PAUL CRUTZEN; Enthousiast onderzoeker

Een vat boordevol ideeën, een man om hele avonden mee te brainstormen. Een heel beminnelijk mens, maar tegelijk een straatvechter die je niet tegen je in moet nemen. Een man die krap in zijn tijd zit, snel 'to the point' wil komen, maar anderzijds hele weekeinden kan uittrekken voor de begeleiding van studenten en promovendi.

Met sympathie en respect beschrijven Nederlandse vakgenoten de Nederlandse ozon-onderzoeker Paul Jozef Crutzen die gisteren de Nobelprijs voor chemie ontving. En zonder uitzondering wijzen zij op de vreemde loopbaan van de meteoroloog, die de leiding kreeg over de meest gezaghebbende Amerikaanse en Duitse instituten op het gebied van atmosferische chemie.

Na een goed eindexamen HBS-B aan het Amsterdamse Ignatius College (1951) is er geen geld om Crutzen te laten studeren. Hij volgt daarom de opleiding weg- en waterbouw aan de MTS en treedt als technisch tekenaar in dienst van de gemeente Amsterdam. In die hoedanigheid ontwierp hij onder meer het vermaarde voetgangerstunneltje van het Amsterdamse Centraal Station dat de voetganger van de hal onder het autoverkeer naar het stationsplein bracht. Het Crutzen-tunneltje is nu weg.

In 1960 houdt Crutzen het in Nederland voor gezien en verhuist hij naar Stockholm, waar hij een baan krijgt als computerprogammeur bij het Zweedse Meteorologische Instituut in Stockholm. Meteorologen behoorden tot de eerste wetenschappers die computers in gebruik namen en de opleidingen werden vaak intern verzorgd.

Crutzen huwt een Finse vrouw met wie hij noodgedwongen Zweeds spreekt, met het Fins kon hij niet uit de voeten. Het werk brengt hem in contact met het wetenschappelijk onderzoek op gebied van atmosferische chemie waarvoor hij een grote belangsteling ontwikkelt. Hij wordt door zijn onbekrompen werkgevers in staat gesteld naast zijn werk de studie meteorologie aan de universiteit van Stockholm te volgen. Er volgt een promotieonderzoek naar de fotochemie van de stratosfeer (onderzoek naar de ozonlaag neemt daarin de voornaamste plaats in) onder begeleiding van professor Bert Bolin, de huidige voorzitter van het Intergovernmental Panel on Climate Change dat broeikasonderzoek evalueert.

Na zijn promotie in 1968 blijft Crutzen nog kort in Stockholm hangen. Via een verblijf in Oxford belandt hij dan weldra in de VS, waar hij in dienst treedt van de gezaghebbende instituten NCAR (National Center for Atmospheric Research) en NOAA (National Oceaonographic and Atmospheric Administration). Binnen korte tijd is hij directeur van de afdeling atmosferische chemie van NCAR in Boulder (Colorado). Het zijn de jaren waarin de jonge atmosferische chemie een bijna explosieve ontwikkeling doormaakt, niet in de laatste plaats doordat in 1974 de spuitbusoorlog tegen het gebruik van cfk's uitbreekt. Het hardnekkig verzet van cfk-fabrikanten als DuPont dwingt de onderzoekers hun vermoedens met feiten te bewijzen. Aanwijzingen dat de ozonlaag werkelijk werd aangetast, waren er toen nog lang niet, die kwamen pas in 1984 van een Brits team aan de Zuidpool. In 1980 wordt Crutzen directeur atmosferische chemie van het Max Planck Instituut voor chemie in Mainz. Duits is voor hem een tweede moedertaal: zijn moeder was Duitse. Maar in zijn gezin wordt Zweeds gesproken.

Na zijn vertrek in 1960 heeft Crutzen niet meer in Nederland gewoond of gewerkt, al kwam hij regelmatig op bezoek voor workshops en congressen. In Mainz is hij voor Nederlanders goed bereikbaar: de Wageningse hoogleraar dr. J. Lelieveld deed zijn promotieonderzoek (tussen 1987 en 1993) in Mainz en heeft goed herinneringen aan de samenwerking met zijn promotor. “Crutzen is een man die bevlogen kan raken door nieuwe ideeën en avonden en weekeinden kan doordiscussiëren.”

Ook KNMI-onderzoeker A.P. van Ulden kent Crutzen als een man die overstroomt van oorspronkelijke ideeën. “Het is een man om uren mee te brainstormen.” Van Ulden ziet als de grote verdienste van Crutzen dat deze de meteorologie en chemie bij elkaar heeft gebracht. “Hij kan erg goed organiseren en weet welke mensen hij bij elkaar moet brengen.”

De chemicus dr. R. Guicherit van TNO's instituut voor milieu, energie en procesinnovatie durft de stelling aan dat Crutzen de Nobelprijs voor zijn gehele oeuvre heeft gekregen. “Hij heeft reeksen van onderzoekscholen op sporen gezet en heeft op veel meer fronten gewerkt dan Rowland en Molina.”

Guicherit ziet als de voornaamste bijdrage van Crutzen aan het ozononderzoek de ontdekking van het belang van zogeheten katalytische cycli in de afbraak van ozon (met een identieke rol voor stikstofoxyden, chloor en broom), zijn onderzoek naar de vorming van ozon in de troposfeer (de onderste laag van de atmosfeer) en Crutzens in 1986 geopperde vermoeden dat ijswolken in de stratosfeer een verklaring konden geven voor het ontstaan van het ozongat.

Vaak gingen ideeën van Crutzen een eigen leven leiden. Een niet helemaal serieus bedoelde berekening (in het tijdschrift Ambio, 1982) over de gevolgenvan een grootschalige kernoorlog is als de voorspelling van 'de nucleaire winter' de geschiedenis ingegaan. Toen andere onderzoekers later aantoonden dat Crutzen te somber was geweest, was deze allang weer met een nieuw onderwerp bezig. Met zijn beschouwingen over het effect van savannebranden op smogvorming en ozonproduktie in de troposfeer is het net zo gegaan. Zoals de Nederlandse vakgenoten zeggen: “Crutzen komt met ideeën, werkt die enthousiast en grondig uit maar bekommert zich niet om de laatste details. Daarvoor is hij te ongeduldig.”