Relikwieën van het 'Rode Geslacht'

AMSTERDAM, 12 OKT. “Ik loop hier door mijn eigen leven, mijn eigen geschiedenis. Ik heb ze allemaal gekend, ik heb het allemaal meegemaakt.” Oud-burgemeester van Amsterdam Wim Polak, al vijftig jaar lid van de PvdA, loopt zichtbaar aangedaan door de Nieuwe Kerk, waar gisteren de tentoonstelling De Rode Droom over een eeuw sociaal-domocratie in Nederland werd geopend. Achter hem laat Joop den Uyl op een videoscherm zijn kabinet vallen, even verderop zijn beelden te zien van een jeugdige Jan Schaefer die op joviale wijze ontevreden kiezers toespreekt. In de verte zingen onmiskenbare VARA-stemmen over “ons hei-heilig ide-he-aal”.

Een “familie-reünie” noemde premier Kok deze tentoonstelling in zijn openingswoord. Hij doelde daarbij op de inmiddels ter ziele gegane “rode familie”: de socialistische zuil die, behalve uit de PvdA (voor de oorlog SDAP) bestond uit de vakbeweging, de VARA, het dagblad het Vrije Volk, de AJC voor de jongeren en tal van andere maatschappelijke instellingen.

Iets meer dan honderd jaar geleden, in 1894, werd deze rode familie gesticht door de twaalf apostelen. Onder leiding van Pieter Jelles Troelstra richtten zij de SDAP op in reactie op het antiparlementarisme van de aartsvader van het Nederlandse socialisme, Ferdinand Domela Nieuwenhuis.

Op de tentoonstelling, samengesteld door het Rijksmuseum en het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, wordt het hele rode geslacht in beeld gebracht. Naast de werkkamer van Domela hangen de portretten van oude SDAP-leiders als Willem Vliegen, Henri Polak en de legendarisache wethouder Floor Wibaut. Ontroerend, wegens het onversneden idealisme, zijn de bijdragen van de kunstenaarstelgen uit de familie. Een schitterend spandoek - in het toenmalige jargon een 'transparant' - geschilderd door Theo van Hoytema, domineert de tentoonstellingsruimte. De enorme haan die erop is afgebeeld kraait victorie met een dichtregel van Herman Gorter uit 1903: “Hoort, het socialisme komt.”

Wim Kok wilde niet te lang stilstaan bij “de gevoelens van nostalgie en vertedering” die door de relikwieën uit het roemruchte verleden worden opgewekt. Hij verklaarde de historische belangstelling voor de geschiedenis van zijn partij uit de marxistische oorsprong van de sociaal-democratie: “Lag niet, voor wie het maar wilde zien en beseffen, de weg beschreven naar de nieuwe socialistische samenleving?”

De samenstellers van De Rode Droom hebben duidelijk hun best gedaan om de nostalgie niet te laten overheersen. Zij hebben in de eerste plaats een politieke tentoonstelling nagestreefd: chronologisch gerangschikt en onderverdeeld in thema's als PieterJelles Troelstra, volkswoningbouw, gemeenschapskunst, antimilitarisme, de Arbeiderspers, doorbraak, Drees, Indonesië, Nieuw Links en Den Uyl. Het beeld dat op deze manier wordt opgeroepen is dat van een beweging die veel meer omvatte dan politiek alleen. De sociaal-democratie was een cultuurgoed, een geloof en een levensstijl.

Dat die levensstijl in de loop van honderd jaar nogal eens veranderde wordt op hilarische wijze in beeld gebracht door een statige vitrine waarin het ribfluelen pak met wijde pijpen hangt dat André van der Louw droeg bij zijn installatie als burgemeester van Rotterdam. Toen, in 1974, was dat uniform bedoeld ter onderstreping van het revolutionaire elan van Nieuw Links, een stroming in de Partij van de Arbeid die door 'Vadertje Drees' niet werd gewaardeerd. Dat laatste valt op te maken uit een toespraak uit 1971 waarin hij zijn partijlidmaatschap opzegde. De socialistische levensstijl van premier Willem Drees was voor alles sober en om dat te symboliseren staat in de Nieuwe Kerk de eenvoudige thonetstoel waarop hij thuis in De Haagse Beeklaan zijn maaltijden placht te nuttigen.

Pronkstuk van de tentoonstelling is een replica van de rode auto waarmee schrijver-journalist Jef Last in de jaren twintig door het land trok om propaganda-materiaal te verspreiden. Een beetje overdreven is deze aandacht voor Last wel: hij was maar kort sociaal-democraat. In 1930, zeventien jaar voor de eerste politionele actie, zegde hij zijn lidmaatschap op uit protest tegen de Indonesië-politiek van de SDAP.

De auto van Jef Last behoort samen met het spandoek van Hoytema, de kamer van Domela en het pak van Van der Louw tot de blikvangers in De Nieuwe Kerk, maar verreweg het aardigste, ook voor niet-sociaal-democraten, zijn de talloze historische geluids- en beeldfragmenten. Die lopen van 1918 - er zijn filmbeelden uit de dagen van Troelstra's legendarische revolutiepoging - tot aan het premierschap van Wim Kok: het paarse ontwaken uit een rode droom.

Is de sociaal-democratie met deze tentoonstelling definitief een museumstuk geworden? Minister-president Kok vindt van niet. Wijzend op de sluipende armoede en de sociale desintegratie van onze huidige samenleving, zei hij in zijn openingswoord: “Wie denkt dat na honderd jaar de sociaal-democratie haar tijd wel heeft gehad en is uitgediend, die vergist zich deerlijk. Ik ben geneigd te zeggen: was dat maar waar.”