Omstreden methode voortgezet

DEN HAAG, 12 OKT. Het openbaar ministerie in Haarlem is niet verantwoordelijk voor het gebruik van opsporingsmethoden door Haarlemse politiemensen elders in Nederland. Dat zei de Haarlemse hoofdofficier van justitie L. de Beaufort vanochtend voor de parlementaire enquêtecommissie.

Na de ontbinding van het interregionale rechercheteam (IRT) is gebleken dat de Haarlemse criminele inlichtingendienst (CID) in andere regio's gewoon doorging met de omstreden 'IRT-methode', het begeleiden van criminele informanten die met medeweten of hulp van de politie drugs importeerden. De Haarlemse politie bood zijn informanten bijvoorbeeld aan in de regio's Rotterdam en Gooi- en Vechtstreek.

“Die mensen zijn op dat moment niet meer van mijn CID”, zei De Beaufort tegen de commissie. “Zou het parket in Haarlem het gezag moeten dragen over de opsporingsacties van Haarlemse politiemensen in Rotterdam of Enschede? De verantwoordelijkheid ligt dan bij de lokale driehoek van politie, justitie en korpsbeheerder.”

Volgens de Haarlemse hoofdofficier, die nauwelijks op de hoogte was van wat zich aan opsporingsactiviteiten binnen het in 1993 opgeheven IRT afspeelde, is de IRT-methode in zijn eigen arrondissement niet meer toegepast.

Volgens De Beaufort is in Haarlem onder zijn verantwoordelijkheid vorig jaar nog één keer een partij van vijfduizend kilo softdrugs in het criminele circuit verdwenen. Een informant uit het “oude IRT” had nog afspraken over een doorlevering. Zijn leven zou in gevaar komen als hij deze afspraak niet zou nakomen. Eerder deze week schetste de Haarlemse CID-officier van justitie P. Snijders het beeld dat de Haarlemse politie over zoveel informanten in criminele organisaties beschikte dat daarmee de controle over de opsporing meer in handen was van de informanten dan van de politie. Oud-IRT-officier O. van der Veen, ook van het Haarlemse parket, zei gisteren dat informanten altijd onder controle van de politie blijven staan.

Voormalig interregionaal rechercheteam (IRT)-officier van justitie O. van der Veen vindt dat hij de afgelopen jaren ten onrechte bij het vuil op straat is gezet. De kritiek op de politiemethoden die hij namens het openbaar ministerie in Haarlem toeliet was niet terecht, zei de nerveuze Haarlemse officier gisteren tijdens het tweeënhalf uur durende verhoor voor de parlementaire enquêtecommissie. De opdracht die hij van politie en openbaar ministerie kreeg was voor hem duidelijk genoeg geweest. Hij moest de criminele groepering waarachter het IRT Noord-Holland/ Utrecht aanzat - de Delta-groep - “geen blauw oog slaan, maar knock out”.

En daar waren speciale methoden voor nodig. “Alternatieven voor onze methode waren er niet”, legde hij de commissie uit. Van de in opspraak geraakte opsporingsmethode van het IRT, het bewust doorlaten van verdovende middelen om een criminele informant binnen de groepering te laten 'groeien', wisten weinig mensen af bij het openbaar ministerie. Nooit sprak hij met zijn hoofdofficier of met procureur-generaal R. van Randwijck over de “grenszoekende” opsporingsmethoden waarvoor hij de politie toestemming gaf. Hij nam de beslissingen zelf.

Eén keer twijfelde Van der Veen over een volgende zet in het Delta-onderzoek. Toen stapte hij wel naar de procureur-generaal. Dat was toen het IRT de mogelijkheid kreeg een partij cocaïne van zo'n 150 kilo te laten verdwijnen in het criminele circuit. Een buitenkans om de lijnen binnen het drugsnetwerk in beeld te krijgen. Van Randwijck stemde ermee in, maar de partij kwam nooit naar Nederland.

Het bewust doorlaten van verdovende middelen, zei Van der Veen was al “zo oud als de weg naar Rome” toen hij er bij het IRT op grote schaal mee begon. Bij het oprollen van de netwerken van drugsdealers gebeurt dat al veel langer zei hij. Nieuw aan de IRT-methode was de inzet van een informant die als gevolg van de doorleveringen steeds meer in aanzien steeg - en dus gaandeweg meer zicht op de kopstukken van de organisatie kreeg.

De actieve rol die de Haarlemse politie speelde bij het doortransporteren van de verdovende middelen van de Delta-groepering - zoals het vervoeren vanaf het haventerrein naar loodsen - noemde Van der Veen “een verrijking van de misdaadbestrijding”. Hij zei dat de politie zelf “geen gram heeft ingevoerd”. Wel reikte de politie de helpende hand als de drugs eenmaal binnen Nederland waren.

Eerdere kritiek van bijvoorbeeld de Haarlemse CID-officier van justitie P. Snijders op het uitgebreide informantennetwerk van de politie, deelde Van der Veen niet. Snijders zei afgelopen maandag voor de commissie dat de Haarlemse politie over zodanig veel informanten in allerlei criminele netwerken beschikte dat het ontmantelen van die organisaties bijna onmogelijk werd. daarbij zou altijd wel een door de politie te beschermen informant in gevaar komen, aldus Snijders. Volgens Van der Veen, bij het OM in Haarlem nu unithoofd van Snijders, was er geen sprake van dat deze informanten meer controle over de politie hadden dan andersom.

Dat de informantenbegeleiders Langendoen en Van Vondel van de Haarlemse criminele inlichtingendienst (CID) tijdens het Delta-onderzoek tonnen aan crimineel geld gebruikten om hand- en spandiensten voor de criminelen te verrichten, wist Van der Veen niet. De Utrechtse IRT-teamleider A. Lith had eerder op de dag al verklaard dat hij daar niets van afwist. Met het criminele geld schafte de Haarlemse politiemensen apparatuur aan, huurde auto's en opslagloodsen en richtten nep-bedrijven op voor criminele activiteiten.

Van der Veen zei tegenover de commissie dat met het 'begraven' van de oude IRT-gegevens door de leiding van het OM in het ressort Amsterdam het onderzoek naar de moord op een Alkmaarse drugshandelaar was stilgezet.