Wielklem komt bijna altijd bij de juiste terecht

In zijn stuk “Bureaucraten tarten publieke zelfbeheersing” (NRC Handelsblad, 25 september) stelt Milo Anstadt dat “een democratie die niet berust op de betrokkenheid van een groot deel van de bevolking bij de politiek, wordt bedreigd door verval”.

Die stelling onderschrijf ik van harte, het is zelfs ooit een reden voor ondergetekende geweest om lid te worden van een politieke partij (D66) welke haar bestaansrecht min of meer ontleent aan democratisering van de samenleving.

Anstadt beschrijft zijn wederwaardigheden met de Amsterdamse Dienst Parkeerbeheer wanneer hij een wielklem aan zijn auto aangebracht krijgt. Zijn bureaucratische helletocht mondt uit in een beschouwing over hoe remedies die het Amsterdamse bestuur bedenkt om het parkeerprobleem het hoofd te bieden, er enkel en alleen toe leiden dat een groot deel van de bevolking hevig gefrustreerd raakt. Dat veroorzaakt politieke schade en bedreigt de democratie. Ergo, de Amsterdamse wijze van parkeerhandhaving kan de vergelijking met de methoden van een politiestaat moeiteloos doorstaan.

Dat zijn ernstige beschuldigingen. Zeker aan het adres van de verantwoordelijke wethouder, nota bene afkomstig uit een partij die nu juist zegt de bevolking beter te willen betrekken bij de politiek. “Zou macht dan werkelijk iedereen corrumperen?” zo vraagt Anstadt zich ietwat malicieus af.

Het is natuurlijk niet aan mij om die laatste vraag te beantwoorden, maar wel de vraag waarom er regels worden opgesteld en waarom die streng gehandhaafd worden. Welnu, de vraag naar parkeergelegenheid in de hoofdstad overtreft verre het aanbod aan daarvoor beschikbare ruimte. Het is dan ook niet het 'autootje pesten' dat ten grondslag ligt aan het Amsterdams parkeerbeleid, maar het idee dat effectieve parkeerregulering een noodzakelijke (maar zonder andere maatregelen onvoldoende) voorwaarde is om een stad bereikbaar en leefbaar te houden. Dat wil zeggen dat door hoge parkeertarieven en stringente handhaving, het niet-noodzakelijke autoverkeer zoveel mogelijk wordt beperkt. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het woon/werkverkeer dat niet meer de volle werkdag beslag legt op een parkeerplaats, maar door de hoge parkeertarieven eerder gebruik zal maken van het openbaar vervoer. De opbrengsten van die tarieven wenden we onder andere aan om verkeersmaatregelen te nemen, zoals het uitvoeren van een Verkeers- en Inrichtingsplan, het bouwen van transferia aan de rand van de stad, en ondergrondse parkeergarages dichtbij en in de binnenstad voor wie toch daar - tegen een hoog tarief - wil parkeren.

De parkeerregulering dient zo een welbegrepen, algemeen belang. Voorkomen moet worden dat de stad dichtslibt met auto's die daarmee een onevenredig beslag leggen op de schaarse openbare ruimte. Dat zou pas echt tot een onleefbare, verstopte, en daarmee ook voor de stadseconomie schadelijke, situatie leiden.

Echter, regulering heeft alleen maar effect wanneer ze te handhaven is. De Wet gemeentelijke parkeerbelastingen heeft dat voor het parkeerbeleid mogelijk gemaakt door middel van een fiscaal afhandelingssysteem. De afhandeling van overtredingen kan daardoor versneld worden, terwijl de kosten rechtstreeks aan de overtreder worden doorberekend. De wielklem, ten slotte, zorgt ervoor dat de overtreder niet met zijn overtreding 'weg kan komen'. De situatie dat de niet-betalende of foutgeparkeerde automobilist zijn schouders kon ophalen voor het proces-verbaal behoort tot het verleden. En daarmee een stadsbeeld dat haar schaarse ruimte meer en meer prijs moest geven aan overal (vaak fout) geparkeerde auto's.

Niettemin, het doel heiligt natuurlijk niet alle middelen. Een overheid die haar instrumentarium verkeerd gebruikt, laat staan misbruikt, berokkent inderdaad politieke schade. Anderzijds, een bureaucratie die niet in staat is haar instrumentarium effectief te gebruiken, nodigt uit tot onverschilligheid. Tot een klimaat waarin het algemeen belang ten onder gaat aan het particuliere belang, en het recht van de sterkste zegeviert. Ergens tussen beide uitersten ligt het evenwicht, dat altijd delicaat en aan schommelingen onderhevig is.

Terug naar de Amsterdamse praktijk. Overdag is de bereikbaarheid van de stad voor wie toch met de auto wil komen, sterk verbeterd. Gemiddeld 18 procent van de parkeerplaatsen staat leeg. In tegenstelling tot vroeger kan men zijn auto veel makkelijker kwijt. Er worden in Amsterdam per jaar zo'n 25 miljoen betaalbewijzen afgegeven voor parkeerplaatsen. De betalingsgraad is hoog, zo'n 84 procent. Dat wil zeggen dat zo'n 4 miljoen keer niet of te weinig wordt betaald. Honderdduizend keer wordt vervolgens een wielklem gezet. De parkeerhandhaving gebeurt met twee man en er is controle van chefs op de uitvoering. De wielklemmen komen evident terecht bij niet-betalers.

Toch kan het gebeuren dat er klemmen worden gezet bij vermeende wanbetalers. Het betaalbewijs kan wegwaaien bij het dichtslaan van het portier, het kan zich bevinden tussen een hoeveelheid andere kaartjes op het dashboard, etcetera. Om de controle niet onmogelijk te maken, moet echter de eenvoudige eis worden gesteld dat het betaalbewijs zichtbaar is voor de opsporingsambtenaar. Het is uiteindelijk altijd nog mogelijk het rechterlijk oordeel in te roepen wanneer men de juistheid van de aanslag of de rechtmatigheid van de handhaving betwijfelt. Het komt dan ook inderdaad wel eens voor dat restitutie plaatsvindt.

Zonder de illusie te hebben dat de Dienst Parkeerbeheer ooit 'je beste vriend' zal worden, zijn wij van mening dat een correcte behandeling van klachten en klantvriendelijk optreden van groot belang is, juist om maatschappelijk draagvlak voor het beleid te behouden. Daarop wordt de dienst dan ook regelmatig aangesproken: door het gemeentebestuur, de ombudsman, de rechter, de verantwoordelijke wethouder en, last but not least, door de kritische burger. Daarom ook werkt de dienst eraan zijn contacten met het publiek te verbeteren. Overigens, begeleidend onderzoek van een onafhankelijk bureau heeft aangetoond dat Amsterdamse bewoners en bedrijven die de effecten van het parkeerbeleid ondervinden, in meerderheid tevreden zijn.

Ik durf de stelling aan dat in de weerbarstige Amsterdamse praktijk de Dienst Parkeerbeheer er over het algemeen goed in slaagt effectief op te treden zonder te vervallen in gedrag dat kenmerkend zou zijn voor een politiestaat. Ik meen dat de dienst binnen de door ons gestelde randvoorwaarden opereert: regels moeten een welbegrepen, door een meerderheid onderschreven belang dienen, ze moeten te handhaven zijn, en de handhaving moet door de overheid in redelijkheid en zonder willekeur geschieden. In elk geval trachten wij als democraten en, noodzakelijkerwijs, bureaucraten, daar elke dag op toe te zien.

De bureaucratie behoort de democratie te dienen. Signalen die op het omgekeerde zouden wijzen nemen wij per definitie serieus. Wij nodigen Milo Anstadt dan ook uit om eens een paar dagen met de dienst mee te lopen. Hij kan zich er zo van vergewissen of de door hem veronderstelde omgekeerde situatie wel strookt met de realiteit.

    • Ernst Bakker