Stralen in de tandartsstoel

Van Aken J. De Röntgendiagnostiek. Ned. Tijdschrift Tandheelkunde 1993; 100 : 102-6. Met dank aan Prof.dr. P.F. van der Stelt voor het gegeven commentaar.

Vier jaar na de ontdekking van de Röntgenstraling, in 1899, verscheen in het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde een overzichtsartikel waaruit blijkt hoe snel men toen al de toepassingsmogelijkheden ervan onderkende. De schrijver G.C. Bosch stelt onder meer vast: 'Vooral op het gebied der geneeskunde zijn deze X-stralen gebleken van onberekenbaar nut te zijn voor het bestuderen van misvormingen van het beenderstelsel, ontwrichtingen, breuken. Niet minder gewichtig voor het vinden van de juiste ligging van vreemde lichamen in het vleesch en kalkachtige aanzetsels in de inwendige organen' en: 'Ook de industrie heeft gebruik weten te maken van deze stralen voor het onderzoeken van de cocons der zijdeworm, voor het onderkennen van vervalschingen in koffieboonen, thee, zijde, en voor het onderzoek van brieven, postpakketten, koffers op douane-kantoren, voor het onderzoek van mineralen en edelgesteente.'

Het is verbazingwekkend hoe snel de kennis over deze wetenschappelijke uitvinding is verspreid en hoe vlug men de vele toepassingen heeft aanvaard, want meestal gaat daar veel tijd overheen. Al voor 1910 kwam de eerste tandheelkundige röntgen-apparatuur op de markt. Niet lang daarna wordt gemeld dat de X-stralen weleens gevaarlijk zouden kunnen zijn voor de tandarts. Verder leest men de aanbeveling een omhulling rond de buis aan te brengen zodat er maar een kleine stralenbundel door de opening kan gaan. Ook komen er waarschuwingen dat tandartsen er verstandig aan doen de röntgenfilm in de mond van de patiënt niet zelf vast te houden.

Tegenwoordig zijn de gevaren bij het maken van tandheelkundige röntgenfoto's, als dit op deskundige wijze gebeurt, vrijwel te verwaarlozen. De stralingsbelasting per opname is immers zeer gering. Bekend is dat er in de Nederlandse tandheelkunde circa 7000 röntgentoestellen worden gebruikt waarmee per jaar naar schatting 6 miljoen mondfotootjes worden gemaakt. Tandartsen behoren tot de beroepsgroepen die de röntgenstraling het meest gebruiken. De moderne tandheelkunde is zonder X-foto's niet meer mogelijk, met name als het om de diagnostiek gaat. Bij het opsporen van gaatjes in het gebit en van afbraak van het kaakbot door bacteriële processen is het röntgenapparaat onontbeerlijk. Ook zijn het aanbrengen van beugels of het uitvoeren van kaakchirurgische behandelingen zonder adequate röntgendiagnostiek niet meer verantwoord.

Nieuwe filmtypen

Ondanks de geringe gevaren van het gebruik van röntgenstralen in de tandheelkunde is het onderzoek op dit gebied toch vooral gericht op een zo gering mogelijke stralingsbelasting. Zo zijn de laatste jaren nieuwe filmtypen ontwikkeld waarbij slechts de helft van de straling vereist is vergeleken bij vroegere filmsoorten. Ook is er gelijkstroomapparatuur gekomen waardoor de beeldkwaliteit van mondfoto's sterk is vooruitgegaan terwijl de stralingsdosis voor de patiënt minder is geworden. Maar vooral de ontwikkelingen in de zogenaamde digitale beeldbewerking lijken veelbelovend. Hier maakt men niet meer gebruik van de zo langzamerhand al weer traditionele röntgenfilm maar van een elektronische sensor die in de mond wordt geplaatst. Het signaal van deze sensor wordt naar een computer gevoerd waarna binnen maximaal 30 seconden het digitale beeld - een aantal getallen die het röntgenbeeld representeren - op een computermonitor verschijnt. In de medische radiologie worden dergelijke technieken al langer toegepast, maar de daar gebruikte apparatuur is te groot en te duur voor de tandheelkundige praktijk. Toch is het waarschijnlijk dat het niet lang meer zal duren voor digitale beeldbewerking ook in de tandheelkunde wordt ingevoerd, want er zijn veel voordelen aan verbonden. Zo blijkt ondermeer dat de stralingsdosis die nodig is om een mondopname te maken lager is dan die van een conventionele tandfoto. Fouten kunnen, binnen zekere grenzen, worden gecorrigeerd zodat een andere foto niet nodig is. Daarnaast kunnen het contrast van de opname en de zwarting makkelijk worden veranderd, waardoor bepaalde plaatsen op de foto beter kunnen worden beoordeeld.

Bij de interpretatie van röntgenbeelden spelen bepaalde subjectieve factoren een rol. De tandarts kan vanuit een bepaald vooroordeel naar röntgenfoto's kijken of hij kan de informatie die hij al van een patiënt heeft laten meewegen. Daardoor kan hij bij het bestuderen van de opnames gegevens missen. Nu probeert men de computer in te schakelen om een deel van de interpretatie van röntgenfoto's te laten overnemen. Naar deze mogelijkheid wordt, bijvoorbeeld in het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA), ook onderzoek gedaan. De grote opslagcapaciteit van de computer kan verder worden benut voor het opslaan van literatuurgegevens over de frequentie van bepaalde aandoeningen. Daarnaast wordt in Amsterdam ook geëxperimenteerd met het elektronisch verzenden van röntgenbeelden. Een tandarts zou als hij problemen heeft met de interpretatie van bepaalde beelden via een modem advies kunnen vragen aan een collega bij een universitair centrum. Hier kan de foto dan worden beoordeeld, zodat de tandarts nog tijdens de behandeling van de patiënt antwoord kan krijgen.

De schrijver in het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde uit 1899 voorspelde in zijn artikel: 'Wanneer de nieuwe soort van stralen in hun photografische reproductie dezelfde vorderingen mag maken als de gewone photografie in de laatste 25 jaren dan is de tijd niet ver meer, dat het nieuwe licht dringt tot in de diepste schuilhoeken van het lichaam, en men met zekerheid zal kunnen vaststellen de geringste afwijkingen van het normale in zijn velerlei uitingen.' Voor wat de tandheelkundige radiologie betreft lijkt die voorspelling aardig uit te komen.

    • M.A.J. Eijkman