Mestologie

Mest stinkt. Daarover zijn de meeste in mest geïnteresseerde veehouders, politici, ambtenaren en milieuactivisten het al gauw eens. Maar over andere eigenschappen van mest zijn al jaren meningsverschillen. Daaraan is geen einde gekomen sinds het kabinet op voorstel van de ministers Van Aartsen (landbouw) en De Boer (milieu) mestnormen heeft vastgesteld. Want iedere mestdeskundige weet dat mestcijfers nooit zullen kloppen.

Over de gevolgen van het uitrijden van mest over het land worden debatten gevoerd, die slechts te volgen zijn door gespecialiseerde 'mestologen'. Het is gewoonte dat wanneer iemand iets over mest beweert, er dadelijk een ander opstaat die aantoont dat deze conclusie niet voor alle gevallen geldt. Vervolgens wordt er 'dieper ingegaan' zoals dat in de mestsector heet. Men onderzoekt de zaak gedetailleerder. Er is dan altijd wel weer iemand die de conclusies van het gedetailleerder onderzoek niet bevallen en die de 'mestologen' dwingt er nog dieper in te gaan.

Naar aanleiding van de recente boerenprotesten tegen het mestbeleid van de overheid signaleert een mestdeskundige van het ministerie van landbouw de existentiële vraag of de 'mestologie' grenzen kent. Voorlopig zijn die grenzen nog niet bereikt. De discussies hebben zich tot nu toe geheel toegespitst op de aanwezige fosfaat in mest. Het debat over de betekenis van stikstof in mest is nog pas amper begonnen, hoewel het kabinet al nauwkeurig een stikstofnorm heeft vastgesteld die moet teruglopen van 300 kilo per hectare in 1998 tot 180 kilo in 2010.

De in Nederland aanwezige veertien miljoen varkens produceren zoveel mest dat dit tot ernstige milieuproblemen leidt. Hoeveel moet daarom die veestapel inkrimpen en wie zijn de boeren die met minder varkens moeten zien rond te komen? Aanvankelijk wilde men weten hoeveel fosfaat er gemiddeld jaarlijks in de mest van een vleesvarken zat. Dan zou bepaald kunnen worden hoeveel varkens een boer per hectare grond zou mogen houden. Maar berekeningen van 'mestologen' leidden, afhankelijk van de belangen van hun opdrachtgevers, tot zeer uiteenlopende resultaten. De ene deskundige stelde vast dat de mest van een vleesvarken jaarlijks 7,4 kilo fosfaat bevatte, de andere rekende uit dat het 4,8 kilo was. Ten slotte bracht het Informatie en Kennis Centrum van het ministerie van landbouw alle 'mestologen' in 1992 om een tafel en na twee jaar onderhandelen - niet rekenen - werd men het eens over een weinig nauwkeurig compromis.

Nu de varkenshouders een mineralenboekhouding moeten bijhouden, lijkt de zaak op het eerste gezicht eenvoudiger. De boeren weten hoeveel veevoer ze kopen en hoeveel fosfaat daarin zit. Als ze daar tegenover berekenen hoeveel fosfaat hun grond kan opnemen, hoeveel fosfaat er verwerkt wordt door planten op die grond en hoeveel fosfaat in produkten als melk en eieren van een boerenbedrijf verdwijnt, weten ze precies hoeveel fosfaat ze te veel hebben geproduceerd voor de hectaren grond die ze bezitten. Het kabinet heeft nu bepaald dat boeren in 1998 veertig kilo fosfaat per jaar per hectare meer in de grond mogen brengen dan er verwerkt kan worden. In 2010 moet dat zijn teruggebracht tot twintig kilo fosfaat per hectare.

Dat lijkt duidelijk, maar onder 'mestologen' wordt erom gelachen. Allereerst verschilt de capaciteit om fosfaat op te nemen per grondsoort. Daar er boeren zijn met land dat uit acht verschillende grondsoorten bestaat, weet niemand hoe in zo'n geval vastgesteld moet worden hoeveel fosfaat dat land kan hebben. Er zijn ook grondsoorten waar het fosfaatgehalte op dit ogenblik te laag is en waar moeilijk te veel mest met fosfaat uitgereden kan worden.

Een andere zaak die de berekeningen niet nauwkeurig maakt, is dat de hoeveelheid fosfaat in eieren en melk nogal varieert, zodat men bij de mineralenboekhouding gedwongen is van gemiddelden uit te gaan. Maar de meest problematische factor is het feit dat een boer altijd onzeker is over zijn oogst. Als hij mest, kan hij veronderstellen later in het jaar een bepaalde hoeveelheid maïs te zullen oogsten. Van de omvang van die oogst is het afhankelijk hoeveel fosfaat de maïsplanten aan de grond onttrekken. Valt de oogst echter als gevolg van droogte tegen, dan onttrekken de maïsplanten veel minder fosfaat uit de grond. Als gevolg daarvan kan een boer die veertig kilo fosfaat per hectare meer in de grond mag brengen dan verwerkt kan worden, deze norm gemakkelijk met honderd procent overschrijden.

Zelfs 'mestologen' die met genoegen over hun stinkend specialisme praten, vinden dat het tijd wordt om te bepalen welke onnauwkeurigheden aanvaardbaar zijn. Het heeft volgens hen geen zin om details van het mestprobleem te blijven onderzoeken omdat het irreëel is te denken dat ooit overal in Nederland nauwkeurig de juiste hoeveelheid mest wordt uitgereden.