Nederlander wint met ozon-studie Nobelprijs

ROTTERDAM, 12 OKT. De Nobelprijs voor chemie is dit jaar toegekend aan de hoogleraren Paul Crutzen, Sherry Rowland en Mario Molina. Paul Crutzen is van geboorte Nederlander, maar verliet ons land al in 1960. Rowland is Amerikaan, Molina is van geboorte Mexicaan. Alle drie verrichtten in de jaren '70 baanbrekend werk bij het onderzoek naar de aantasting van de ozonlaag.

De drie onderzoekers stonden aan de wieg van de nog jonge atmosferische chemie die eind jaren '60 bestaansrecht begon te verwerven. Crutzen is van oorsprong meteoroloog, Rowland en Molina zijn chemici. Algemeen wordt aangenomen dat de Zweedse Academie van Wetenschappen met het toekennen van de Nobelprijs de atmosferische chemie een volwaardige plaats heeft willen geven binnen de chemie. Tegelijk drukt de prijs de bezorgdheid uit over de conditie van de ozonlaag.

Paul Crutzen, de nu 62 jaar oude directeur van het gerenommeerde Max Planck-instituut voor chemie in Mainz, heeft de prijs zonder twijfel 'voor zijn gehele oeuvre' gekregen. In 1970 publiceerde hij zijn vermoeden dat stikstofoxyden (NOx) van natuurlijke oorsprong en uit verbrandingsmotoren een rol spelen bij de afbraak van ozon in de stratosfeer. Daarvóór was al door anderen gewezen op het gevaar dat supersonische vliegtuigen van het soort Concorde ozonafbrekende stoffen in de stratosfeer zouden brengen.

In de 25 jaar na 1970 heeft Crutzen een veelheid aan originele ideeën en theorieën gelanceerd, baanbrekend onderzoek gestart en onderzoekers van verschillende disciplines bijeengebracht. Crutzen ontdekte dat het ozon in de troposfeer (de onderste laag van de atmosfeer) niet uit de stratosfeer wordt aangevoerd maar ook ter plekke wordt gevormd. Hij vroeg aandacht voor methaan en lachgas in de atmosferische chemie en behoorde tot de eersten die vermoedden dat de ijswolken in de stratosfeer boven de zuidpool een rol spelen in de versterkte ozonafbraak die daar het ozongat doet ontstaan.

Rowland en Molina hebben de Nobelprijs vooral te danken aan hun onderzoek aan chloorfluorkoolstofverbindingen (cfk's), begin jaren '70 nog volop in gebruik als drijfgas in spuitbussen. Toen James Lovelock had ontdekt dat de cfk's in alle uithoeken van de aarde in luchtmonsters waren aan te tonen en anderen een mogelijke invloed van chloor uit vaste raketbrandstof (van de Nasa-space shuttle) hadden onderzocht, besloot Rowland in 1973 te onderzoeken of de cfk's ook de stratosfeer konden bereiken en onder invloed van ultraviolette straling hun chloor zouden verliezen. Samen met de jonge Berkeley-onderzoeker Molina wist hij dat inderdaad aan te tonen. In juni 1974 publiceerden zij hun bevindingen in het Britse tijdschrift Nature, maar het artikel kreeg weinig aandacht. Concurrerende onderzoeksgroepen verwekten de opschudding die er uiteindelijk toe leidde dat de cfk's in 1978 in de VS als drijfgas werden verboden.