nieuwe zekerheid stelt mensen in staat om beter voor zichzelf te zorgen. In de toekomst zal dan ook niet meer worden gesproken over volledige werkgelegenheid, maar over wat de Amerikanen aanduiden als full employability: het beschikken over voldoende vaardigheden, kennis en inzicht om een plaats op de arbeidsmarkt te kunnen verwerven. Het is belangrijk dat ook de vakbeweging daar op centraal niveau verantwoordelijkheid voor neemt.”

Een harmonieus najaarsoverleg wil niet zeggen dat er geen tegenstellingen meer zijn?

“Nee. Over het complex van instituties rondom de arbeidsvoorziening en de sociale zekerheid denken sociale partners en kabinet bijvoorbeeld heel verschillend. Dat complex verander je niet door hier een duwtje te geven en daar een schakeltje weg te halen, zoals het kabinet doet. Daar is een systeemschok voor nodig. We hebben begin jaren negentig al een kleine schok rond de WAO gehad. Zo'n schok is pijnlijk en kan het best met instemming van alle partijen worden ondergaan. Nu is een nog grotere schok nodig. Werkgevers en vakbeweging hebben daar duidelijke gedachten over, die zijn uitgewerkt in rapporten van de Sociaal-Economische Raad. Het is onbegrijpelijk dat het kabinet geen gebruik maakt van dat momentum. Het kabinet doet gewoon zijn eigen zin en drijft de eigen opvattingen over Ziektewet, WAO en arbeidsvoorziening door. Ik weet zeker dat ze niet zullen werken. De plannen van minister Melkert met de arbeidsvoorziening maken van de arbeidsbureau's weer uitvoerders van overheidsbeleid; dat is een echo uit de jaren tachtig. Wij hebben als sociale partners, om in de woorden van oud-vakbondsvoorzitter Arie Groenevelt te spreken, een kilo verantwoordelijkheid gekregen voor een ons zeggenschap. Dat vergroot ons animo om aan de arbeidsvoorziening mee te werken niet.

“Ook bij de voorstellen van staatssecretaris Linschoten over Ziektewet en WAO blijft de rol van de overheid en het beslag op de totale financiële middelen groot. Dat grote beslag van de overheid strookt niet met de afnemende betekenis van de overheid in de samenleving en zal daarom moeten worden teruggebracht. Het is onafwendbaar dat een groter deel van de sociale zekerheid in de toekomst onderdeel uitmaakt van het arbeidsvoorwaardenoverleg. Bij ons aangesloten werkgevers moeten daarvoor nog reserves overwinnen. Zij vragen zich af wat het ze oplevert. Ook bij de vakbeweging is sprake van nervositeit. Maar in grote lijnen zijn we het er al aardig over eens dat de overheid alleen nog maar een basisbescherming moet bieden. Meer hoeft en kan niet. Er is een grens aan wat de overheid voor haar rekening moet nemen. En er is een grens aan wat de samenleving aan belastingen en premies wil en kan opbrengen. Met dergelijke ideeën roeien wij in tegen de politieke stroom. Daar ben ik geweldig verbaasd over. Politici gunnen ons geen tijd om hindernissen op weg naar een nieuwe economische orde op te ruimen.”

Waarom zetten de sociale partners het kabinet maandag niet voor het blok?

“Uit voorgesprekken is niet gebleken dat op dit punt resultaat valt te boeken. Bovendien zijn we zelf nog niet zo ver. Er zijn nog wat weerstanden.”

Weerstanden die te overwinnen zijn?

“Ja, als we maar niet onder te grote tijdsdruk worden gezet. De vakbeweging is in toenemende mate bereid over dit soort zaken te praten. Ook bij de PvdA zie je openingen. Ik was geïntrigeerd door een opmerking die de fractievoorzitter van de PvdA, Jacques Wallage, een paar maanden geleden maakte. Hij vond dat werkgevers de vrijheid moesten hebben om werknemers te belonen conform hun produktiviteit. Dat betekent dus dat er in bepaalde gevallen een lager loon moet kunnen worden uitbetaald dan het wettelijk minimumloon. Heel interessant dat Wallage hiermee het minimumloon ter discussie stelt. Het wettelijk minimumloon is tegelijkertijd een minimale beloning voor prestaties en een financiële vertaling van wat we hier in Nederland als minimale behoeften van mensen beschouwen. Die twee elementen moeten uit elkaar worden gehaald. Het minimumloon als minimale beloning voor prestaties zal verdwijnen. Wel zal er een sociaal minimum blijven. Mensen die vanwege hun geringe produktiviteit een lager loon krijgen dan het sociaal minimum zullen een aanvulling tot aan dat minimum krijgen.”