Topman Wereldbank raast als wervelwind over continenten

WASHINGTON, 12 OKT. Op zijn kantoor is Wereldbankpresident James Wolfensohn sinds zijn aantreden op 1 juni niet veel gezien. Als een wervelwind ging hij over de continenten om zoveel mogelijk ontwikkelingslanden te bezoeken. De cello spelende investment-banker wilde er ook gewoon “wat drinken” met de mensen waarvoor de Wereldbank in de eerste plaats werkt. Zoals de vrouw met haar kinderen in het dorpje Katwe in Oeganda die bananenschillen tot brandstof verwerkt. “Ze liet me haar verkoopadministratie zien en ze was even trots als de bestuursvoorzitter van een multinationale onderneming”, vertelde Wolfensohn tijdens de jaarvergadering aan de verzamelde ministers van financiën en bankpresidenten.

Zulk reisgedrag was nog maar zelden vertoond, want presidenten van de Wereldbank plachten het grootste deel van hun tijd door te brengen op het hoofdkwartier aan H-street in Washington DC. De flamboyante James Wolfensohn (61) is niet voornemens dat te doen. Ontwikkelingsbeleid komt tenslotte niet in de eerste plaats achter een bureau tot stand.

Onder de 6.400 werknemers van de Wereldbank is het dan ook onrustig geworden. Zullen er na de al eerder in gang gezette afvloeiing van 600 medewerkers nog meer mensen weg moeten? En hoevelen zullen van het comfortabele Washington worden overgeplaatst naar afgelegen Afrikaanse, Latijns-Amerikaans of Aziatische oorden? “Vooral onder de staf op de hoge niveaus is er bezorgdheid”, zegt een Wereldbankmedewerker. Tegelijkertijd zijn er ook velen binnen de bank die verwachtingsvol zijn.

Sinds de komst van Robert McNamara in 1968 is niet meer zo uitgekeken naar een nieuwe Wereldbankpresident als naar James Wolfensohn. Eindelijk krijgt zij weer een president die op een aanstekelijke manier naar buiten kan optreden. In het publieke debat waarvan de Wereldbank ook meer dan ooit onderwerp is, zal dat de instelling volgens veel medewerkers alleen maar ten goede komen.

Pag.20: Wolfensohn wil net als Preston kwaliteit leningen verhogen

Tot de jaren zestig verstrekte de Wereldbank - in 1946 opgericht als een bank voor de wederopbouw van het door oorlog verscheurde Europa - meest leningen aan de economisch meer ontwikkelde landen. Het ging voornamelijk om voor de bank overzichtelijke en uitvoerbare infrastructurele projecten. Het geld kon door de hoge kredietwaardigheid van de Wereldbank tegen gunstige voorwaarden op de kapitaalmarkt worden geleend. McNamara zette armoedebestrijding hoog op de agenda. Hij kon als ex-minister van defensie (onder president Kennedy) door zijn politieke invloed het jaarlijkse leningenvolume enorm opvoeren. Onder zijn leiding was er sprake van een vertwaalfvoudiging tot 12 miljard dollar in 1981. Achteraf moest worden geconstateerd dat volume belangrijker was geweest dan kwaliteit.

Kritiek op de Wereldbank is er altijd geweest. Tijdens de Koude Oorlog werd de Bretton Woods-instelling door radicale critici als een instrument van het 'imperialisme' bestempeld. In de jaren tachtig lokten de economische aanpassingprogramma's kritiek uit, omdat zij vooral in Afrika de armen onevenredig troffen. Daarna waren het milieugroepen die de Wereldbank verweten met grote projecten (zoals stuwdammen) het milieu onherstelbaar aan te tasten.

De Wereldbank is nooit ongevoelig geweest voor kritiek. De aanpassingsprogramma's kregen een sociaal vangnet. Leningen voor 'human capital' (onderwijs, gezondheidszorg) gingen fors omhoog. En de milieu-uitgaven maken inmiddels een aanzienlijk deel uit van de kredietportefeuille.

Drie jaar geleden bleek uit een rapport van de Wereldbank zelf dat 40 procent van de projecten niet aan de eigen criteria voldoet. De eerder dit jaar overleden president Lew Preston maakte daarop een begin met een cultuurverandering binnen de bank. Deze diende zich volgens hem minder te richten op volume en meer op kwaliteit. En om dat te bereiken moest veel meer dan voorheen de lokale bevolking direct bij projecten worden betrokken.

“Ik heb de afgelopen maanden geleerd dat ontwikkeling een taaie en gecompliceerde business is,” zei Wolfensohn in zijn redevoering. De nieuwe Wereldbankpresident treedt aan op een moment dat de wereld in hoog tempo verandert. Inmiddels leven vijf miljard mensen in een markteconomie, tien jaar geleden waren dat er nog maar één miljard. Bovendien is in de jaren negentig niets zo snel veranderd als de kapitaalstroom naar ontwikkelingslanden. Tussen 1990 en 1994 verstrekte de Wereldbank 84 miljard dollar aan alle ontwikkelingslanden. In dezelfde periode ging er een particuliere kapitaalstroom in dezelfde richting van 660 miljard dollar. Een groot deel hiervan zijn directe investeringen - in 1994 ging het om 74 miljard dollar.

Wat is dan nog de relevantie van de Wereldbank? Voor Wolfensohn is dat geen vraag: “Tachtig procent van de particuliere kapitaalstroom gaat naar slechts twaalf landen. En je kunt lagere scholen en basisgezondheidszorg in ontwikkelingslanden nu eenmaal niet op commerciële basis financieren.”

Maar als voormalig investment-banker met een eigen firma - Siegmund Warburg was zijn belangrijkste mentor - zal Wolfensohn de betrokkenheid van de Wereldbank bij de particuliere sector zeker willen vergroten. Hij zei in zijn rede voor de jaarvergadering een grotere rol te zien voor de International Finance Corporation (IFC), een zelfstandig onderdeel van de Wereldbankgroep dat al in 1956 werd opgericht om activiteiten van de particuliere sector aan te moedigen. De IFC neemt deel in aandelenkapitaal, stimuleert privatisering, verstrekt garanties en geeft adviezen.

De Wereldbank is in feite gehandicapt doordat zij alleen aan staten leningen mag verstrekken. “Vooral in Oost-Europa speelt ons dat parten. Je geeft een staat geld, terwijl je daar juist de markteconomie wilt bevorderen”, aldus een Wereldbankfunctionaris. Om die reden mag de Oost-Europabank (EBRD) wel een deel van het kapitaal aan particuliere ondernemers uitlenen. Binnen de Wereldbank pleiten sommigen voor een snelle integratie van de IFC. Dat zou binnen de bank een cultuurschok teweegbrengen. Een woordvoerder: “Bij de bank werken ambtelijk ingestelde bureaucraten met een doctorsgraad en bij de IFC maken mensen met een business-opleiding de dienst uit.” Afrikaanse landen dringen al enige tijd aan op een grotere rol van de IFC. Tot nu is de organisatie overwegend actief in landen met een al wat hoger ontwikkelingsniveau.

“Wat verwacht u dan van mij na mijn eerste paar maanden bij de bank”, zo vroeg Wolfensohn zich eergisteren in zijn redevoering hardop af. “Harde uitspraken? Grootscheepse reorganisatieplannen? Grote koppen in de pers? Ik hoop van niet.” In de schaarse interviews die hij gaf, maakte Wolfensohn eerder duidelijk erop uit te zijn mensen binnen de Wereldbank te overtuigen. Jazeker, er zal voor het eerst in de geschiedenis van de Wereldbank worden gedecentraliseerd. Maar hoeveel mensen het hoofdkantoor in Washington uit moeten, weet Wolfensohn zelf ook nog niet. Hij wil luisteren naar goede ideeën. Speciaal met het oog hierop heeft hij inmiddels een e-mail adres, waarnaar al meer dan vierhonderd Wereldbankmedewerkers een bericht hebben gestuurd.

Toch schuwt Wolfensohn ook het schokeffect niet - niet zo vreemd voor de man die als investment banker bij Salomon Brothers destijds de herstructurering van Chrysler leidde. Zo sloeg zijn besluit om het grote, reeds goedgekeurde Arun-stuwdamproject in Nepal alsnog te staken bij het topmanagement in als een bom. In de lagere echelons, waar men al langer twijfelde aan de uitvoerbaarheid van een dergelijk groot project in zo'n arm en klein land, werd onhoorbaar gejuicht.

Voor Wolfensohn is maar één prioriteit de hoogste: armoedebestrijding. In zijn rede voor de jaarvergadering gaf hij dan ook aan allereerst te willen veiligstellen dat de International Development Association (IDA), het 'loket' van de Wereldbank voor zachte leningen aan de armste landen, voldoende geld krijgt van donorlanden. Dit ondanks de weigerachtige opstelling van het Congres, dat het de Amerikaanse regering onmogelijk maakt haar verplichting na te komen. Daarnaast wil hij de multilaterale schulden van de armste landen verminderen, iets wat binnen de Wereldbank tot voor kort ondenkbaar was. Als derde noemde Wolfensohn een verbetering van contacten met de particuliere sector, waaronder de meest uitlopende non-gouvernementele organisaties (ngo's). Institutionele veranderingen binnen de Wereldbank zelf volgden onmiddellijk daarna.

Wolfensohns zakelijke instelling kan niet verhullen dat zijn belangrijkste drijfveer van morele aard is. De Wereldbank heeft waarschijnlijk nooit een president gehad die deze baan zozeer ambieerde als Wolfensohn. Hij beaamde onlangs dat hij zich in 1980 snel van Australiër tot Amerikaan had laten naturaliseren, nadat toen reeds zijn kandidatuur voor de post in de pers de rond deed. Traditioneel wordt immers altijd op voordracht van de Amerikaanse regering een Amerikaan voor de post benoemd.

Als bestuurslid van de Rockefeller Foundation was hij actief bij allerlei particuliere ontwikkelingsprojecten. Het is niet de enige belangrijke organisatie waarin Wolfensohn een vooraanstaande rol vervulde. De afgelopen jaren was hij voorzitter van het prestigieuze John F. Kennedy Center for Performing Arts in Washington. Het maakte hem gevierd in de toonaangevende kringen in de Amerikaanse hoofdstad. Sinds zijn benoeming onderhoudt hij hartelijke betrekkingen met president Clinton, die hem onlangs in zijn vakantieverblijf opzocht.

Of hem dat het benodigde IDA-geld zal opleveren mag worden betwijfeld, want daarover gaat het door Republikeinen gedomineerde Congres. De IDA-affaire biedt Wolfensohn overigens de gelegenheid zich als een voorvechter van armoedebestrijding te profileren. Het is een van de redenen dat ngo's die de Wereldbank altijd sterk hebben bekritiseerd, nu veel dichter bij de bank staan. Zij lijken ook meer oog te hebben gekregen voor de veranderingen die al enige tijd bij de Wereldbank in gang zijn gezet. Wolfensohns pleidooi voor vermindering van de multilaterale schuld heeft bij hen waardering gekregen.

Dat leidde gisteren zelfs tot een gezamenlijke persconferentie van Wolfensohn en ngo's als Oxfam met de IDA als onderwerp. Dat is tijdens een jaarvergadering nog nooit eerder vertoond. Oxfam-directeur Stewart Willis prees Wolfensohn omstandig. Een Afrikaanse ngo-vertegenwoordiger had waarderende woorden voor de structurele aanpassingsprogramma's van de Wereldbank.

Toen Wolfensohn onlangs werd gevraagd of hij niet teveel 'Wall Street' was, antwoordde hij bevestigend. “Maar ik heb een ideaal. Ik wil hartstochtelijk dat de bank aan dat ideaal voldoet.” Bij de Wereldbank moeten volgens Wolfensohn daarom mensen werken die nog “dromen” hebben. Alle anderen kunnen volgens hem beter ergens anders een baan gaan zoeken.

    • Hans Buddingh'